|
![]()
|
Verslag Voorjaarssymposium
2004 Facts about Fat
Verslag: Willem van Middendorp
De boter stond weer eens
centraal tijdens het voorjaarssymposium van 2004. Het was tien jaar geleden dat
melkvet op het programma stond. Het mocht dan ook wel weer eens, zo verzuchtte
bestuursvoorzitter en nu ook dagvoorzitter Rini Bouwman. Hij kenschetste de
boter wel als het zorgenkindje van de zuivel. Zo'n twintig jaar geleden - toen
Bouwman zijn zuivelcarriëre startte - was boter een interventieproduct. Boter
was boter, een product om op je brood te smeren en zelfs dat lukte slecht. Inmiddels is daar wel
verandering in gekomen. Nu zijn er boters met verschillende handelsnamen, in
diverse categorieën en is er zelfs enige differentiatie te bespeuren, aldus
Bouwman. Als zorgpunt noemt hij, dat
het melkvet nog steeds tobt met een imagoprobleem. In een conferentiezaal van
de Wageningse Berg gingen de deelnemers er op dinsdag 18 mei 2004 eens goed voor
zitten om de keten van het tot stand komen van het melkvet tot het nuttigen
ervan de revue te laten passeren. Melkvetsamenstelling
beïnvloed door veevoeding
Seerp Tamminga, als
hoogleraar verbonden aan de Wageningse Leerstoelgroep Diervoeding leerde de
toehoorders, dat een optimale combinatie van rantsoensamenstelling,
procestechnologische bewerking van het voer, pensflora en de koe zelf cruciaal
zijn voor de vetzuursamenstelling van het melkvet. Vanuit de diervoeding
geredeneerd is het voedervet interessant vanwege de hoge energiedichtheid, de
aanwezigheid van essentiële vetzuren (meervoudig onverzadigd) en ook van
geconjugeerde linolzuren (CLA's, nl. gezond o.a. anticarcinogeen) en tenslotte
vanwege de mate van interfereren met pensfermentatie. De vetzuren in het melkvet
zijn afkomstig uit het voer (C18- en een deel van de C-16-vetzuren, waar
pensbacteriën er voor zorgen dat vacceenzuur en rumeenzuur worden gevormd),
worden meestal in het uier nieuw gesynthetiseerd - 'de novo synthese' -
(<C16- en deel C16-vetzuren, waarbij azijnzuur en boterzuur de precursors
zijn) en komen uit de lichaamsreserve (C-18 vetzuren). Als gevolg van
veranderingen in de energiebalans gedurende de loop van de lactatie verandert de
melkvetsamenstelling. Direct na het afkalven bevat het melkvet maar 20% <C16
vetzuren, terwijl dat na twaalf weken is opgelopen tot 40%. Dit kan worden
verklaard uit het feit, dat in het begin van de laktatie relatief veel
lichaamsvet als bron dient. Tijdens de pensfermentatie
doen bacteriën hun werk. Zij zorgen voor lipolyse (vetzuren vrij maken uit
triglyceriden, fosfolipiden en glycolipiden), isomerisatie (het ontstaan van
configuraties: cis-cis; cis-trans; trans-cis en trans-trans) en hydrogenatie
(onverzadigde verbindingen nemen een waterstofatoom op). Zo kan bijvoorbeeld
vacceenzuur ontstaan. Dat is een vetzuur, dat gepromoot wordt omdat er
gezondheidsbevorderende eigenschappen aan worden toegedicht. Niet alleen in de
pens, maar ook in de uier (onder invloed van enzymen) kan vacceenzuur (één
onverzadigde binding) omgezet worden in rumeenzuur (twee onverzadigde bindingen:
een CLA). Vers gras ten opzichte van
grassilage blijkt veel uit te maken, wat betreft vetzuursamenstelling. Bij de
overgang van gras naar stal neemt >C16 vetzuur af van ca 50% naar ca. 30%.
