|
![]()
|
Verslag
najaarssymposium 8 november
2006 Genootschap
ter bevordering van Melkkunde 'Meer melk
zonder koe' – andere melkbronnen Verslag:
Willem van Middendorp Andere
melkbronnen dan koemelk kwamen in het najaarssymposium van het Genootschap in
Wageningen voor het voetlicht. Er waren goede redenen om een overzicht te geven
van de recente ontwikkelingen op dit gebied. De actualiteit van een verbod op
het initiatief van een ondernemer in Nederland om dromedarissen te gaan melken
illustreerde de belangstelling.
De
wereld van melk. Dr.
Adriaan Krijger van het Productschap voor Zuivel leidde het symposium in met
cijfers en grafieken van melkproductie en -verdeling van diverse diersoorten. In
de wereldmelkproductie heeft koeien-melk een aandeel van 84,1%.
Op de tweede plaats staat buffelmelk met 12,3%. Geiten- en schapenmelk
komen respectie-velijk op 2,0 en 1,4%. In de marge treffen we dan nog
kamelenmelk met 0,2%. De buffelmelkproductie is de afgelopen vijf jaar het
sterkst gegroeid, de rest stijgt licht. Over
de wereld verdeeld gezien, is Azië sterk in bijna alle soorten melk en daar
groeit de melkproductie ook het sterkst. In de EU25 stagneert de
koemelkproductie en is er een relatief sterke groei van buffel-melkproductie.
Met name in Italië als grondstof voor de ‘mozzarella buffalo’. Binnen
de groep landen die minimaal 2% bijdragen aan de mondiale koemelkpro-ductie is
China (4,6% van de wereldkoe-melk) veruit de sterkste groeier (19% tus-sen 2000
en 2005). Opvallend omdat het beleid daar minder gericht is op schaalver-groting
dan in de rest van de wereld. Nieuw Zeeland staat op de tweede plaats (2,9%
groei). Daarna volgen Brazilië, India en Oekraïne. De
buffelmelkproductie is eigenlijk in twee landen geconcentreerd en wel India en
Pa-kistan (ruim 90% van de productie). Verder kan Egypte nog genoemd worden met
3%. Geitenmelk
wordt overal over de wereld wel geproduceerd, maar toch met name in Azië (meer
dan 50%), Afrika en Europa. India, Bangladesh, Soedan, Pakistan en Frankrijk
behoren tot de top-vijf grootste producenten. Groei van de productie op
landenniveau is te zien in Oekraïne (6%) en Frankrijk (3,2%). In de grootste
Aziati-sche landen is de groei zo’n twee procent. Nederland
kende in 2005 733 bedrijven met in totaal 172.000 melkgeiten. De melk-productie
bedroeg toen 135.000 ton. Dat is het honderdvoudige van de productie in 1985.
Hier dus duidelijk een effect van de koemelk-contingentering. De
schapenmelkproductie vindt naast Azië plaats in Afrika en Europa. Op
landenniveau zijn Syrië (5,2%) en China (4,8%) de grootste groeiers. Landen met
1 tot 2% groei zijn Algerije, Italië en Roemenië. Kamelenmelk
is een typisch product van Afrika en een klein beetje van Azië. Het aandeel van
Somalië is het grootst (66,4%). De grootste groei kennen de Ve-renigde
Arabische Emiraten (2,8%). Ande-re belangrijke landen zijn Soedan, Saudi Arabië
en Mali. Als
bijzonderheden noemde dhr. Krijger nog de melkverwerking en –afzet van Mongolië.‘Die
melken alles wat op vier po-ten rondloopt.' Daar wordt Airag = melkbier (4-5%
