|
![]()
|
Verslag
voorjaarssymposium 2009
Genootschap ter bevordering van Melkkunde Verslag: Willem
van Middendorp Zuivel,
vanzelfsprekend duurzaam? Hoe
duurzaam is de Nederlandse zuivelproductie? Welke noodzaak is er om duurzamer te
produceren? Hoe ver zijn onderzoek en technologie op het gebied van
duurzaamheid? Op deze en andere vragen werd een antwoord gezocht tijdens het
voorjaarssymposium van 22 april 2009. Voor een goed gevulde zaal met ca. 70
personen in Apeldoorn gaf een selecte groep sprekers uit onderzoek en
bedrijfsleven en uit Nederland en België enig inzicht. Voorzitter
Jan Bastiaans haalde in de opening een enquête rondom duurzaamheid aan. Uit de
resultaten daarvan valt af te leiden, dat de consument bang is, dat er in tijden
van crisis minder aandacht voor duurzaamheid is. Daartegenover worden er wel
meer kansen verwacht. Duurzaam
is ‘bovos’. Ondernemerschap,
verantwoordelijkheid en duurzaamheid, zo luidde de titel van de inleiding van
Jan Paul van Soest. Van Soest heeft een eigen adviesbureau
op het gebied van duurzaamheid en kan verhalen van vele duurzame
invullingen. Zijn uitgangspunt is eenvoudigweg: bedenk, maak, ontwerp,
produceer, verkoop……. alsof uzelf en uw kinderen……….volledig met de
gevolgen ervan worden geconfronteerd. Daarvoor is het van belang je bewust te
zijn van de bovos-regels (bovos: boerenverstand oude stijl). Van
Soest benoemt vier bovos-regels: 1. er is echt een probleem; 2. als u het niet
aanpakt, wie dan wel? 3. wat levert u nu eigenlijk? 4. doe vervolgens uw
huiswerk. Dat
er echt een groot probleem is, illustreert spreker met verwijzing naar het boek
“de aarde heeft koorts”. Het gaat erom bewust met klimaatverandering te gaan
leven, maar je moet het wel durven zien. Het Millennium Ecosystems Assessment
toonde aan, dat de druk op ecosystemen toeneemt. Er zijn habitatverliezen. De
biomassa van ‘table fish’ neemt over de gehele wereld dramatisch af. In de afgelopen duizend jaar is de
temperatuurschommeling binnen één graad gebleven. De klimaatverandering is nu zodanig, dat de verwachte
temperatuurstijging +6°C zal zijn naar het jaar 2100 toe. Daarmee is de kans op
een nettoschadescenario behoorlijk groot. Van
Soest onderbouwt zijn – naar eigen zeggen – deprimerende constateringen met
cijfers en grafieken. Er
moet dus wat gebeuren. Als u het niet aanpakt wie dan wel? (bovos 2) Bovendien
zijn er goede motieven om voor duurzaam te gaan. Er is druk door
maatschappelijke organisaties, wet- en regelgeving, eisen van
afnemers/consumenten en invloed van financiers. Je kunt het ook doen om je te
onderscheiden op de markt of om de toegevoegde waarde te verhogen. Tenslotte kan
het gaan om goed burgerschap en/of persoonlijke betrokkenheid. Dit slaat dan op
de gehele productieketen. Met als slogan: ketenbeheer is eigenbelang.
Bedreigingen en zorgen worden vroeger of later toch maatregelen. Wie dan
vooruitloopt, komt in een voorkeurpositie.
