|
![]()
|
Verslag
najaarssymposium 2008
Genootschap ter bevordering van Melkkunde Verslag: Willem
van Middendorp Melkvet: lekker
en gezond Op
woensdag 5 november 2008 gaven
sprekers uit het bedrijfsleven en onderzoek een overzicht van de nieuwe
ontwikkelingen met het melkvet. In
het Hampshire Hotel te Apeldoorn - wat al bijna een traditionele vergaderplek
voor het Genootschap begint te worden - kwamen ruim honderd deelnemers bijeen.
Voorzitter Willem Postma maakte verheugd melding van het feit, dat – in het
jubileumjaar – twintig nieuwe leden zich hebben aangemeld. Kortom : het liep
en loopt gesmeerd met het Genootschap. Gedurende
het symposium kwamen de situatie op de wereldmarkt, de scheidings- en
opwerkingstechnologie, de effecten van voer en genetische achtergrond van de
dieren op de vetsamenstelling en de gezondheidsaspecten van melkvet aan bod.
Bepaald geen eenzijdige belichting dus. De
situatie van melkvet in de wereldmarkt. Door
ziekte geveld moest Adriaan Krijger van het Productschap Zuivel zich laten
vervangen door Jurgen Jansen. Jansen leidde de toehoorders vaardig door de –
hem in de schoot geworpen – presentatie. Iets
meer dan de helft van de 8,4 miljoen ton boter(vet) die op de wereld wordt
geconsumeerd, wordt in Azië en de Pacific benut. Europa pakt daar eenderde van
mee. Per hoofd van de bevolking ligt het juist andersom. In Azié wordt 1,13 kg
per hoofd geconsumeerd, tegen 3,29 kg in Europa. In absolute hoeveelheden doet
Oceanië nauwelijks mee, maar per hoofd van de bevolking komen zij het hoogst
uit: 4,37 kg. De
Europese Unie zat in 2006 op gemiddeld 4,2 kg per hoofd. Hier scoren vooral
Frankrijk en Duitsland goed met rond de 7 kg. Spanje en Griekenland bungelen
onderaan de lijst met nog geen kilogram per persoon. Aan dat
laatste zal het veelvuldig gebruik van olijfolie niet vreemd zijn. India
is de mondiale botervetkampioen. Tussen 2004 en 2006 was de gemiddelde
jaarlijkse consumptie 2,9 miljoen ton, terwijl de jaarlijkse groei 7,7% was. De
EU-27 staat hier tegenover met 1,97 miljoen ton en een jaarlijkse daling van
ruim één procent. Volgens
OESO-voorspellingen zal de mondiale boterconsumptie tot 2016 jaarlijks groeien
met 2,5%. De
boterproductie is van 2000 tot 2006 in de EU gemiddeld gedaald, terwijl in de
rest van de wereld - en dan met name in India en in de Verenigde Staten van
Amerika - de productie toenam. Verreweg
de grootste speler in de wereldboterhandel is Nieuw Zeeland, met in 2006 een
aandeel van 43%. De EU-25 volgt daarop met 26%. Australië had 8% en Wit Rusland
6%. Andere landen zitten op minder dan 2%. De
afzet vanuit de wereldmarkt kwam voor 17,4% terecht in Rusland, voor 9,3% in de
EU, 5,5% in de VS en 5,0 % in
Egypte. Het totale wereldexportvolume bedroeg in 2006 920.000 ton. Naast
de EU en Rusland ontwikkelden in 2008 landen als Iran, Saudi Arabië, Egypte en
Marokko zich als belangrijke bestemmingen in de wereldbotermarkt. De
Nieuw Zeelandse uitvoer van boter(vet) richt zich voor een derde op Azië en
voor een derde op Europa. In de statistieken over 2006 valt een enorme groei op
in de export naar Denemarken. Dit zal verband houden met een samenwerking die
door het Nieuwzeelandse Fonterra in Scandinavië met de firma Arla is aangegaan
voor het ompakken van boter. Bij
de EU-intrahandel speelt Ierland een hoofdrol met 23% van het volume. Nederland
en België hebben resp. 14,4% en 12,2%. Duitsland en Denemarken zitten rond de
tien procent. Opvallend is, dat in waarde uitgedrukt de percentages wat hoger
liggen. De verklaring daarvoor kan zijn, dat de intrahandel relatief veel
kleinverpakking omvat.. In
de boterexport naar derde landen voert Nederland de boventoon met 26,8% van het
volume. Finland is goede tweede met 12,1% en Duitsland doet mee voor ruim 10%.