alc.) geproduceerd op basis van merriemelk. Het product Hoormog is een
gefermenteerd product van kamelenmelk. Melkwodka wordt gedestilleerd van
gefer-menteerde melk. Ook Yaks worden gemol-ken. Vaak wordt melk ook ceremonieel
ge-bruikt. Er wordt mee gesprenkeld en ingewijd. Vanuit
India toonde de spreker meerdere melkproducten, die daar traditioneel
gepro-duceerd worden. Op
de vraag van Jan Wouters m.b.t. lacto-semalabsorptie in China antwoordde
Krij-ger, dat de jongere generatie steeds langer melk drinkt en daardoor in een
westers pa-troon terecht komt. Pieter
Walstra is wat kritisch over het cij-fermateriaal. Hoe vindt de registratie
plaats? Het antwoord is dat het schattingen zijn en dat er geen betere bron is
dan de gebruikte namelijk de FAO. Hoe
groot is dan de paardenmelkproduc-tie? Hier blijken geen gegevens van be-kend te
zijn. Voorzitter
Jacob Heida ziet in de combina-tie van melk en alcohol in Mongolië een
belangrijke verklaring voor de bijzonder hoge melkconsumptie aldaar. In het
voor-jaar schijnt soms tien liter per dag te wor-den gedronken. Vooruit
met de geit! Scheidend
bestuurslid Ir. Barbara Hart had een mooie gelegenheid om het verhaal van de
geitenmelk voor de voetlicht te brengen. De melkgeitenhouderij in Nederland
heeft inmiddels een stevige positie verkregen. Er zijn momenteel 11
geitenmelkverwerkende bedrijven, waarvan acht particulier. Van de melk gaat 55%
in de kaas, 11% in melk-poeder en afgeleide producten en 34% krijgt een overige
bestemming (dagvers, melkhandel). Het
bedrijf waar Barbara werkt – CBM bv onderdeel van HB Foodgroup – exporteert
een groot deel naar Frankrijk en Spanje. De productie van geitenmelk is de
laatste jaren sterk geste-gen. Per geit per jaar wordt gemiddeld ca. 900 kg melk
geproduceerd.. Het ras is overwegend Saanen. De geitenhouderij kent een sterk
seizoenmatig aflammerpa-troon met als gevolg dat de melkproductie in de zomer 2
à 3 keer hoger ligt dan in de winter. Opmerkelijk is ook dat de geiten normaal
gesproken binnen worden gehou-den. De samenstelling van de geitenmelk varieert
van 4,5% vet in de winter tot ruim 3,7% in de zomer. Eiwit varieert van 3,7 naar
3,2%, terwijl het lactose schommelt tussen 4,2 en 4,4%. Er zijn geitenrassen met
een veel hoger vetgehalte in de melk, bijvoorbeeld de zwarte geiten in Spanje
van het Mariana Granadina-ras, die wel 8% vet in de melk hebben. Het vet zit
altijd in vetbolletjes, die gemiddeld een kwart klei-ner zijn dan die in
koemelk. Geitenmelk is ‘van nature gehomogeniseerd’ zou je kun-nen zeggen.
Daarbij komt dat het geen ag-glutinine bevat. Het vet van geitenmelk be-vat iets
meer meervoudig onverzadigde vetzuren. Het aanwezig zijn van capryl-/caprine-/caproinezuur
is typerend voor geitenmelk. Geitenboter is dan ook vanuit de koelkast
smeerbaar. Voor het maken van korstdeeg is geitenmelkvet daarente-gen te zacht. Het
totaalcaseïne-gehalte is lager dan in koemelk. De caseine-samenstelling
ver-schilt ook. Bètacaseine komt het meest voor en alpha-s1 caseine het minst.