Met lijnzaad in het rantsoen lukt het om >C16 vetzuur weer op ca 50% te
brengen. Daarnaast is het in de veevoedertechnologie steeds meer mogelijk om
door verhitten, extrusie of coating tot een optimale veevoersamenstelling te
komen. Prof. Pieter Walstra vraagt
of de deeltjesgrootte van het voer van belang is in dit verband (brok t.o.v.
meel). Tamminga antwoordt, dat dat zeker zo is. Hoe fijner het voer verdeeld is,
des gemakkelijker is het aan te vatten door de bacteriën in de pens. Dhr Jaap de Wit wil weten
of vers gemaaid gras vergelijkbaar is met vers gras grazen door de koe. Tamminga meent dat vers
gemaaid gras iets minder CLA's bevat (ten gevolge van stress van het gras), maar
wel meer dan kuilgras. Prof. Marcus van de Berg
vraagt naar het effect van de voermengwagen. Dat levert een genuanceerd antwoord
op. Prof. Tamminga zegt dat er een stamppot van gemaakt wordt. Dat is weliswaar
ongunstig voor de CLA's, maar het levert wel een uitgebalanceerd menu op voor de
pensbacteriën (hoe constanter de samenstelling des te gunstiger). De technologische verwerking van melkvetDrs. Ellen Bloksma,
technoloog bij Campina Buttergold in Tilburg trok de aandacht door te beginnen
met de opmerking: 'Boter is niet het meest sexy product in het winkelschap, maar
toch…..' Gaande haar inleiding werd
duidelijk, dat de 'natuur' een belangrijke rol speelt en zal blijven spelen voor
boter en room, maar dat de technologie wel degelijk mogelijkheden benut om door
het jaar heen een optimaal product in de markt te zetten. Seizoenvariaties kenmerken
de melkvetsamenstelling, hoewel door het bijvoeren van de koeien de verschillen
minder uitgesproken worden. Opvallend is dat er over een reeks van vier jaar
(1999 - 2003) gezien het vet iets harder van samenstelling is geworden. De roombehandeling is zeer
belangrijk bij de boterbereiding. De gebruikte apparatuur en de ‘processing’
hebben grote invloed op de kwaliteit van het uiteindelijke product. Vooral van
belang zijn de mate waarin vetbolletjes beschadigen, de gebruikte temperaturen
bij de roombereiding en de sturing van de melkvetkristallisatie in de room.
Kritisch is daarnaast de mechanische belasting die 'rebodying' bewerkstelligt.
De kristallisatie van melkvet vindt plaats binnen de beperkte dimensie van het
vetbolletje, aldus Bloksma. Meer in detail ging zij in op bijvoorbeeld het
verschil tussen vet in een bolletje en bulkvet. Zo verloopt de eerste stap, de
nucleatie, trager in de vetbol dan in het bulkvet. De grootte van het bolletje
speelt hierbij wel een rol. Het percentage vast vet verschilt per bolletje,
terwijl dit in bulkvet homogeen is. De eindhardheid wordt bij
boter pas 10-14 dagen na de bereiding bereikt. Room blijkt in een stamboom
onder te brengen te zijn. Zo worden de volgende roomproducten onderscheiden:
slagroom (>30% vet), crème fraiche (ca. 35% vet), zure room (20% vet) en
kookroom (vanaf 7% vet). In de discussie wordt nog
benadrukt dat het effect van luchtbellen in elke productiefase van groot belang
is. Vette kristallenMelkvet opsplitsen in
fracties met verschillend smeltpunt is interessant vanwege de vele
toepassingsmogelijkheden. Dr. Frank Hollander van FCDF Corporate Research in
Deventer werkt daarvoor met koude kristallisatie. Zeer aanschouwelijk schetste
hij het proces van kristallisatie en toonde hij de bouwstenen van een
vetkristal. Melkvet bestaat globaal uit
tri-glyceride moleculen. Dat is een glycerolbasis met drie vetzuur-staarten. In melkvet zitten wel 400
verschillende soorten vetzuren, die 8000 verschillende mogelijke triglyceriden
kunnen vormen. Elk soort vet heeft haar eigen kenmerken wat betreft hardheid en
smeltgedrag, waar met behulp van het kristallisatieproces op kan worden
ingespeeld. Koude kristallisatie is een
gangbaar proces voor het opsplitsen van melkvet in verschillende fracties. Vet
wordt op 60 ◦C gebracht, waarna de temperatuur verlaagd wordt
tot de gewenste temperatuur. Hierdoor verlaagt de oplosbaarheid van de
‘vetten’ in de ‘olie’, waarna beide fracties gescheiden kunnen worden.