Maar het kan even duren…… (voorbeeld: processie van Echternach –
twee stappen voorwaarts afgewisseld met één stap achterwaarts). Wat levert u
eigenlijk? (bovos 3). Van Soest noemt voorbeelden van producten, die niet als
zodanig geleverd worden, maar een beleving vertegenwoordigen. Het
elektronicaconcern uit het zuiden des lands levert geen lampen, maar verlichting
of nog beter gezegd: een hoeveelheid lumen voor goed functioneren. Melk is geen
melk. Melk is een bepaalde functionaliteit in een bepaalde sfeer. In dat kader
benoemt van Soest de aandacht voor gezondheid, het behoud van waardevolle
landschappen, de biodiversiteit, de regionale economie en de energie- en later
klimaatneutrale ketens. Doe uw huiswerk (bovos 4). In negen punten geeft spreker
de mogelijkheden. Bijvoorbeeld: bezin u op de functies, de gebruiksduur en de
gebruikers van uw product. Wat gebeurt er na de gebruiksduur? Afval is
grondstof. Maak nieuwe arrangementen en coalities. Werk aan ideevorming over
behoud van biodiversiteit. Kinderen
zijn de toekomst – investeer in kinderen. Als voorbeeld noemt Van Soest
daarbij ‘schoolmaaltijden in Rome’. Leveranciers helpen mee met de educatie
en verlagen de voedselkilometers. In
de vragenronde vraagt Margreet Hovenkamp naar tips om te reageren op ngo’s.
Van Soest antwoordt nuchter: uitnodigen om te praten en neem de achterliggende
zorg serieus. Vorm daar wel je eigen beeld over. Jan
Bastiaans vraagt zich af hoe een sociale waarde te creëren valt.
Antwoord: denk na over het algemeen verbindend verklaren van het extra
doorbelasten van kosten naar de consument (geldt bijv. voor het project koe in
de wei). ‘Caring
Dairy’. Beemster kaas en Ben&Jerry’s
vormen de ‘business case’ voor het project ‘Caring Dairy’ in Nederland.
KlaasJan van Calker van CONO Kaasmakers lichtte de achtergrond van beide
bedrijven toe en beschreef de praktijk van Caring Dairy. Geheel in navolging van de
voorgaande spreker meldde hij, dat CONO kaasmakers geen kaas verkoopt, maar
smaakbeleving en dat al honderd jaar. CONO - met hoofdvestiging in werelderfgoed
De Beemster - heeft met het premiummerk Beemsterkaas in zijn grootste markt
België een merkenbekendheid van 95%. CONO kaasmakers heeft de ambitie uit te
blinken in smaak, kwaliteit en duurzaamheid en realiseerde daarbij de afgelopen
zeven jaar de
hoogste melkprijs voor zijn 500 leden/melkveehouders. Ben&Jerry’s
heeft zijn oorsprong in de VS van Amerika. In 1978 begonnen in een voormalig
benzinestation met eigenbereid ijs (‘homemade’) en sinds 2000 overgenomen
door Unilever. Ben&Jerry’s heeft de duurzaamheid als het ware uitgevonden.
De drie onderdelen van het missiestatement namelijk product, economisch en
sociaal zijn ervan doorweven. Ben&Jerry’s
is de initiatiefnemer van Caring Dairy en CONO Kaasmakers heeft het grootschalig
opgepakt. Daarbij zoekt de duurzame melkveehouderij de balans tussen
bedrijfseconomie, dierenwelzijn en landschap en klimaat. Het is niet ‘one size
fits all’. Er zijn nu eenmaal verschillen in grondsoorten, typen koeien en
soorten ondernemers. “Caring Dairy” veehouders vullen elk jaar een
duurzaamheid quickscan in, nemen elk jaar deel aan minimaal drie workshops,
werken met verbeterplannen en voldoen aan de richtlijnen voor duurzame
melkproductie. Met 90% deelname zit CONO Kaasmakers momenteel al bijna op de
vereiste minimaal 95% deelname voor het gebruik van het Caring Dairy-logo.