De gemiddelde diameter van de caseinemi-cellen is in geitenmelk (52 nm) net iets
groter dan in koemelk (47 nm).De wrongel is steviger, minder compact. De
informatie over serumeiwitten is in de literatuur wat tegenstrijdig. Het % NPN
is bij de geit 8,7 en bij de koe 5,2 (Juarez en Ramon, 1986). De
xanthine-oxidase activiteit is lager (ca. 10% van dat in koemelk). Ook de lipase
activiteit is lager (de lipase in geitenmelk is wel sterker geassocieerd met vet
dan in koemelk). De
uitbetaling op eiwit verschilt in Europa. In Frankrijk wordt naar totaal eiwit
betaald en in Nederland is het ruw eiwitgehalte de basis. Geitenmelk
is bij een pH 6,7 veel minder hittestabiel dan koemelk. Dat komt door de hoge
Ca-ion activiteit en de andere micel-structuur. De stevigheid van yoghurt is
daardoor ook anders. In
geitenmelk zitten meer oligosacchariden en mineralen (Ca, P, Mg en Cu) en
vitami-ne A. Dit laatste doet geitenmelk er witter uitzien, doordat
meer caroteen wordt om-gezet in vitamine A. Chloor en Natrium en ook
vitamine B12 en foliumzuur komen minder voor dan in koemelk. Aan
de hygiënische kwaliteit is de laatste jaren hard gewerkt. Er is nu een
ketenkwa-liteitssysteem: ‘kwaligeit’ genaamd. Wat het kiemgetal betreft kan
de geitenmelk zich aardig meten met de koemelk. Het celgetal ligt veel hoger
namelijk op gemiddeld 1,2 miljoen cellen per ml. De verklaring daar-voor ligt
ten dele bij het type melkafschei-ding. Bij geiten apocrien (secreet treedt door
afsnoering aan de top van de cellen naar buiten) , terwijl dat bij koeien
mero-crien (Gr. meros = deel) is. Vooralsnog is geen norm voor het celgetal
vastgesteld. Op
een vraag over valspositieven bij on-derzoek op groeiremmers antwoordt Bar-bara
Hart dat dit zou kunnen, vanwege natuurlijke groeiremmers in de geitenmelk. De
zgn. bèta-star test werkt echter wel goed. Wat
te doen met de kaaswei? Momenteel wordt ze aangezuurd en als veevoer afge-zet. In
de Nederlandse wet- en regelgeving wordt nog wat geworsteld met de geiten-melk.
Het valt onder de ‘onbenoemde pro-ducten’. Als melkpoeder valt het onder
het-zelfde regime als koemelkpoeder. De
voorzitter concludeert dat veel zaken rondom de geitenmelk nog in de
kinder-schoenen staan. Hij heeft nu wel een goed idee gekregen van de actuele
situatie. Bèta-lactoglobuline
(Lg) uit varkensmelk. De
oud-secretaris Arno Alting van NIZO Food Research - gepromoveerd op de
koudegelering van bèta-lactoglobuline - toonde het belang aan van dit
wei-eiwit. Het kan zijn nut hebben voor de textuur in producten met een laag
vetgehalte of juist in producten met een hoog eiwitgehalte. Doordat er minder
S-S bindingen zijn kun-nen in het laatste geval smaakgebreken als bijvoorbeeld
zanderigheid verminderd wor-den. Wei-eiwitten
worden breed toegepast in soft-drinks, ijs en dressings. Verder als bindmiddel
in zuivel- en vlees-producten en in dieetsupplementen en sportvoeding. Het
runder bèta-lactoglobuline onder-scheidt zich van de varkensvariant door een
vrije thiol-binding. Die vormt een holte en is belangrijk voor carrier-functies.
Moedermelk
bevat overigens geen bèta-lactoglobuline. Onder
invloed van warmte, druk en kwali-teit van de oplosvloeistof heeft een eiwit
verschillende aggregatietoestanden. Dat gaat dan van oorspronkelijk eitwit ('native
proteins') via ontvouwend eiwit naar aggre-gaten en vervolgens gelen. Met nadere
kennis van de invloedsfactoren kan aan 'proteinengineering' gedaan worden. Bij
aggregatie is er sprake van fysische in-teracties (waterstofbinding en van der
Waalskrachten, electrostatische zoutbrug-vorming (Ca) en verwarren/verweven) en
chemische interacties (disulfidebindingen en andere chemische bindingen). Arno
Alting legt uit, dat bij aggregatie van runder bètaLg onder invloed van hitte
de thiolgroep (SH-binding) actief is. Er worden S-S bindingen gevormd. Dat
gebeurt met name onder basische omstandigheden. Op deze wijze wordt 60% van het
eiwit gewon-nen. Onder
koude omstandigheden moet zout toegevoegd worden en verzuring optreden om
aggregatie te bewerkstelligen. Waarna een netwerk wordt gevormd onder invloed
van pH en ionisatiegraad via evaporatie. Het
voordeel van de koude gelering is een efficiënter eiwitgebruik en de
mogelijkheid om na de eerste stap te stoppen. In
een nader onderzoek werd eerst runder bèta-Lg vergeleken met ovalbumine. De
eerste heeft 2 S-S en 1 SH-binding terwijl ovalbumine 1 S-S en 4 SH-bindingen
heeft. Bij aggregatieproeven bleken de producten elkaar niet veel te ontlopen. Wei-eiwitpreparaat
(WPI) dat naast bèta-Lg ook alfa-Lactalbumine bevat, was - voor wat betreft de
textuureigenschappen - meer afhankelijk van de ratio dààrvan, dan van het
onderscheid met ovalbumine. WPI
is een interessant product als bioplas-tic. Het laat zuurstof noch smaakstoffen
door en is wateronoplosbaar. Porcine
bèta-Lg mist de thiolgroep, evenals trouwens de Equine (paardenmelk) bèta-Lg.
