|
![]()
|
Yoghurt:
eeuwenoud en springlevend
Najaarssymposium:
8 november 2005 Verslag: Willem van Middendorp
Van een les in de yoghurtgeschiedenis tot een blik op de
nieuwste yoghurtbelevingen. Dat waren ingrediënten van een interessant en
leerzaam najaarsymposium 2005 van het Genootschap. In Congrescentrum 'De
Wageningse Berg' werd een toepasselijke plaats gevonden om te gedenken, dat zo'n
honderd jaar geleden yoghurt in Nederland werd geïntroduceerd. Velen deelden die mening blijkbaar, want voorzitter Jacob
Heida kon een welgevulde zaal verwelkomen. Klik hieronder voor de verslagen van de verschillende presentaties
Yoghurt
als bron van inspiratie
Professor Marcus van den Berg bracht als eerste inleider van
de dag de yoghurtgeschiedenis van 1904 tot 2005 in kaart. 'Yoghurt is al sinds
onheugelijke tijden in zwang in landen als Bulgarije en Turkije'. Nadat in
West-Europa bekend werd, dat in die landen vele honderdjarigen woonden, nam de
belangstelling voor yoghurt toe. De Nederlandse correspondent van 'Het Nieuws
van de Dag' in Constantinopel schreef in augustus 1904: 'Nu het zoo ongeveer overal in ons werelddeel zoo schrikbarend warm is,
zal het onzen lezeressenen ook onzen lezers, waarschijnlijk wel niet onwelkom
wezen een toespijs te leeren kennen, welke uitermate verfrisschend en daarbij
zeer goedkoop en eenvoudig te bereiden is en in ons vaderland met zijn prachtige
melkvee, dat zulk een uitstekende melk kan geven nog veel beter en keuriger moet
uitvallen dan hier te lande, waar het niettemin een echt nationaal gerecht is. 'Yaöert''. In het begin van de twintigste eeuw verschenen er steeds
vaker artikelen in de Nederlandse pers met een verhandeling over de bereiding
van yoghurt en het nut ervan. Yoghurt als voedings- en als geneesmiddel.
Langzaamaan gingen sommige melkinrichtingen yoghurt in flessen maken en
verkopen. In maart 1908 verkocht de Sierkan in Den Haag ongeveer 100 halve liter
flessen per dag. Het bleek nog niet zo gemakkelijk te zijn de entcultures voor
yoghurt juist te karakteriseren. Een enkele geleerde sloeg de plank zelfs
volledig mis. Toch kwam men al snel tot de conclusie, dat twee melkzuurbacteriën
karakteristiek zijn voor de yoghurt: een staafje en een strepto(diplo)coc. De fabrieken betrokken de entcultures (stek) meestal van
apothekers, die het op hun beurt weer aangeleverd kregen van de 'Sociëté de la
Maya bulgare' in Parijs. De stek - met een entverhouding van 1 eetlepel per tien
liter melk - speelt uiteindelijk geen rol van betekenis in de kostprijs van de
yoghurt. In de prijscourant van de Sierkan uit 1922 worden twee
soorten yoghurt genoemd: Yoghurt-vloeibaar voor 20 guldencenten per
halveliterfles en Ingedikte yoghurt voor 35 guldencenten. Ter vergelijking: de -
onder streng hygiënische omstandigheden gewonnen - modelmelk (van het bedrijf
Berkendael) kost dan 25 cent per halveliterfles en de gewone melk 14 cent per
liter. In de jaren veertig van de vorige eeuw kwam in de Verenigde
Staten van Amerika pas de productie van yoghurt van de grond. Prof. van den Berg constateert tenslotte, dat rond 1905 veel
vooraanstaande natuurkundigen diep aan het peinzen waren om reeds bekende
theorieën onder één noemer te brengen. Tezelfdertijd verschenen er kort na
elkaar een vijftal baanbrekende artikelen van een volkomen onbekende klerk der
derde klasse van het Octrooibureau in Bern: Albert Einstein. Van den
Berg suggereert dat Einstein in plaats van spinazie yoghurt tot zich nam
en zo een krachtpatser werd….. Technologische ontwikkelingenHet geven van een toelichting op de ontwikkelingen in de
technologie van de bereiding van yoghurt was in vertrouwde handen van dr.Frans
Driessen. Driessen heeft veel gepubliceerd met name op het gebied van
consumptiemelkproducten. Momenteel werkt hij als management consultant. Eerst volgt een uitleg van hoe de yoghurtbacteriën elkaar
helpen groeien. Zowel Streptococcus thermophilus als Lactobacillus bulgaricus
gebruiken lactose als substraat. De
coccen vormen mierezuur en CO2 , die door de lactobacillen worden
benut om eiwit af te breken. Kritisch punt voor de mierezuurproductie is wel dat
er minder dan 4 mg zuurstof per kg aanwezig mag zijn. De gevormde kleine
peptiden en aminozuren remmen vervolgens weer de groei van de coccen. Driessen
concludeert dat de gemengde culturen zich in feite gedragen als één cultuur.