Het exportvolume van de EU bedroeg in 2006 ± 192.000 ton ofwel 27% van het
totale EU handelsvolume. De
exportwaarde per kilogram boter ligt voor de Europese landen vaak ver boven de
wereldwijd gemiddelde waarde van 2,39 euro per kilogram. Met als topper
Denemarken (3,37). In tegenstelling tot landen als Brazilië (1,81) , Australië
(1,67) en Argentinië en Nieuw Zeeland (beide 1,42). China sluit de rij met 1,38
euro/kg. In
het zuivelexport-portfolio van EU-lidstaten valt op, dat het aandeel van boter
in de totale exportwaarde in 2006 voor Finland op 25% lag. Voor België en
Ierland was dat 18%. Voor Denemarken en Nederland lag dat pecentage resp. op 12
en 11%. De
Russische botermarkt werd in 2007 voor een kwart door de EU bedient. De
Witrussen hadden een aandeel van 42%. Uit Nieuw Zeeland kwam 19%. Na 2005 heeft
de Oekraïne een flinke veer moeten laten op de Russische markt. Zij oriënteren
zich nu wat meer op de kaas. Dit alles vanwege boykotperikelen in 2006. In
de VS en Egypte speelt Nieuw Zeeland met een aandeel van ongeveer 50% de
hoofdrol als exporteur. In Saudi Arabië is die plaats daarentegen weggelegd
voor EU-25. Slotconclusie
is dat de EU nog steeds een belangrijke speler is in de boterexport, maar die
rol zal door een teruglopende productie waarschijnlijk verder afnemen Genetische
variatie in melkvet. Johan van Arendonk –
projectleider van het Milk Genomics Initiatief van Wageningen Universiteit - had
zijn inleiding van een uitgebreide titel voorzien nl. ‘Genetische variatie in
melkvet- en melkeiwitsamenstelling: perspectieven voor de zuivel’ Het Milk Genomics Initiatief
is gestart in 2004 en had als doel de mogelijkheden vast te stellen om
eigenschappen van melk te veranderen door fokkerijmaatregelen. Uit het oogpunt van de
humane gezondheid was het interessant wat de mogelijkheden zijn om het aandeel
verzadigde vetten in de melk te verlagen. Hetzelfde geldt voor een verhoging van
het aandeel onverzadigde vetten en voor een verhoging van het gehalte bioactieve
peptiden. Vanuit de verwerkingseigenschappen gezien was het nuttig om de
mogelijkheden van verhoging van het aandeel caseine in het melkeiwit te bezien.
Voor een smeerbaardere boter zou een andere vetsamenstelling positief zijn. Om inzicht te krijgen moest
er veel gemeten worden. Dit alles om vragen te beantwoorden als: ‘Is er sprake
van verschillen tussen dieren?’, ‘Welk deel van een variatie is gevolg van
verschillen in genetische aanleg en wat is bijvoorbeeld het gevolg van de
voeding?’, ‘Welke genen spelen een rol?’. In 2005 werden bij 400
veehouders melk- en bloedmonsters verzameld, plus een serie bedrijfsgegevens.
Dit leverde een gegevensbank op, die uniek in de wereld genoemd mag worden. Eerste conclusies zijn, dat
er inderdaad verschillen tussen dieren zijn, wat betreft vet- en
eiwitsamenstelling en mineralen in de melk. Op familieniveau geeft het onderzoek
aan, dat er verschillen tussen families zijn. Het
was dus wel degelijk interessant om de genetische variatie te bepalen. Van
belang was de variatie tussen bedrijven, waarbij de factor voer wel eens een
belangrijke zou kunnen zijn, zoveel mogelijk te onderscheiden. Geconcludeerd
kon worden, dat de genetische variatie aanzienlijk is en voor de meeste
kenmerken is de genetische variatie groter dan de variatie tussen bedrijven.