Porcine bèta-Lg is inmiddels nader onderzocht. Met prachtige plaatjes
illustreert Alting de driemensionale structuur. Hij laat zien dat de porcine
dimeer verweeft en zelfs in elkaar grijpt. Dat komt niet vaak voor aldus Alting.
Hij spreekt dan ook van een 'schokkende ervaring'. Uit het onder-zoek wordt
verder geconcludeerd, dat vet-zuren niet gebonden worden, het P bèta-Lg met
pepsine gedegradeerd kan worden en het aggregatiegedrag verschillend is
af-hankelijk van de pH en dat komt door ver-anderingen in het oppervlak. In
toekomstig onderzoek zou de Equine bèta-Lg moeten worden betrokken. Prof
Pieter Walstra vraagt of er genetische varianten voorkomen bij Porcine bèta-Lg.
Het antwoord is: ja. De
voorzitter concludeert dat het belang van beta lactoglobuline met dit onderzoek
ruimschoots is onderstreept. Paardenmelk:
een bijzonder product. De
heer Paul van der Laar (38) verhaalde hoe hij in de paardenmelkbusiness verzeild
geraakt is. In 1989 schreef hij een afstu-deerscriptie over dit onderwerp en dat
bood hem de ruimte om een eigen bedrijf te starten. Met Orchid’s
Paardenmelkerij heeft hij inmiddels zes medewerkers in dienst en worden
neventakken als recreatie en ver-koop van sportpony’s in het geheel betrok-ken
en met Vitaforce vof verzorgt hij de af-zet van paardenmelkproducten naar groot-
en detailhandel. Vanaf de boerderij wordt (ingevroren) paardenmelk ook
rechtstreeks afgezet. Dat is interessant want het paard is aaibaar en mede
daardoor interessant voor de huisafzet. Vandaar ook dat de po-nies niet op
rubbermatten worden gehuis-vest, maar in het stro (ondanks de extra-kosten van
€ 25.000,- per jaar). Er
zijn momenteel twintig paardenmelkerij-en in Nederland. Allemaal bedrijven met
meerdere takken. Beeldend
schetste Van der Laar de ge-schiedenis met de oorsprong in Mongolië en niet te
vergeten Egypte waar Cleopatra haar schoonheidsbad nam in ezelinnen-melk. In
Rusland vond paardenmelk vooral zijn toepassing in de alternatieve geneeskunde,
waarbij goede eigenschappen wer-den gevonden bij stofwisselingsproblemen
bijvoorbeeld in de spastische darm en bij huidklachten. In de jaren zestig
ontdekten de Duitsers de paardenmelk en dan vooral voor te vroeg geboren
kinderen. Toen het initiatief in Nederland genomen werd, kwam de toepassing van
paardenmelk ook in beeld bij
weerstandsproblemen. Mensen die chemokuren moesten ondergaan kon-den met
paardenmelk de witte bloedli-chaampjes op een hoger niveau houden. Nuchter
constateert dhr. Van der Laar wel, dat er nauwelijks wetenschappelijke bewijzen
zijn voor de goede werking van paardenmelk. Hij constateert dat paardenmelk
wonderlijke dingen kan doen, maar het is geen wondermiddel. Orchid’s
paardenmelkerij melkt inmiddels 100 pony’s met een jaaropbrengst van 35.000
liter à € 7,50/l. Een paard is geen herkauwer, dus de gehaltes verschillen
nogal met koemelk. Het vetgehalte is 1 – 1,5% (tweederde onverzadigd vet),
eiwit 2,5% (50-55% weieiwitten) en lactose 6,5%. Het
melken begint zes tot acht weken na de geboorte van het veulen. Er wordt vier
keer per dag gemolken (om de tweeëneenhalf uur) in een doorloopmelkstal. Dat
betekent dus tweeeneenhalve minuut per pony. Gemiddeld 4 liter per dag per pony.