Proteolytische streptococcen (bijv. uit italiaanse kaas) kunnen de lactobacilli
beconcureren. Mierezuur is juist weer een belangrijke stimulans voor
lactobacillen en dat zit meer in hoog-verhitte melk. Dat geeft dus mogelijkheden
om het proces te sturen. Lactobacillus bulgaricus is ook verantwoordelijk voor
de beperkte houdbaarheid van yoghurt (geeft een wat wrange smaak aan oude
yoghurt). Daarom is het zaak om het evenwicht tussen de beide melkzuurbacteriën
nauwgezet te handhaven. Nadere beschouwing van de yoghurtbereiding doet
Driessen constateren, dat die kan worden beschouwd als een proces bestaande uit
twee fasen, namelijk: -
de voorfermentatie: het stadium waar de groei van de
yoghurtbacteriën plaatsvindt -
de verzuring: het stadium waarin de melk coaguleert en de
yoghurt haar specifieke kenmerken krijgt. Deze fasen kunnen zonder nadelige gevolgen voor het
eindproduct gescheiden worden. De groeisnelheid van de bacterieculturen staat in relatie tot
de temperatuur. Dat wordt weergegeven in de zgn. Arrhenius-plot. In Duitsland is
de gehanteerde optimumtemperatuur 42 à 43 ˚C, waarbij een veiligheidsmarge
geldt van 1 à 2 ˚C vanwege afkoeling aan de wand. Als zeer besparend
proces beschrijft Driessen de methode van 60% van de melk voorzuren bij
43˚C, waarna koude yoghurtmelk wordt toegevoegd tot een temperatuur van
31˚C. Om voor de spreker onduidelijke redenen heeft de praktijk deze manier
van werken nog niet ontdekt. Interessant is natuurlijk het zoeken naar mogelijkheden van
continue bereiding. Er is echter nogal wat op tegen. Zo kan alleen maar worden gewerkt met één soort yoghurt
(mager, vol etc.) en met één soort cultuur. Continue coagulatie als volgende
fase is een labiel proces. Er is een kritisch pH-gebied voor de structuur van
yoghurt. Deze kritische zone wordt kleiner bij lagere temperatuur. Op basis van de technologie van de bereiding zijn er
drie soorten yoghurt te onderscheiden, te weten: a.
Standyoghurt - gekenmerkt door fermentatie in de
uiteindelijke verpakking. De structuur wordt gekenmerkt door 'zwichtspanning'
(kracht nodig om de structuur te verstoren). - te vergelijken met de ketchup die
je eerst met schudden nog niet in beweging krijgt en dan ineens plopt het uit de
fles en blijft het stromen (wovm). b.
Roeryoghurt - gekenmerkt door fermentatie in een tank met
slijmproducerende culturen, waarbij deze slijmvorming een belangrijke bijdrage
aan de uiteindelijke structuur levert. De structuur wordt gekenmerkt door
'viscositeit' (= stromingsweerstand) c.
Korte yoghurt - gekenmerkt door fermentatie in een tank met
slijmnegatieve cultures, danwel minimale slijmvorming, gevolgd door een
intensieve bewerking (afschuiving) d.m.v. een 'stretcher' (Y-Strahl of zeef).