Kortom er zijn perspectieven voor genetische verbetering. Dat
was het sein om te gaan kijken naar de genen. Eerst werd de rol van
kandidaatgenen (op basis van informatie uit de literatuur) nader beschouwd. Het
‘laaghangende fruit’ aldus van Arendonk. Daarna begon de zoektocht naar
nieuwe genen met de genoomscan. Onder
de kandidaatgenen werd een tweetal gesignaleerd met invloed op de
melkvetsamenstelling. De genoomscan is nog in volle gang. Er worden 1536 SNP’s
(stukjes DNA waar je verschillen kunt meten) getypeerd. Van
Arendonk ziet ‘genomic selection’ als het begin van een nieuw tijdperk.
Er zal straks een voorspelling van de genetische aanleg gedaan kunnen
worden op basis van informatie van 50.000 SNP genotypes. Uitspraken op basis van
relaties worden dan vervangen door kennis over genotypes. Dit zal een revolutie
in de fokkerij betekenen, omdat een nauwkeurige selectie op jonge leeftijd
plaats kan vinden en de selectie bovendien effectiever kan zijn op lastig
meetbare kenmerken. Naar
de huidige inschatting kan voor € 100 – € 200 aan kosten een dier voor
deze kenmerken worden getypeerd. Dhr.
Hettinga vraagt in hoeverre cholesterolverlaging als gevolg hiervan mogelijk zal
zijn. Van Arendonk antwoordt, dat er wat dat betreft weinig perspectieven zijn.
Meer realistisch is het om straks kaaskoeien en boterkoeien te hebben. Je moet
je voorstellen, dat je in één generatie 2 à 3% verandering voor één kenmerk
bewerkstelligt, zo tempert hij de verwachtingen. Dhr.
Gerard van de Berg meent, dat we allang bezig zijn met de gewenste selecties,
alleen de erfelijkheid voor vet werkt verschillend uit in vergelijking met die
voor eiwit. Van Arendonk beaamt dat ten dele, want een vetgehalte stijging via
selectie geeft meer verzadigde vetzuren en nu kan er gedifferentieerd worden. Dhr.
Jaap Verheij bepleit selectie van de melk op de boerderij. De inleider weet dat
dit bij de vakgroep Agrarische economie in studie is. Van belang is wel de
juiste meetmethode te vinden. De
voorzitter sluit af met de opmerking dat er grote verschillen zijn tussen
diersoorten. Zo weet hij dat rendieren het hoogste eiwitgehalte in de melk
hebben en zeekoeien het hoogste vetgehalte. Onderzoeksmedewerker
Stefanie Oude Elferink van Friesland Foods zette een presentatie neer, die de
vetkennis van de leden weer even opfriste. Ze deed dat in ‘concerted action’
met haar collega Yvonne Verbeek-Schilder. Kort
werd vet gedefinieerd en werd uitgelegd wat ‘cis’ en ‘trans’ bij
vetzuren ook al weer inhoudt. Melkvet (zomer) bestaat voor 66% uit verzadigde
vetzuren, voor 30 % uit mono onverzadigde vetzuren en uit 4% poly onverzadigde
vetzuren. In overzichtelijke tabellen werd vervolgens de verdeling in kort-,
medium- en langketenige vetzuren aangegeven. Uit
een vetconsumptiepeiling van 2003 kan worden gehaald, dat 44% van de mensen meer
vet eet dan geadviseerd wordt. Van de transvetten is aanbevolen max. 1 energie%
te consumeren. Uit de peiling blijkt, dat bijna iedereen minder dan 1,5 energie%
eet. Voor verzadigd vet wordt max. 10 energie% aanbevolen. De werkelijke
consumptie is gemiddeld 13 energie%. Slechts 8% van de mensen haalt het advies. De
inleidster zet een vraagteken bij de gezondheidsrichtlijn waarin staat, dat een
hoog aandeel vet in de voeding overgewicht veroorzaakt. Onderzoek van Samaha in
2003 toont juist aan, dat meer vet in de voeding een groter gewichtsverlies
geeft. Wel is er een verband met de energie-inname. Een
ander onderdeel van de gezondheidsrichtlijn spreekt van transvetten, die de kans
op hart- en vaatziekten verhogen. Dat is inderdaad aangetoond voor industriële
transvetten, maar niet voor dierlijke transvetten. Geconjugeerd linolzuur in