Daarvoor is overigens weidegang wel belangrijk, maar geen voorwaarde. Workshops
kennen een keukentafelgedeelte (theorie) en een stalgedeelte (praktijk). Voor
deelnemende melkveehouders ontstaat er een balans tussen economische, sociale en
milieuaspecten. Daarnaast is er vrijheid om eigen keuzes te maken, waarbij de
persoonlijke voorkeur en bedrijfssituatie uitgangspunt zijn. Het is ‘fun’,
iets om trots op te zijn: “Mijn melk zit in Ben&Jerry’s of Beemster”. CONO
onderneemt ook andere initiatieven voor het verduurzamen. De missie is zelfs om
de gehele keten van koe tot kaas te verduurzamen. Met de mengvoederbedrijven is een project in gang gezet om
duurzaam krachtvoer (bijv. richting hergebruik van grondstoffen) te ontwikkelen.
Over de gehele keten is er het streven om te gaan van energieneutraal
naar klimaatneutraal. Er is een haalbaarheidsstudie gaande naar mestvergisting,
waar inmiddels terugverdientijden genoemd worden van 6 á 7 jaar. Van
Calker noemt PR-activiteiten als belangrijke factor om duurzaamheid tot waarde
te brengen. Dat kan door vermelding op de verpakkingen, in commercials en
advertenties en ook met consumenten manifestaties. “Niet
alleen ons gras is groener!” De geïntegreerde aanpak leidt tot ‘we kennen
onze koeien bij naam’. Dus: blije koeien, blije boeren, blije aarde!!! Op
een vraag van dhr. Meeuwis Hettinga over de aanpak in Amerika antwoordt Van
Calker, dat daar niet met workshops wordt gewerkt. In de VS werkt Ben&Jerry’s
met ‘dairystewardshipalliances’. Mevr.
Tineke van der Haven wil weten, wat de gehanteerde definitie voor weidegang is.
De Beemster-boeren hanteren aldus van Calker 5 uur per dag gedurende ten minste
100 dagen per jaar. In de biologische landbouw ligt de lat iets hoger nl. 6 uur
per dag en minmaal 120 dagen per jaar. Dhr.
Jaap Petraeus vraagt waar Beemster zit op de schaal van duurzaamheid. Van Calker
kan/wil dat niet aangeven. Zaken die de duurzaamheid aangaan liggen niet
zwart-wit. Je kunt wel zeggen biologisch is duurzaam, maar duurzaamheid is geen
statisch begrip. Duurzame
verpakkingen. Magda
Buelens van Tetrapak Benelux kwam helemaal uit België gereisd om de bijdrage
van een verpakkingsmiddelenbedrijf aan duurzaamheid uit te leggen. Tetrapak is
een systeemleverancier. Naast de verpakkingen gaat het daarbij om
procesapparatuur, vulmachines en technische dienstverlening. Voldoende
invalshoeken dus om te kiezen voor een eigen visie op duurzaamheid. Tetrapak’s
motto is ‘protects what’s good’. Het
economisch tij is moeilijk momenteel, maar - aldus mevr. Buelens – het milieu
wordt een belangrijk instrument in de aanpak van de crisis in zowel de VS als in
de EU. De NGO’s zeggen zelfs, dat het nu de tijd is voor een zgn. New Deal en
wel een ‘Green New Deal XXL’. Onderzoek
in G20 landen toonde aan, dat van de consumenten aldaar, die recentelijk groene
producten hadden gekocht, meer dan
80% bereid was om er ten minste 5% meer voor te betalen. Het
EU-beleid wijst hierin ook de weg. De EU kent een programma voor duurzame
productie en consumptie. In
het Verenigd Koninkrijk is de Carbon Trust actief. Daar heeft men als eerste een
standaard ontwikkeld voor de CO2-voetafdruk.. Er is een methode
ontwikkeld om de voetafdruk te meten en om erover te communiceren. In
Frankrijk heeft de detailhandel dit overgenomen. Merkfabrikanten volgen nu,
bijvoorbeeld Innocent – little tasty drinks.