Deze structuur wordt net als bij de standyoghurt weer gekenmerkt door
'zwichtspanning'. Driessen ziet de roeryoghurt in gezinsverpakking (1 liter)
steeds meer marktaandeel verliezen. De toekomst is er - volgens hem - voor de
korte yoghurt in portieverpakking. De bereiding van 'korte yoghurt' vergt een omslag in denken
en doen, aldus Driessen. Je moet eigenlijk alles doen wat Steenbergen in 1973
ten aanzien van de bereiding van roeryoghurt verboden heeft. Kortom: de korte
yoghurt moet mishandeld worden. Het eindproduct is dan ook 'ropy' oftewel het
trekt geen draden, maar plopt van de lepel. Prof. Walstra meldt voor het goede verstaan nog even op, dat
waar Driessen spreekt van schuifkrachten er eigenlijk bedoeld is rekkrachten. De
viscositeit neemt toe door de zwelling van caseinemicellen en die worden door de
krachtwerking uitgerekt. Wetgeving
De 'legislation officer' van Friesland Foods Jan Bijloo liet
de toehoorders zien hoe divers de yoghurtwetgeving zelfs binnen Europa op
onderdelen is. In onze buurlidstaten van de EU zijn er verschillen te bespeuren,
die opmerkelijk zijn. Zo is in Nederland het vetgehalte van volle yogurt
beschreven als 'ten minste 2,95%'. In België is dat 'minimaal 3%' en in
Duitsland 'ten minste 3,5%'. Frankrijk hanteert voor 'Yaourt entier": 36
gram/liter. Wat het eiwitgehalte betreft ligt het onderscheid nog duidelijker.
In Nederland staat voorgeschreven: 'ten minste 2,8% en ten minste 33% in de
vetvrije melkdrogestof'. België en Duitsland kennen op dit punt helemaal geen
regeling en Frankrijk zegt: ' ten minste 34% in de vetvrije drogestof en ten
minste 3% in de totale waar. Toevoegingen zijn in Nederland toegestaan, wanneer het maar
in de naam wordt aangegeven. In België en Frankrijk is dat tot in detail
geregeld (bijv. ook honing en suiker, sappen en gelatine en zetmeel). Kennelijk
is er - aldus Bijloo - geen muesliyoghurt in België toegestaan. Granen worden
althans niet genoemd in de regelgeving. Een koekje met yoghurtsmaak is in België verboden. Verhitte yoghurt mag in Nederland verkocht worden, wanneer op
het etiket staat: 'yoghurt door verhitting langer houdbaar gemaakt' of iets
dergelijks. In Duitsland is dat: 'Joghurterzeugnis'. In België heet het dan:
'thermisch behandelde gefermenteerde melk'. De naam yoghurt is dus verboden (Unilever
kan de naam 'yodressing' dus in België niet gebruiken). De Franse invulling is
spreker niet bekend. Er ligt inmiddels een EU-voorstel met een alleszins redelijk
compromis tussen alle individuele regelingen,. Voor toevoegingen (zoals fruit)
is een zeer pragmatisch invulling gevonden (max. 50%). Is er meer dan 50% fruit
aanwezig dan verandert de naam in 'fruit met yoghurt'. Het EU-voorstel is
jammergenoeg al jaren in bespreking en de voortgang is nihil. De wereldwijde standaard - de Codex Alimentarius - is drie
jaar geleden herzien. Daarbij zijn de cultures benoemd en kenmerkende
eigenschappen vastgelegd. Voor vetgehaltes wordt gewezen naar nationale
regelingen En verhitte yoghurt heet: 'heat treated fermented milk',
tenzij nationaal anders geregeld. Op vragen van dhr. Toolens 'ervaringsdeskundige op het gebied
van yoghurtbereiding' antwoordt Bijloo, dat met geitenmelk als basis dezelfde
eisen blijven gelden. Maar wat te doen met verhitte yoghurt waaraan een
yoghurtcultuur wordt toegevoegd? Hierop blijft de spreker het antwoord schuldig. Yoghurtijs mag deze naam dragen, wanneer hierin een nog
levende melkzuurcultuur wordt aangetroffen, zo luidt het antwoord op een
volgende vraag. Dhr. Driessen waagt dit te betwijfelen, want naar zijn idee is
het aantal bacteriën niet bepalend, maar de fermentatie. Dhr. Bijloo zegt dat in België de formulering is: 'produkt
laten coaguleren door enting met speciale melkzuurbacteriën'. Worden andere
bacteriën gebruikt dan dient ook een andere naam gegeven te worden. De praktijk speelt hier soepel op in zo blijkt uit het etiket
van het product Fristi. Ter informatie van de Belgische respectievelijk
Nederlandse consument staat op één en hetzelfde etiket: 'magere gefermenteerde melk met vruchtensap, thermisch
behandeld (UHT) (B) magere drinkyoghurt met vruchtensap (UHT) (NL)'. Relatie met gezondheid
Yoghurt is gezond, zo is de algemene aanname. Maar bewijs?