Het proces kan herhaald worden tot de juiste samenstelling is bereikt. Verhelderend is de uitleg
over wat er op moleculair niveau gebeurt bij het kristalliseren van melkvet. In
de ruimtelijke structuur bestaat de tweedimensionale tekening van een
triglyceride uit een stoel met twee poten en een rechte danwel niet-rechte
rugleuning. Hollander vergelijkt het
kristallisatieproces met het stapelen van die stoelen, die meer of minder goed
in elkaar passen. Zo ontstaan - naar de vorm - plaatjes en naalden. Hoe
perfecter de ordening hoe hoger het smeltpunt. Door nucleatie en groei ontstaan
aggregaten en sferulieten. Fractinatie kan vervolgens
plaatsvinden door de vette kristallen onder hoge druk te filtreren. Gefraktioneerd melkvet is
interessant vanwege allerlei eigenschappen. Vanwege de samenstelling, de smaak
(aromacomponenten zitten met name in de laagsmeltende fracties), het mondgevoel,
de oxidatieve stabiliteit, de fysische eigenschappen en de textuur. Het ultieme doel was
altijd: de uit de koelkast smeerbare boters. Door het mengen van zeer laag
smeltende fracties met hoog-smeltende fracties is dit een werkbare toepassing
geworden. In de bakkerij zijn met
name de hoogsmeltende fracties populair. In koekjes voor de smaak en om het
glutennetwerk te beheersen en in cake voor de smaak en de luchtigheid. Chocolade wordt zachter met
toegevoegd melkvet en vetbloem (migratie van cacaoboter) wordt voorkomen. Overige toepassingen zijn
er in de ijsindustrie, in spreads en in melkpoeders. Laagsmeltend vet bevordert
de dispergeerbaarheid van melkpoeder en hoogsmeltend vet juist weer de vloei
(uitschenkbaarheid) van het poeder. Op een
opmerking over het belang van de juiste temperatuur merkte Hollander op,
dat de smeltcurve niet vlakker wordt door vetfractioneren. Dat bereik je wel
door 'blenden'. Professor Walstra vraagt
hoe nu uiteindelijk de kristalgrootte beïnvloed wordt. Hollander antwoordt, dat
dit via het tijd/temperatuurprofiel te 'tunen' valt bij het eindproduct, maar
ook door de aanwezigheid van kleine componenten (bijv. mono- en diglyceriden). Roomgevoel
in de mond
Valt waargenomen romigheid
te correleren met producteigenschappen? Dat is een van de vragen uit een project
dat het Wageningen Centre for Food Sciences (WCFS) uitvoert. Onderzoeker dr.
George van Aken van WCFS onderzoekt hiervoor de fysieke en (bio)chemische
processen, die in de mond plaatsvinden. Vet dat in de vorm van emulsiedruppels
in producten aanwezig is, staat centraal omdat het de sensorische effecten als
de romigheid, de smaak, de geurgewaarwording beïnvloedt.. Van Aken besprak enkele van
de eerste waarnemingen in de mond en de rol die ze spelen op de sensorische
gewaarwording. Een druppel zonnebloemolie in een olie-in-water emulsie gebruikte
hij als model. Wanneer deze emulsie in de mond wordt gebracht vinden er tal van
bewerkingen plaats die de emulsie wezenlijk veranderen. De emulsie wordt gekoeld
of verwarmd naar de mondtemperatuur en gemengd met speeksel. Dit leidt tot
verdunning, tot een homogenere menging en interactie met speekselcomponenten
zoals mucines (biopolymeren) en enzymen en tot de introductie van luchtbellen.