Een ander voorbeeld is Tropicana juice. Een halve gallon sinasappelsap
levert 3,75 pounds (1,7 kg) aan CO2-equivalenten op. De sapproductie
zelf heeft daarin een aandeel van 60%. Tetrapak
heeft de focus op vijf strategische doelen, te weten: - beperken van de
hoeveelheid grondstoffen benodigd voor productie, - de CO2-voetafdruk
verminderen, - de water-voetafdruk doen dalen, - hergebruik stimuleren
(recycling), - bevoordeeld leverancier zijn (door toenemende bewustwording van
afnemers en regelgevers). Op
allerlei manieren wordt FSC-labeling in het aanbod opgenomen. Driekwart van de
grondstoffen bestaat uit karton afkomstig uit goed beheerd bos. Volgens
de methode van levenscyclusanalyse (LCA) hebben de drankkartons de laagste CO2-voetafdruk.
In vergelijking met de glazen fles scheelt dat zelfs een factor drie. Desalniettemin
blijft er de drang om tot verbetering te komen. Aluminium draagt als grondstof
in de verpakking voor 50% bij en komt dan ook als eerste voor vervanging in
aanmerking. Tetrapak streeft ernaar om in 2010 de CO2 –emissie met
10% te hebben verlaagd t.o.v. 2005. Het
handelt daarbij om de complete proces- en verpakkingslijn in het
levensmiddelenbedrijf. Als voorbeeld noemt mevr. Buelens de eco-efficiënte
levenmiddelen proceslijn van Luxlait in Luxemburg, die 25% energie en 38 % water
wist te besparen. Een interessante aanpak is de nieuwe generatie
CIP-programma’s voor proceslijnen. Het
energiegebruik van de vullijnen uitgedrukt in kW/1000 verpakkingen is in
vergelijking met de apparatuur uit 1973 nu 60% lager. Het watergebruik zit
momenteel op een kwart van het niveau van 35 jaar geleden. Tetrapak
getroost zich veel moeite om het duurzame beleid te communiceren. Men wil
transparant zijn voor het oog van het publiek. Energiezuinig René
Floris – als vervanger van Peter de Jong van NIZO the food researchers – had
als titel van zijn inleiding: ‘Succesvolle zuivel in een wereld zonder
olie’. Zover is het nog niet, zo
bleek al uit de eerste dia. Vooralsnog kunnen er maar 4-8 glazen melk
geproduceerd worden op basis van 1 glas olie. De boodschap is om meer glazen te
produceren uitgaande van dat ene glas olie. Daarbij is de procestechnologie
cruciaal. De Nederlandse zuivelindustrie staat daar goed in en wordt zelfs als
leidend in duurzame voedselproductie gekwalificeerd. Er is dan ook al heel wat
bereikt. Zo is het energiegebruik met meer dan 20% gereduceerd en zijn nieuwe
procestechnieken geïntroduceerd. Voorbeelden van het laatste: mechanische stoom
recompressie (‘falling film evaporators’) en apparatuur met verlengde
‘run’- tijden (‘model based design’) en membraanprocessen om water af te
scheiden en meer…. De
ambities liggen verder. Zo is er een blauwdruk voor 2015 met steekwoorden als:
minimale kosten, nul verspilling, geen koeling, geen reiniging en modelgestuurde
optimalisering van de productielijnen. Daarvoor
zijn zgn. doorbraaktechnologieën nodig. Een mooi voorbeeld van het tot waarde
brengen en hergebruiken van afvalstromen betreft de verwerking van wei. Dit
bijproduct van de kaasbereiding verdween vroeger in de sloot of hoogstens werd
het bestemd voor veevoer. Sinds de vijftiger jaren is wei meer en meer de
grondstof geworden van allerhande producten door de toepassing van nieuwe
technologieën. Op
het gebied van de afvalwaterstroom is als doel geformuleerd de
omgevingsbelasting met 50% te reduceren. Daarbij spelen m.n. de fosfaten een
rol. Procesblauwdrukken gaan in de richting van bioconversie (enzymreacties en
fermentatie), scheidingstechnologieën (membraan, chromatografie) en drogen. Zelfreinigende
apparatuur is de volgende optie. Vervuiling maakt 50-80% van de
verwerkingskosten uit. Door de aanwezigheid van eiwitten, mineralen en
biovervuilende stoffen zijn de ‘run times’ 8 tot 20 uur.