's Nachts drinkt het veulen bij de merrie. Er
is veel aandacht voor dierwelzijn wat re-sulteert in grote duurzaamheid. Er zijn
po-nies, die wel 25 veulens hebben gekregen. Er worden nauwelijks antibiotica
gebruikt ('Ik zeg nooit nooit, want dan sta ik te liegen'). De gunstige
uiergezondheid zou verband kunnen houden met het feit, dat een paard weliswaar
twee spenen heeft, maar toch vier kwartieren. Productontwikkeling
is een belangrijke sport voor de paardenmelker. Naast de rauwe melk zijn er
yoghurt, een yoghurtdrank, melkpoeder (gevriesdroogd en gesproeidroogd),
verzorgingsproducten (crème, shampoo), capsules (600mg poeder per capsule) en
natuurcosmetica (100% natuurlijk). De
paardenmelksector zal zich in de toe-komst verder gaan professionaliseren. Er is
een vereniging voor paardenmelkers in Nederland en Vlaanderen (SPaN-V), die
meewerkt om een kwaliteitslabel in te voeren, HACCP-normen toe te passen, de
ge-zamenlijke afzet te regelen en onderzoek te entameren. In
reactie op een vraag zegt Van der Laar, dat lysosym in paardenmelk zeer
interes-sant is. Er zit 1 g/l van in. In tegenstelling tot koemelk dat maar 1
mg/l bevat. Lyso-sym is antiviraal, antibacteriëel en resistent tegen pepsine. Het
zou zeer interessant zijn een onder-zoek te starten rondom 'bioactiviteit en
paardenmelk'. Bioactieve
melk een oud concept in een nieuw jasje. Wanneer
over bioactieve melk wordt ge-sproken is nu nog koemelk de invalshoek., aldus
Charles Hensgens van MucoVax B.V.. De beschermende eigenschappen van melk, die
er van nature in zitten, een niet soortspecifieke bescherming geven en een
passieve immuniteit geven, vormen het concept van bioactieve melk. Koemelk is
interessant voor de industrie als grondstof voor de productie van antilichamen.
Het zijn polyclonalen die sneller gepr-duceerd kunnen worden en een bredere
werking hebben. Sneller en breder dan de mono-clonale antilichamen, die de
farmaceuti-sche industrie kan bereiden. Er
is sprake van drie soorten immuunglo-bulines in melk van zowel de mens als de
koe, te weten IgG, IgA en IgM. In koemelk is het vooral IgG (0,63 g/l) en in
humane melk voornamelijk IgA (1 g/l). Het bedrijf van dhr.Hensgens is via een
immunisatie-methode in staat gebleken om het specifiek IgA-gehalte in koemelk te
verhogen, waar-door het ideaal geschikt wordt voor huma-ne toepassingen. Producten
op basis van bioactieve melk kunnen gericht worden ingezet tegen pa-thogenen,
die problemen veroorzaken op mucosale oppervlakten. Zoals daar zijn: de
mondholte (Streptococcus mutans - een cariësveroorzaker), de maag (Heliobacter
pylori), de neus/darm (Staphylobacter au-reus - de beruchte ziekenhuisbacterie
MR-SA) en de dikke darm - colon (Clostridium difficile). Clostridium difficile
kwam dit voorjaar in de publiciteit toen er twee pati-ënten aan zijn overleden
in een ziekenhuis in Harderwijk. Kenmerk van deze bacterie is het veroorzaken
van een milde tot ern-stige diarree, ontstekingen in de darm (col-litis) en het
is zodanig toxisch dat colecto-mie (gehele of gedeeltelijke verwijdering van de
colon) nodig kan zijn. Zeer ver-zwakte patiënten kunnen er inderdaad aan
overlijden. Mucovax
heeft nu een bioactieve melk ontwikkeld, die bescherming biedt tegen C.