melk werkt bovendien mogelijk anti-arteriosclerotisch en anti-carcinogeen. Verzadigde
vetten verhogen – volgens de gezondheidsrichtlijn – het serum LDL
cholesterol en daarmee de kans op hart- en vaatziekten. Dat is te ongenuanceerd,
aldus spreekster. Van de langketen verzadigde vetzuren is stearinezuur (C18:0)
bijvoorbeeld niet LDL verhogend. Korte en middellange vetzuren (tot C10) hebben
als goede kanten, dat ze gemakkelijk worden opgenomen, snel worden verteerd,
nauwelijks via het lymphe-chylomicron systeem worden vervoerd, minder snel
worden gebruikt bij vetopslag en mogelijk bij verzadiging een goede rol spelen. Melkvet
bevat de essentiële vetzuren omega3 en omega6, weliswaar in onvoldoende
hoeveelheden om in het menu een doorslaggevende functie te hebben. Het
positieve van melkvet is verder, dat het vitamines en mineralen omvat en dat er
bepaalde verzadigde vetten in zitten, die specifiek gelinked zijn aan
gezondheidseffecten. Zo staat C4 voor anti-carcinogeen, C8 voor anti-viraal en
anti-tumor, C10 voor anti-viraal en C12 voor anti-Helicobacter pylori. Concluderend:
een balans in vetsamenstelling is belangrijk, het bannen van vet of verzadigd
vet in algemene zin is niet gezondheidsbevorderend. Frans
Boer van VIV-Buisman gaf een inkijkje bij de derde boterproducent van Nederland.
Royal VIV Buisman bv verhandelt boter en boterproducten en bereidt deze ook.
Hiervoor wordt geen melk ingekocht, maar room en boter. Watervrij
melkvet (AMF) wordt gebruikt voor het recombineren van boter en
boterconcentraat, het recombineren van roomijs en melkproducten en het is een
ingrediënt voor melkchocolade. Voor
allerlei interessante toepassingen wordt het watervrij melkvet (AMF) gefractioneerd. Het principe van
fractioneren is het opdelen ven de smeltcurve door vetkristallen (stearine) te
scheiden van olie (oleïne). Door te koelen en te roeren vanaf een temperatuur
van 33oC kan oleïne (22
oC), dubbel oleïne (15 oC) en triple oleïne (10 oC)
gewonnen worden. Stearine
(42 oC) vindt zijn toepassing in croissant- en bladerdeegboter, het
remt vetbloem op chocolade en het werkt als smaakversterker in melkchocolade.
Het is namelijk toegestaan om 5% chocoladevreemd vet te gebruiken. De
oleïnes (10-28°C) hebben als voordeel, dat ze zachter melkvet opleveren bij
kamertemperatuur, een sterkere melkvetsmaak hebben en een gezondere
vetzuursamenstelling (tot ruim 50% meer onverzadigd vet), aldus dhr. Boer. Applicaties
van oleïnes zijn velerlei: verpompbaar bij kamertemperatuur, verzachten van de
consistentie in bijvoorbeeld smeerbare boter, smaakversterker vanuit compositie-
en vanuit consistentie-oogpunt en verbetering van de vetzuursamenstelling. Oleïnes
zijn ingrediënt voor kant- en klaarmaaltijden en soepen en een grondstof voor
‘flavours’. Op
een vraag of het interessant is nog lagere smeltpunten te bereiken antwoordt
dhr. Boer, dat er een product op de markt is met een smeltpunt van 7°C. Er is
echter geen vraag naar. Het heeft ook zo zijn nadelen, want het maakt een extra
processtap nodig (kosten!). De overblijvende fracties moeten ook vermarkt worden
en door de hoge mate van onverzadigdheid oxideert zo’n product sneller. Dat
laatste is in de fabriek wel weer op te lossen via vacuümverpakking of via
diepvriezen, maar ook dat maakt het product extra kostbaar. Een
andere vraag: is vloeibare bakboter een toepassingsoptie voor oleïnes?
Antwoord: zou kunnen, maar in de praktijk worden plantaardige oliën gebruikt
uit kostenoverwegingen. Dhr.
Fons Michielsen zit wat met de benamingen. Hij onderscheidt boterolie (99,6 %
vet), watervrij melkvet (> 99,8 % vet) en ghee (99,6 % vet met smaakstof).
Dhr. Boer zegt geen verschil te maken qua benaming tussen melkvet en botervet. Mevr.