Oplossingen kunnen worden gevonden met ultrageluid (reiniging gedurende
de productie) of gebruik van specifieke coatings (bijv. hydrofobe of geladen
oppervlakken). Bemoedigende
resultaten worden geboekt met rekenkundige modellen voor zuivelproductie. Zo
worden computermodellen ontwikkeld om optimale waarden te kunnen berekenen in
relatie tot ‘tijd op het schap’ (shelf-life), smaak, productveiligheid,
duurzaamheid en kosten. Reinigingsoptimalisatie hoort hier overigens ook bij. Bij
het indampen van melk kan een model nuttig zijn, omdat 20-50 % van de vervuiling
plaatsvindt in de opstartfase. Water heeft een hogere warmteoverdrachtscoëfficient
dan melk. Dat kan betekenen, dat bij evaporatie het oppervlak ‘droog valt’,
waardoor de melkdrogestof zich aan het oppervlak hecht. Dit kan met een slimme
procesaansturing verbeterd worden en zelfs leiden tot lager energiegebruik bij
het drogen. Een
doorbraaktechnologie zal zeker de productie van verse zuivelproducten zijn, die
geen koeling meer behoeven. Normaliter hebben verse producten koeling nodig om
10-15 dagen op het schap te kunnen doorstaan. Koeling vergt een substantieel
deel van het totale energiegebruik (1,5 miljard kg melk = 0,8 PJ koelingsenergie
= 222 miljoen kWh = 74.000 huishoudens). Kortom een interessant studieobject.
Met een milde hittebehandeling (0,1 sec. 180°C) en een gescheiden
stromenconcept kan een bewaartijd van meer dan vijf dagen bij 25ºC bereikt
worden. Conclusie:
door het toepassen van doorbraakprocessen moet het mogelijk worden om meer dan
tien glazen melk te bereiden met een glas olie. Oftewel 20 % meer melk te
verwerken. Op
de vraag van Theun de Zwart over het effect van geluid
voor de omgeving antwoordt dhr. Floris dat daar inderdaad technische
aanpassingen voor nodig zullen zijn. Dhr. Meeuwis Hettinga wil weten hoe je in
het gescheiden stromenconcept ongewenste enzymen kunt verwijderen. Spreker
antwoordt dat met geladen membranen melk op een slimme manier te splitsen valt. Melkveebedrijven
en duurzaamheid Bij
CLM Onderzoek & Advies is een zoektocht gaande naar integraal duurzame
melkveebedrijven. Frits van der Schans schetste de voortgang. Het Centrum
Landbouw en Milieu heeft - als organisatie tussen overheid, bedrijfsleven en
maatschappelijke organisaties in - de sector melkveehouderij als geheel op het
punt van duurzaamheid doorgelicht. Enkele
constateringen: -
de
stikstofexcretie komt – hoewel het de afgelopen jaren is gedaald – voor meer
dan de helft van melkveebedrijven. -
de
stikstof bodememissie is van 390 kTon in 1990 gedaald naar 270 kTon in 2007. -
de
fosfaat bodememissie was in 1990 75 kTon en in 2007 33 kTon; dit moet op termijn
nul worden. -
op klei
en veen zijn de doelen gehaald wat betreft nitraatuitspoeling in het grondwater;
op zand nog niet (nu nog 60-75 mg/l). -
de
ammoniakemissie van dierlijke mest en kunstmest bedroeg in 1990 240 kTon; in
2006 was dit nog 130 kTon; de ambitie is om op 50 kTon uit te komen (dat is nu
alleen al de melkveehouderij). -
de
veehouderij tekent voor 8% van het watergebruik. -
de
klimaatgasemissie (methaan/koolzuur/lachgas) bedraagt ca. 1100 g/kg melk. -
het
aantal melkveehouderijbedrijven zonder beweiding is van 1,5% in 1980 toegenomen