difficile. Het
producttraject doorloopt vele stadia. Het begint met een ELISA-toets op in vitro
effectiviteit, dan volgen cel-assays voor de in vivo activiteit. Een
hamsterproef vult het daaropvolgende diermodel in. Tenslotte worden via
case-studies patiënten behan-deld. Het
nieuw ontwikkelde product (WPC-40 genaamd) bleek effectief voor de patiënten.
Bij 1 op de 35 keerde de C.difficile diarree terug. Hensgens
ziet in koemelk een ideale bron van antilichamen. Gezien de productie van meer
dan 20 liter per dag (1,7 gram antili-chamen) is de koe een ideaal
productie-platform. Hij ziet ook bij andere diersoorten (met name de geit) goede
mogelijkheden. Prof.
Pieter Walstra vraagt aandacht voor de verschillende serotypen van bacteriën.
Hensgens erkent dat als problematisch. Vooral pneumococcen kennen verschillen-de
serotypen. Vaccinfabrikanten worstelen echter met hetzelfde probleem. De
grondstof bacterievrij maken kan hel-pen. Pasteurisatie gedurende 15 seconden op
74 graden Celsius geeft nauwelijks ver-lies van antilichamen. Gerlinde
van Santen vraagt of bekend is, dat de diarree na verloop van tijd terug komt.
Het antwoord is overduidelijk: nee, het blijft weg. Hensgens geeft dit antwoord
met een glimlach op zijn gezicht, want daardoor is het product voor zijn bedrijf
commercieel wel minder interessant. Voorziiter
Jacob Heida concludeert dat hier een voorbeeld van productontwikkeling is
gepresenteerd, waar het met onderzoek gelukt is pathogenen te bestrijden. Professionalisering
van de melkschapenhouderij in Nederland. Ir.
Jappie de Jong - in het dagelijks leven docent - is zeven jaar geleden zo maar
in de melkschapenhouderij gerold. Zijn vrouw Tineke was enthousiast over verse
schapenkaas en de productie daarvan leek haar leuker op te pakken, dan verder te
gaan als kleuterleidster. De
historie van het melkschaap bestrijkt een periode van meer dan duizend jaar.
Paulus Potter beeldde er een af op zijn schilderij "De Stier". De
melkschapen kwamen vooral langs de kust van Noord-Frankrijk tot Denemarken voor.
In het begin van de 20ste eeuw waren er veel bedrijven met enkele melkschapen.
Door de schaalvergroting in de rundveehouderij kwam er steeds minder plaats
melkschapen. Aan het einde van de 20ste eeuw stond de toe-nemende regelgeving de
kleinschalige productie in de weg. Naar
schatting worden er nu zo'n 10.000 melkschapen gehouden in Nederland (Texelaars
> 1 miljoen).Het Friesch Melk-schapenstamboek telt nu zo'n 65 leden. Het
Zeeuwse stamboek is iets kleiner. Er wordt veel gedaan aan
deskundigheidsbe-vordering (melkschapenvakdagen) en er zijn veel buitenlandse
contacten (Duitsland). De export wordt ondersteund. De af-gelopen zomer zijn 300
stuks Friesche Melkschapen naar Griekenland verkocht. Het
melkschaap (type Friesch of Zeeuws) staat hoog op de poten, heeft een scherpe
rug, een onbewolde staart en een smalle snuit, laat zich wel 300 dagen melken,
lammeren gemakkelijk af (gem. 2,5 lam per worp) en de slachtopbrengst is gering
(ca 15 tot 20 euro). Daarmee
is de tegenstelling met het Texel-se ras volledig geformuleerd, maar de Texelaar
is ook een typisch vleesschaap. Nederland
kent 20 tot 30 professionele schapenmelkers met een variatie van 20 tot 350
ooien. Een aantal heeft vanwege de toenemende regelgeving de productie van verse