Doordat de mondinhoud in contact komt met tong, verhemelte en tanden wordt het
samengedrukt en versmeerd tussen tong en verhemelte. Opvallend is volgens Van
Aken, dat op dit terrein veel onderzoek is gedaan door tandheelkundigen maar
nauwelijks door voedingskundigen. De eerste conclusies uit
het lopende onderzoek zijn, dat speeksel leidt tot onder meer aggregatie van de
druppels en het ontstaan van slijmerige structuren in de mond. Epitheelcellen
hechten zich aan de mondoppervlakken. Wrijven tussen tong en verhemelte heeft
coalescentie van druppels tot gevolg. In de mondholte ontstaat een olieachtig
oppervlak. Ook treedt er een verandering op in romigheid (‘lubrication’).
Met een model om de afschuifstromen in de mond te meten wordt de wrijvingscoëfficiënt
vastgesteld, die een maat is voor die romigheid. Interacties met luchtbellen in
de mond veroorzaken verspreiding van het vet. Een andere constatering is dat bij
bewust proeven de bewerkingen in de mond zodanig worden uitgevoerd, dat een
optimaal sensorisch effect wordt bereikt. Het lijkt er volgens hem op dat het
product als het ware sensorisch uitgeplozen wordt. Het product wordt optimaal
gedestabiliseerd waarbij het zijn samenstelling (geur, smaak, vet) prijsgeeft. Piet Verhagen meent dat de
speekselsamenstelling van invloed is. Van Aken beaamt dat. Er zijn verschillen
van persoon tot persoon. Dit betekent echter niet dat je de organoleptische
tests moet aanpassen. Het leert je wel ze te relativeren. Er kunnen zelfs
verschillen in de loop van de dag optreden, maar ook: kan de proefpersoon de
aggregaties waarnemen? Of : kan deze de variaties duiden? Dit maakt de ontwikkeling
van modelsystemen des te interessanter en nuttiger. Vet
dat geen vet is
Met name in de yoghurtmarkt
is de opmars van vetarme producten groot. Toch blijft er behoefte bestaan aan
producten, die een goed mondgevoel en een romige indruk geven. Rudy Wouters van
Orafti NV (België) gaf een overzicht van de mogelijkheden van het toevoegen van
inuline in zuivelproducten. Inuline - een stof die
wordt gewonnen uit de witlofwortel - dient als vetvervanger. Dit kan alleen
wanneer het product water bevat. Drie delen vet moet worden vervangen door een
deel inuline en twee delen water. Een noodzakelijke stap in de processing is
‘shearing’ (een bepaalde vorm van homogeniseren), omdat door de
afschuifkrachten voldoende kleine partikeltjes moeten ontstaan, die na een
periode van rust een netwerk moeten vormen. Dispergeerbaarheid (tot 3%) is in
dit verband veel belangrijker dan oplosbaarheid (tot 1%). Naast het feit dat het een
vetvervanger is, stimuleert inuline de calciumopname en de groei van
bifidusbacteriën. Inuline wordt in de darm niet verteerd. ‘Je kunt echter niet naar
0% vet gaan. Een basishoeveelheid melkvet blijft nodig’, aldus Wouters. Inuline wordt wereldwijd
erkend als vezel. Behalve in Canada, daar wordt het als een koolhydraat
beschouwd. Fons Michielsen verbaast
zich er over, dat inuline als polaire stof een vetvervanger is. Vet is juist
apolair. Wouters legt uit, dat het principe de grootte van inuline is die het
als vetvervanger doet gewaar worden. Het is een complex van verschillende
moleculen tot wel 65 fructose-eenheden. Op een vraag hoe het komt
dat er geen aggregatie optreedt zegt Wouters dat dit komt omdat het inuline een
ruimtevullend netwerk vormt. Vet
moet
Dr. Theo Ockhuizen van de
NZO besprak tenslotte de gezondheidsaspecten van zuivelvet. Vet moet - zo stelde
hij- maar in welke mate: dat is de vraag die beantwoord moet worden. Vet heeft een belangrijke
functie in de stofwisseling. Het is een bron van energie, het speelt een vitale
rol in celmembranen en de meervoudig onverzadigde vetzuren zijn 'precursors van