Klaske van Hoeij vraagt naar de mogelijkheden om ook de aromafractie te
isoleren. Dhr. Boer wil zich daar niet over uiten. Dat laat hij over aan de
aromahuizen. Kunnen
koeien de melkvetsamenstelling veranderen? Ad
van Vuuren van de Animal Science Group van Wageningen UR gaf een uiteenzetting
over voeding en vetzurenprofiel. Vetzuren spelen een rol bij aandoeningen als
hart- en vaatziekten, type 2 diabetes en kanker. Uit dien hoofde is er
uitgebreid aandacht voor vetzuren als voedingscomponenten. Het voedingspatroon
van de westerse mens wijkt qua inname van vet en vetzuren behoorlijk af van de
aanbevolen hoeveelheden. De
bijdrage van zuivel in de vetconsumptie bedraagt gemiddeld 14% en voor essentiële
vetzuren beperkt zich dat tot enkele procenten. Via het melkveerantsoen is het
gehalte aan vetzuren in de melk niet zonder meer te verhogen. Extra vet in het
rantsoen verhoogt weliswaar het VEM gehalte (meer energie), maar het is geen
energiebron voor microben in de pens. De (onverzadigde) vetzuren uit voedervet
remmen de celwandvertering, verlagen de voeropname en verlagen het
melkvetgehalte. Door
het vet te beschermen (via verhitting, formaldehydebehandeling, eiwitomhulling,
geleren, verzepen, of behandeling met acyl-amides) kan het melkvetzuurprofiel
verbeterd worden. Van
Vuuren doet verslag van een proef met een gel van lijn- en sojaolie. De koeien
werden vijf weken beperkt geweid en kregen vijf weken stalvoedering. Er was een
controlegroep tegenover een groep die 1,5 kg gel per dag kreeg. Wekelijks werden
de melkzuren bepaald. Het linolzuurgehalte zowel als het linoleenzuurgehalte van
de gelgroep kwam inderdaad tweemaal hoger uit dan bij de controlegroep. Ook
met Ca-zeep van raapzaadolie en met oleamide kunnen enige resultaten worden
geboekt.. Zoiets kan ook worden bereikt via een overdosis van meervoudig
onverzadigde vetzuren. Dat kan met vers gras, met geëxtrudeerde zaden en met
algen. Conclusie:
melk is een unieke bron van cis-9, trans-11 vetzuren, die door sturing van de
pensfermentatie verhoogd kunnen worden. Het is echter een precair evenwicht,
want melkvetdepressie ligt op de loer. Het
publiek reageert kritisch. Mevr. Klaske van Hoeij zou het lijnzaad liever
rechtstreeks aan het brood toevoe-gen. De omweg via de koe heeft maar een
efficiency van 30%. Dhr. Piet Verhagen verwacht een niet mis te verstane
verhoging van de kostprijs. Een andere vragensteller verwacht een gewenning van
de koeien aan de voersupplementen, waardoor de pensbacteriën zich gaan
aanpassen. Vetzuursamenstelling
en evolutie Frits
A.J. Muskiet (Hoogleraar Pathofysiologie en Klinisch Chemische Analyse aan het
Universitair Medisch Centrum Groningen - UMCG) belichtte de evolutionaire
achtergrond van de vetzuursamenstelling van onze voeding. In
de afgelopen 10.000 jaar, en met name in de laatste 200 jaar, hebben we de
samenstelling van onze voeding drastisch veranderd, waaronder de
vetzuursamenstelling. De stijgende inname van bepaalde verzadigde vetzuren, de
industrieel geproduceerde transvetzuren en omega 6-vetzuren (linolzuur), en de
daling van omega 3-vetzuren (vooral EPA en DHA) hebben ons in een toestand van
“lage graad ontsteking” gebracht die, samen met andere fouten in onze
huidige leefstijl, een verscheidenheid van ziekten veroorzaakt. Cijfers
van 2007 tonen aan, dat in de VS 20 tot 30% van de volwassenen problemen heeft
met vetzucht (obesitas). Alleen de staat Colorado springt er nog relatief
positief uit met 17,6%. In Nederland is het aantal volwassenen met een BMI van
≥ 30 kg/m2 sinds
1981 gestegen van 5% naar 11% in 2006. Dit brengt Prof. Muskiet tot de stelling,
dat obesitas niet een ziekte is, maar een risico-factor. Dat relateert dan weer