tot 12-13% in 2008; in die tijd is het aantal koeien gehalveerd en het
weideseizoen ingekort; dit heeft tot gevolg dat voor het oog nog maar 20%
resteert. Het
afschaffen van de quotumregeling in 2015 zal zo zijn geheel eigen effecten
hebben op de duurzaamheid van de melkveehouderij. Er zal ruimte voor groei zijn
van de hoeveelheid afgeleverde melk tot ca. 20%. Individuele belangen zullen
meer komen te staan tegenover het algemeen belang. De beperking zal komen te
liggen in de nieuwe regels voor ruimtelijke ordening. De kostprijs zal verhoogd
worden door milieumaatregelen. Een hogere melkproductie zal een hogere
intensiteit vergen en daarmee meer inputs en dus meer soja-import. In
een ander scenario kan het bedrijfsleven ook zelf kiezen voor matiging van de
melkproductie. Dat levert minder milieumaatregelen op en dus een lagere
kostprijs. Echter dit benadeelt het schaalvoordeel van de zuivelindustrie. Dhr.
van der Schans werpt de vraag op: is de zuivel vanzelfsprekend duurzaam? en
antwoordt zelf: neen, tenzij de emissieproblematiek wordt opgelost en ja, mits
er een antwoord wordt gevonden op de dierenwelzijnaangelegenheden. Dhr.
Willem Postma stelt dat ook voor ‘de koe in de wei’ voorzieningen nodig zijn
(schaduw, sloot etc.). De spreker is daar mee eens. Mevr. Jolanda ten Wolde wil
weten, wat het effect van de strenge regelgeving is op ‘de koe in wei’. Dhr.
v.d. Schans antwoordt dat de individuele boer daarop moet inspelen. Bijvoorbeeld
zal vanwege het uitspoelende nitraat op zand, daar de koe al half augustus naar
de stal moeten. Spreker is van mening dat het wel rendabel is om te blijven
weiden, de koe op stal vergt daartegenover namelijk het nodige aan
arbeidsmanagement. Dhr.
Klaas Jan van Calker vraagt naar de mogelijkheden om de uitstoot van methaan
door de koe te verminderen. Dhr.
van de Schans antwoordt dat momenteel teveel gedacht wordt aan kunstgrepen om de
methaangasemissie te verminderen. De
zuivelonderneming en MVO De
kort geleden gevormde grootste zuivelcoöperatie ter wereld FrieslandCampina
heeft nu al een naam hoog te houden op het gebied van Maatschappelijk
Verantwoord ondernemen zo toonde Jaap Petraeus, hoofd Milieu en Duurzaamheid,
aan. MVO past bij de coöperatieve gedachte, het past bij het soort product
(natuurlijk) en het sluit aan bij de wens van burger en consument. De toenemende
invloed van burgers en consumenten op het handelen van bedrijven (power to the
people) wordt van belang geacht. In de grafiek van het consumentenvertrouwen
komen de internationale bedrijven op zo’n 40%. O. a. NGO’s, Overheid, Pers
& Media en Vakbeweging scoren hoger. Onder
het hoofdje ‘Visie en Ambitie’ beschrijft Petraeus FrieslandCampina’s
MVO-visie als het realiseren van de juiste balans tussen Personeel (een werkgever te zijn waarvoor mensen kiezen), Planeet
(produceren en gedragen als een verantwoordelijke onderneming en te werken in
het hart van de maatschappij) en Profit (maar
pas op… MVO kan niet zonder financiële prestaties). FrieslandCampina
kent een stuurgroep MVO, waaronder projectteams functioneren. Zo’n projectteam
kan bijvoorbeeld GMO’s als project hebben, of Business Principles of Inkoop. Uit
een issuepositionering is gebleken dat CO2-uitstoot, Energie en