biomediatoren'. Met dat laatste worden de verschillende chemische en
biochemische effecten samengevat. Daarnaast draagt het
melkvet bij aan het mondgevoel en de smaak, aldus Ockhuizen. Uit de
voedselconsumptiepeilingen (VCP's) van de afgelopen tien jaar valt af te leiden
dat de vetinname niet meer uit de consumptie van vetten en volle producten komt,
maar uit halfvolle en halva-produkten. Maar toch ook meer uit hartige snacks en
samengestelde gerechten. De Gezondheidsraad heeft
uit de VCP's aanbevelingen gedestilleerd m.b.t. de gemiddelde dagelijkse inname
van vet, van verzadigde vetzuren en van transvetzuren naar leeftijd en geslacht
in relatie tot een aanvaardbare bovengrens. Zuivelproducten zijn daar zeer wel
in in te passen, zo stelt de spreker. Met name wat betreft de
gezondheidseffecten van transvetzuren illustreert Ockhuizen, dat zowel interne
als externe experts van inzicht verschillen. Wat betreft de
geconjugeerde linolzuren (CLA's) is het oordeel op basis van onderzoek wat
terughoudend. Er kan enige bezorgdheid zijn m.b.t. de veiligheid van CLA's. Er
zijn resultaten bekend van leververgroting bij proefdieren en ook van insuline
resistentie. Als totaaloordeel poneert
Ockhuizen: 1) Alle experts zijn unaniem gunstig in hun oordeel over de
voedingskundige betekenis van zuivelproducten, 2) Zuivelproducten passen in een
goed en evenwichtig voedingspatroon, 3) De zuivelsector mag best een minder
defensieve opstelling kiezen t.o.v. de relatie verzadigd vet en het risico voor
coronaire hartziekten. De NZO heeft het oor te
luisteren gelegd bij externe experts over het hoe en wat van het communiceren
van de zuivelboodschap. Dezen signaleerden als probleem: -
De aandacht is ongebalanceerd: de negatieve effecten worden afgezwakt
(verzadigde vetzuren) en de positieve worden overdreven (CLA, calcium) -
Er is een defensieve houding t.o.v. het vetissue -
Soms worden onderzoekresultaten prematuur naar buiten gebracht: bijv.
Melk maakt slank In een open dialoog en door
het consulteren van externe communicatiedeskundigen zouden oplossingen voor een
betere communicatie gevonden moeten worden. Wat betreft het zuivelvet
hanteert NZO nu de volgende communicatiestrategie: -
Maak van zuivelvet zelf als sector geen issue (geen onnodig defensief
gedrag) -
Zuivel kent een reeks van producten met verschillende vetpercentages -
De bijdrage van melkvet aan de totale vetconsumptie is ca. 10% en van
verzadigd vet ca. 15%. De heer Ockhuizen laat
vervolgens zien op welke manieren en hoe veelzijdig de zuivelboodschap naar
buiten gebracht wordt. Jan Willem Rouweler (HAS
Den Bosch) stelt zich kritisch op t.a.v. deze bijdrage. Hij bepleit een minder
commerciële benadering. Dhr. Ockhuizen zegt wel degelijk oog te hebben voor de
nuanceringen en dat ook uit te dragen. Een andere vraagsteller
oppert: 'Zijn zuivelproducten wel noodzakelijk in het voedselpakket?' Waarop dhr. Ockhuizen
antwoordt: 'Niet persé, maar het wordt wel moeilijk. Denk bijvoorbeeld aan de
calcium. Toch kom je er met een kalktabletje ook'. Dhr. Piet Verhagen vraagt
of het wenselijk is om zuivel te 'verrijken' met plantaardige vetten. Dhr.
Ockhuizen antwoordt dat de externe deskundigen dit als gunstig zouden
beoordelen. Je kunt dan bijvoorbeeld palmitinezuur wegnemen. Nog iemand anders heeft
opgemerkt dat de daling van de zuivelconsumptie met name voorkomt bij de 16-18
jarigen. Wat daar aan te doen? Dhr. Ockhuizen kent het probleem en zegt dat het
reeds de aandacht heeft. Tenslotte
Voorzitter Rini Bouwman
overziet de dag en constateert dat mondgevoel en speekselaspecten indringend
overkwamen. Melkvet en daarmee de boter is weer volledig in beeld. De sprekers
en de deelnemers worden dank gezegd voor hun inbreng.
|
Contact:René Floris, secretaris |
|
|