|
Bestrijdingsprogramma’sDhr. van der Sommen, afd. dierziekten van het RVV verstrekte een overzicht van de gang van zaken bij de bestrijding van aangifteplichtige ziekten (bijv. Brucellose, Tuberculose, MKZ en BSE/TSE). Steeds nadrukkelijker gaat de aandacht uit naar preventie voorafgaand aan bestrijding. Bij preventie kent men twee pijlers namelijk risk assessment en monitoring. Bij de bestrijding wordt gewerkt met verdenkingen (na bijv. monitoring of door de veehouder of dierenarts opgemerkte afwijkingen of bij controle aan de slachtlijn of bij tracering na een geconstateerde besmetting. Dr. Verhoeff noemde enkele voorbeelden van zoönosen die op vrijwillige basis bestreden worden. Voorbeelden daarvan zijn Salmonellose, Paratuberculose en Leptospirose. Voor de opsporing van besmette bedrijven en het bewaken van de vrije bedrijven wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van het onderzoek van tankmelkmonsters, aldus de spreker. ‘Deze monsters kunnen worden beschouwd als representatieve monsters voor de gehele lacterende populatie. Omdat ze elke 2 dagen aangeleverd worden aan het melkcontrolestation, zijn ze gemakkelijk beschikbaar voor laboratoriumonderzoek.’ Ontwikkeling en validatie van met name de tankmelktesten heeft veel inspanning gekost. De leptospirosevrij certificering is de oudste en begonnen in 1993. Aanvankelijk was het infectieniveau ongeveer 30 procent (in 1990). In januari 2002 waren, volgens Verhoeff, nog slechts 970 van de 25.561 melkleverende bedrijven niet vrij van leptospirose (het gaat om slechts 4%). ‘Op deze bedrijven wordt door KKM druk uitgeoefend om zich te saneren.’ Bewaking van de aanvoer van dieren gebeurt via het I en R-systeem, het bedrijfsregister, dat door de EU is vastgesteld en inmiddels in Nederland door het Ministerie van LNV zelf wordt beheerd. Correct bijhouden van het register wordt mede bepalend voor het toekennen van dierpremies. Alle veehouders krijgen 4 keer per jaar een register toegestuurd met een beknopte invulinstructie. In 2000 is begonnen met de salmonellosevrij-certificering. Steek-proefonderzoek had uitgewezen dat op ongeveer 10 procent van de melkvee-bedrijven de infectie aanwezig is of recent aanwezig is geweest. Ook hierbij wordt gewerkt met onderzoek van tankmelk. In januari 2002 zijn 2247 bedrijven gecertifi-ceerd als salmonellose-onverdacht. Bij de bestrijding van paratuberculose (een mogelijke zoönose) kan geen gebruik gemaakt worden van tankmelkonderzoek. Bacteriologisch onderzoek van de mest is een belangrijk diagnosticum, maar stelt hoge eisen aan kwaliteit van laboratorium en personeel. Een faeceskweek en duurt ongeveer 4 maanden. Bloedtesten hebben nog steeds een vrij lage gevoeligheid. Omdat de infectie optreedt gedurende het eerste levensjaar en de besmetting pas op latere leeftijd (en dan nog moeizaam) is vast te stellen, nemen preventieve managementmaatregelen een belangrijke plaats in bij de bestrijding. Hiervoor is de zogenaamde parawijzer ontwikkeld. Dat is een vragenlijst met 41 vragen: 33 vragen over de kalveropfok en 8 over bedrijfshygiëne en registratie. De GD geeft scores aan de antwoorden van de vragen. Door verwerking van de scores kunnen de belangrijkste maatregelen ter verbetering van de preventie worden geselecteerd. Zo wordt het voor de veehouder mogelijk stap voor stap verbeteringen aan te brengen, in volgorde van belangrijkheid. In de loop van de tijd en na gunstig verlopen bloed- of mestonderzoeken verkrijgt men langzamerhand een hogere status. In januari 2002 hadden 67 bedrijven de hoogste status bereikt, terwijl 927 bedrijven een onverdachtstatus van een lagere orde hadden. Er werken momenteel 2516 bedrijven binnen het parawijzersysteem. |
Contact:René Floris, secretaris |
|
|