schapenkaas als neventak gestaakt. Dit biedt wel weer ruimte voor nieuwe
initi-atieven. Zo wordt nu ook gepasteuriseere melk geproduceerd en verkocht
(vijf dagen houdbaar) in plaats van alleen rauwe melk. De
melkprijs van 95 cent per liter is redelijk stabiel de laatste tijd. Voor
de veevoerfabrikanten is de schapen-houderij een serieuze tak. Schapen vergen
een nauwkeurig voerregime. Melkschapen nog weer meer dan vleesschapen. Vers gras
doet goed, want de Jong weet te mel-den dat met hooi 2,5 l/ schaap gemolken kan
worden en met vers gras is dat 4 l/schaap. Gezien
de snelheid waarmee gemolken moet worden - om enige capacitiet te be-reiken - is
een professionele melkstal no-dig. Op
zijn eigen bedrijf melk de Jong 15 schapen in een half uur, maar in een mo-derne
dubbele zestienstandsmelkstal wor-den 350 schapen in twee uur gemolken. Het
Friesche melkschaap produceert ge-middeld 750 l/jaar (een beginnend bedrijf komt
eerder op 460 l/ooi per jaar). De lammeren mogen drie dagen biest drinken en
daarna worden ze alleen nog in deeltijd toegelaten. De gehaltes zijn
rasafhankelijk, maar het vetgehalte komt op ca. 6% en het eiwitgehalte op ca.
5%. Verder is schapen-melk rijk aan oroothzuur, dat positief werkt in het
maagdarmstelsel. De
productie van verse schapenkaas wordt batchgewijs uitgevoerd. De productie start
met een standpasteurisatie van 10 minuten bij 68 graden Celsius. Er wordt geen
zuur-sel toegevoegd en de wrongel wordt in 350 g kaas-vaatjes uitgeschept en na
ca. twee uur uitlekken onder eigen gewicht in polypropylene bakjes van 350 cc
verpakt. Het eindproduct kan max. vijf dagen bij 7 gra-den Celsius bewaard
worden. Het heeft namelijk een hoog vochtgehalte, geen lage pH en er is geen
zout toegevoegd. Uit
100 kg volle melk wordt 40 kg kaas ge-maakt met een vetgehalte in de droge stof
van 46% en een vochtgehalte van 70%. De overgangspercentages van vet en eiwit
zijn respectievelijk Ov=0,91 en Oe=0,89. Resulterend
in een geldopgbrengst van ca. 3 euro per kg De
rauwe melk wordt twee keer per maand op kiemgetal (< 1,5 mln per ml) en
antibio-tica (n.a.= niet aanwezig) gecontroleerd. Het product wordt elke zes tot
acht weken op enterobacteriën (n.a. in 1 g) onderzocht en elk half jaar op L.
monocytogenes (n.a. in 25 g), Salmonella (n.a. in 25 g) en S. au-reus (n.a. in
25 g). Het
COKZ voert jaarlijks inspectie uit op het productieproces, de bereidingsruimte,
de admnistratie en de analyseresultaten. Dit alles om het felbegeerde ovaaltje
op de verpakking te mogen
aanbrengen. De kwaliteitskosten liegen er niet om. Het melkcontrolestation kost
300 euro per sei-zoen, voor Sterlab controle is de producent 150 euro per
seizoen kwijt en het COKZ vraagt 360 euro per seizoen. De
Jong ziet goede mogelijkheden voor een verdere professionalisering van de
melkschapenhouderij. Van belang zijn: een goede ondernemingsgeest, dichtbij het
vee staan, vooral in de beginjaren: keihard werken en zorg voordat je begint,
dat je af-zet hebt. Nederland is namelijk geen kaas-land zoals Frankrijk, waar
de kaastafel na afloop van een diner sneller wordt be-stormd dan de schapen van
de Jong hun voerbak benaderen. Tenslotte Voorzitter
Jacob Heida gaf weer een korte duiding van de inleidingen van de dag en wenste
een ieder wel thuis. |
Contact:René Floris, secretaris |
|
|