Beschikbaarheid van schoon water hoog scoren als zijnde van belang voor zowel de
stakeholders als vanwege de mogelijke impact op de zuivelcoöperatie. Vervolgens
zijn thema’s voor duurzaamheid geformuleerd: -
Klimaatverandering/energiegebruik; - Afname biodiversiteit (o.a. tropisch
regenwoud); - Dierenwelzijn; - Watervervuiling en waterbeschikbaarheid; -
Grondstoffen die opraken (fosfaat, olie etc.); - Corruptie; - Kinderarbeid; -
Geluid en andere locale hinder; en specifiek voor de zuivel:
– Koeien in de wei. Via
een piramide van het duurzaamheidsbeleid is daarna het beleid vertaald naar
duurzame daadkracht. Dit
uit zich via de Triple P plus in: -
Profit:
Goede melkprijs voor iedere melkveehouder -
Planet:
Duurzaam ondernemen met oog voor Pro-actief milieubeleid (vanaf 1990),
Milieuzorg volgens ISO 14001 en Reduceren van milieubelasting: energie, water,
afval etc. -
People: Arbozorg, Sociaal beleid, Campina Care
Foundation -
Dierenwelzijn. Als
voorbeeld noemt dhr. Petraeus de Campina merkmelk. Via afspraken omtrent groene
soja en het stimuleren van weidegang wordt een Campina-merk neergezet. Via
het merk Landliebe in Duitsland gaat dat nog een forse stap verder. Hier is
opgenomen, dat geen veevoergrondstoffen van overzee (zoals soja) worden gebruikt
en er geen GMO’s in het krachtvoer zitten. Dit alles met de complimenten van
het Bondsministerie. Biologische
producten worden afgezet via de merken Groene Koe en Zuiver Zuivel. Via
de Campina Care Foundation wordt in Vietnam samen met het Rode Kruis een lokaal
waterproject aangepakt gericht op plattelandsontwikkeling. Vermeldenswaard
is nog dat op 10 juli 2008 de stichting Duurzame Zuivelketen is opgericht. Dit
is een zuivelbreed initiatief (pre-competitief) samen met LTO Melkveehouderij.
Het kent drie peilers: - Energie en klimaat: energieneutrale zuivelketen, met
bijv. als doel 100% duurzame energie in 2020; - De koe centraal: weidegang,
dierenwelzijn en diergezondheid; - Biodiversiteit: behoud landschap en natuur. Naast
de drie peilers zijn er nieuwe uitdagingen als ketengerichte aanpak van melk en
duurzaamheid, beter zicht krijgen op onze essentiële grondstofketens (fruit,
zetmeel, cacao,…): duurzaamheid vergroten en vergroten van locale
betrokkenheid (Afrika, Azië). Piet
Verhagen vraagt wat er mis is met GMO’s. Spreker antwoordt, dat
FrieslandCampina geen Greenpeace standpunt inneemt, maar wel het
voorzorgsprincipe hanteert en dus rekening houdt met de consumenten. Meeuwis
Hettinga wil weten of biogasproductie bij de huidige prijs ook realiseerbaar is.
Dhr. Petraeus meldt, dat er nu nog subsidies nodig zijn om zelfs maar te kunnen
beginnen en dan nog is de terugverdientijd 6 á 7 jaar. In Duitsland hanteert
men een beter systeem. Het zgn. ‘feed in’. Margreet
Hovenkamp wil tenslotte meer horen over het duurzaamheidsthema corruptie. De
inleider zegt dat voor de eigen managers dit in een ‘code of conduct’ is
geregeld. Afronding Duurzaamheid
is zeker niet vanzelfsprekend, ook niet in de zuivel. Wel is er veel gaande en
zijn er goede mogelijkheden, dat heeft het symposium duidelijk gemaakt. Voorzien
van een verantwoord kartonnetje water keerden de deelnemers dan ook voldaan naar
huis terug. |
Contact:René Floris, secretaris |
|
|