aan gevoeligheid voor diabetes, hart- en vaatziekten en kanker. Ook wordt het
steeds duidelijker, dat zenuwontstekingen (neuroinflammatie) een belangrijke rol speelt in het ontstaan van depressie,
vasculaire dementie en neurodegeneratieve ziektes, zoals de ziekte van Alzheimer,
en dat een disbalans tussen arachidonzuur en de visolievetzuren. EPA en DHA
hierbij een rol speelt. Hoe de vetzuren in onze voeding ontstekingen (inflammatie)
bevorderen en onderdrukken wordt eveneens duidelijker en blijkt diep verankerd
te liggen in onze evolutionaire strijd tegen infectieuze agentia via ons
immuunsysteem. De
mens heeft zijn evolutie ondergaan op de grens van land en water. Hij had een
kust-dieet (‘land-water-diet’) vanuit een zeer rijk ecosysteem. Fossielen
gevonden in Oostelijk Afrika tonen aan, dat duizenden jaren geleden uitgebreid
visproducten werden geconsumeerd. Inmiddels zijn we ver bij het kustdieet
vandaan. Dat leidt tot gebrek aan Jodium, Vitamine A,Vitamine D en Essentiële
vetzuren. De
agrarische revolutie leidde vervolgens tot een geheel ander voedingsaanbod. In
de VS werd in 1815 <10 kg suiker per persoon per jaar gebruikt. In het jaar
2000 was dit opgelopen tot 70 kg per persoon ofwel 200 g/dag. Nadien
leverde de industriële revolutie sinds 1900 nog eens een stijging van het
vetgebruik op van 22% van de energieinname tot tegen de 40% in 2000 gecombineerd
met een toename van het gebruik van verzadigde vetten van 8% naar 18%. Ook nam
de consumptie van onder meer omega 3-vetzuur af. Terwijl juist dit essentiële
vetzuur zo veel palmares heeft: anti-trombose, anti-artherosclerose,
bloeddrukverlagend etc. Toevoegen
aan het dieet van omega 3 - en omega 6 langketen vetzuren heeft op veel
gezondheidsaspecten gunstige effecten. Er
lijkt een verband te zijn tussen postnatale depressie en vis eten. In landen
waar traditioneel veel vis wordt gegeten komt postnatale depressie significant
minder voor dan in landen waar minder dan 40 lbs/persoon/jaar wordt
geconsumeerd. Hiertoe behoort ook Nederland. Vervolgens
bouwt prof. Muskiet een redenering op met risico’s
van een chronische depressie, die kan uitmonden in dementie waar
vetzuurinteracties mogelijk een rol spelen. Wanneer
10% van de energiecomponetnt van een gemiddeld VS-dieet wordt vervangen door een
koolhydraat of een specifiek vet heeft dat wisselende gevolgen voor de
cholesterolspiegel. Met name koolhydraten, maar ook boter, palmolie, margarine
leveren hogere cholesterolgehalten op. Daarentegen leveren olijfolie,
raapzaadolie en soya-olie lagere cholesterolwaarden op. Diverse
onderzoeken onderbouwen de stelling, dat verzadigde vetten ontstekingen
veroorzaken. Toch
rapporteerde Mann al in 1972 in het American J. of Epidemiology, dat de Masaai
in Kenya een opmerkelijk dieet hebben met gefermenteerde melk en vlees. Kortom
veel verzadigd vet en cholesterol. Desalniettemin is de fysieke conditie
buitengewoon goed, zijn er weinig problemen met hart- en vaatziekten en is hoge
bloeddruk ongebruikelijk. De gemiddelde cholesterolspiegel is 3,2 en zelden
hoger dan 3,8 mmol/l. Een
andere vaststelling kan zijn, dat diëten met sterk verlaagde koolhydraatinname
veel meer effect sorteren op diverse gezondheidsterreinen dan diëten met een
verlaagde vetinname. Als
algemene conclusie formuleert prof. Muskiet, dat terugkeer naar een evenwicht
niet bereikt kan worden door elk dieetcomponent afzonderlijk te bestuderen. Met
instemming citeert hij dan ook O’keefe en Cordain die in 2004 stelden:
‘Sociaal zijn wij mensen van de 21e eeuw, maar genetisch blijven we
burgers uit het Paleontische tijdperk’
|
Contact:René Floris, secretaris |
|
|