Volgens Driessen zou een vergelijking met een placebo de ultieme proef zijn. Hij
raadt aan, hier maar niet mee te beginnen. De belangstelling van de consument voor 'gezonde producten'
is desalniettemin groot en groeiend. Dr. Bart Degeest van Yakult in België legt
uit, dat het daarbij gaat om probiotica. Daaronder worden microorganismen
verstaan die - mits in voldoende hoeveelheden aanwezig
- een positief gezondheidseffect bij de gastheer bewerkstelligen. Als
criteria daarbij gelden: -
probiotische microorganismen moeten op grote schaal levend
gekweekt kunnen worden -
probiotische microorganismen moeten levend en stabiel blijven
gedurende bewaring -
probiotische microorganismen moeten voor de meeste
toepassingen (gezondheidseffect) in staat zijn om het maagdarmkanaal
(maagzuur/galzouten) te overleven. Over het laatste is overigens niet iedereen het eens. Ook
componenten van niet-levende bacteriën zouden effectief kunnen zijn. De darmflora van de mens bevat wel 500 - 1000 soorten bacteriën.
Het is daarom geen sinecure daar de gezondheidsbevorderende lactobacilli,
eubacteria of bifidobacteria uit te selecteren. De eisen die aan probiotica gesteld worden liggen op het
algemeen microbiologische vlak en in de technologische en functionele hoek.
Algemeen microbiologische eisen zijn: niet pathogeen; overleven in speeksel,
maagzuur en galsappen; bij voorkeur van humane oorsprong en genetisch stabiel.
Technologische eisen: industriële cultivatie mogelijk (d.w.z. in hoeveelheden
van 12 - 15.000 liter); drager nodig; voldoende lange houdbaarheid; sensorisch
aantrekkelijk. Functionele eisen: gezondheidseffect; kolonisatieresistentie;
voldoende aantallen bacteriën; metabole activiteit. De voor het produkt Yakult gebruikte Lactobacillus Casei
Shirota blijkt in faeces-monsters getraceerd te kunnen worden, hetgeen erop
duidt dat deze bacterie het maagdarmkanaal overleeft. Dhr. Degeest noemt als voordeel van de probiotica in het
maagdarmstelsel ,dat ze evenwicht brengen. Ze voorkomen bacteriële overgroei of
infecties en spelen een positieve rol bij lactose-intolerantie. Als voorbeeld
noemt hij een constipatiestudie in Duitsland. Daar bleek na vijf weken in de
placebo-groep 40% van de deelnemers geen problemen meer te hebben met
constipatie. In de behandelde groep was dat percentage 80. Als nadere
belangrijke (in de wetenschappelijke pers gepubliceerde) resultaten noemt
Degeest het verminderd risico op
blaaskanker en het effect op de kolonisatie van Helicobacter pylori (de
veroorzaker van maagzweren) en ook de gereduceerde productie van toxische
stofwisselingsproducten. Tenslotte merkt Degeest dat de consument correct geïnformeerd
moet worden. Hij toont zich dan ook helemaal niet ongelukkig met het feit dat de
Europese regelgeving voor gezondheidsclaims wat strikter aan het worden is. In
Nederland geldt nu nog een vrijwillige code op dit terrein, gecontroleerd door
het Voedingscentrum (deskundigencomité's). In totaal gaat het daarbij nog maar
om zes claims. Zie ook www.voedingscentrum.nl. Dhr Stadhouders vraagt in hoeverre yoghurtbacteriën tot de
probiotica gerekend kunnen worden. Volgens dhr. Degeest ligt bij yoghurt meer de
nadruk op het nutritionele effect, maar kan het zeker probiotische werking
hebben. Denk bijvoorbeeld aan de consument die lactose intolerant is. Aansluitend vraagt dhr. Wouters of kaas nu beter is dan yoghurt. Degeest antwoordt dat in geval van levende bacteriën de matrix niet zoveel uit zal maken. Driessen merkt tenslotte op, dat de Shirota-variant uit 1932
stamt. Is het nog steeds dezelfde? Dhr. Degeest bevestigt dat met de
kanttekening, dat de enige verandering sindsdien het uitselecteren van een
stukje profaag-DNA is. Ingrediënten in yoghurt
Mevr. Marja Kanning van NIZO food research toonde
overduidelijk aan dat in de zaal niemand alles van yoghurt wist. Ze illustreerde
dat met het wijzen op een jeugdfilm van Paul Driessen: "Het verhaal van
kleine yoghurt". Naast dit buitennissigheidje bleek overigens ook, dat de
yoghurt waar we het deze dag over hadden nog veel geheimen heeft prijs te geven. Veel onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van
modelleringstechnieken. Met gelsterktemeting en met 'confocal scanning laser
microscopy (CLSM)' krijgt de onderzoeker zicht op de verschillen. Yoghurt is een dispersie in een serum. De viscositeit van
yoghurt kan worden gedefinieerd als de viscositeit van de serumfase als functie
van de eigenschappen van de deeltjes. Dit dient dan als kwaliteitsindicator.
Want bekend is, dat bewerking (processing) leidt tot niet terug te draaien
verlies van viscositeit. De onderzoeker stelt er dan ook veel belang in een
hanteerbaar viscositeitsmodel te hebben. Mevr. Kanning zegt die gevonden te
hebben in het zgn. aangepaste Hahn-model. Metingen geïllustreerd met microscopische afbeeldingen tonen
aan, dat een systeem met zetmeel- en eiwitdeeltjes een stabielere viscositeit
heeft dan een systeem met alleen eiwitdeeltjes. Met modelsystemen worden proeven uitgevoerd in
yoghurtafvulmachines. Op deze wijze wordt de meest optimale diameter van
leidingen, van krommingen en van vulopeningen geconstrueerd. Het model dat de yoghurtviscositeit voorspelt, geeft een
indicatie van de zwakke plekken in zowel het 'design' van de apparatuur als de
procescondities. Uiteindelijk gaat het maar om één ding aldus mevr. Kanning:
de yoghurt moet lekker zijn. Vandaar dat naast het viscositeitsonderzoek veel belang
gehecht wordt aan het mondgevoel van het product en het effect van speeksel
(mate van verdunnning, effect van alpha-amylase). Voor yoghurt is de 'bite' niet zo interessant (dat is meer
voor kaas). Hier is meer aandacht nodig voor tong en gehemelte. Nieuwe
technieken maken het mogelijk om hier daadwerkelijk metingen op te verrichten. Het blijkt dat het effect van alpha-amylase op yoghurt niet
zo erg groot is. Het pH-optimum voor de amylase is 7,5. De pH van yoghurt is in
de praktijk vaak 4,0, dus dat verklaart het geringe effect wel. Dhr. Fons Michielsen vraagt hoe hij de werking van
zetmeeldeeltjes moet verstaan. Naar zijn idee is een zetmeelgel een
driedimensionaal netwerk. Mevr. Marja Kanning antwoordt, dat microscopische
foto's de zetmeeldeeltjes als een uitgezwollen zetmeelkorrel laten zien, die
geen bijdrage aan het netwerk leveren. De caseinemicellen zijn niet zichtbaar,
maar vormen wel eiwitclusters. Lang
houdbaar
'Ingrediënten, bereiding en eigenschappen van langhoudbare
drinkyoghurt' was het onderwerp van de lezing van Mevr. Marlies de Jong,
productontwikkelaar bij Campina Innovation in Wageningen. Op de hele wereld wordt drinkyoghurt op de markt gebracht, zo
toonde de Jong aan. Weliswaar is er soms wel erg weinig yoghurt in het product
aanwezig. Als voorbeeld hiervan geldt een drinkyoghurt uit Portugal waar maar 4%
yoghurt in zit. Volgens de definitie is de basisgrondstof van langhoudbare (LHB)
drinkyoghurt yoghurt of gefermenteerde melk (minimaal 50% aanwezig). Verder is
het verhit (geen levende melkzuurbacteriën), heeft het een zuur milieu (pH 3,8
-4,2), is het gestabiliseerd en is het - buiten de koeling - maanden houdbaar. Als zuivelingrediënt kunnen nog (vloeibare) melkbestanddelen
of weipermeaat zijn toegevoegd. Verder
kunnen ingrediënten zijn: suiker of zoetstoffen, vruchtensappen,
stabilisatoren/verdikkingsmiddelen (o.a. pectine, sojapolysaccharide, guargom),
voedingszuur, aroma, kleurstof, functionele ingrediënten als
vitaminen/mineralen/voedingsvezel (kan nuttig zijn voor het mondgevoel) en soms
water. De ervaring leert dat het met zoetstoffen veel moeilijker is
een goed smakend product te maken, dan op basis van suiker. Pectine is een wateroplosbaar polysaccharide, dat verkregen
wordt door warmteextractie uit citrusvruchten of appel. Het extract wordt
afgestandaardiseerd met suiker. Het pectine is boven de pH 3 negatief geladen en
reageert op eiwit in een waterig milieu. Voor drinkyoghurt wordt dan ook vaak
hoog veresterde pectine gebruikt, want die heeft minder negatieve lading en is
daardoor minder Calcium-reactief. De
stabilisering wordt bereikt door de verdeling van de carboxylgroepen over het
molecuul en het hoger molecuulgewicht, waardoor een sterische hindering
optreedt. De hoeveelheiddosering van pectine in drinkyoghurt is - afhankelijk
van de hittebehandeling -0,3 -
0,6%. Uit praktijkproeven is gebleken, dat om een optimale viscositeit te
bereiken de pectinedosering goed uitontwikkeld dient te worden. Er zijn twee bereidingsmethoden in zwang. De ene is gekoppeld
aan aseptisch afvullen en de andere gaat gepaard met sterilisatie in de
verpakking. In alle gevallen wordt het mengsel gehomogeniseerd bij 55-85°C
(150-200 bar), vervolgens verhit op 85 - 120°C (5-30 sec.) en dan
afgevuld bij 20-25°C. In het geval van sterilisatie in de verpakking volgt dan
nog een verhittings- en een koelingsstap. De analyse van het product krijgt veel aandacht. Sensorisch
valt naast ruiken-zien-proeven de test op stabiliteit op. Het bewaren in de fles
bij 30°C geeft versneld resultaat.. De fysische analyse bestaat uit
microscopie, droge stofbepaling, pH, densiteit (geeft informatie over mogelijke
waterinspoeling) en serum/sediment
(versnelde centrifuge-test). De deeltjesgrootteverdeling bepaalt in sterke mate de
stabiliteit van het product. In het algemeen geldt, dat hoe kleiner de deeltjes
zijn, des te stabieler is de drinkyoghurt. Dhr. Wouters weet dat aceetaldehyde in yoghurt bepalend
is voor de smaak. Het is mevr. de Jong niet bekend in hoeverre dat bij
drinkyoghurt ook zo is. De heer Toolen wil de discussie wel aangaan, waarom niet melk
maar yoghurt de grondstof voor drinkyoghurt dient te zijn. De term 'beduvelen
van de consument' valt zelfs. Dhr. Frans Driessen merkt sussend op dat yoghurt
niets anders is dan voorgefermenteerde melk. Dhr. R. van der Heijde
(oud-inspecteur Volksgezondheid) zegt dat het zeer goed controleerbaar is in
hoeverre een yoghurtgrondstof is gebruikt. Tenslotte
Zoals voor hem te doen gebruikelijk vat voorzitter Jacob
Heida de inleidingen treffend samen door de kernpunten te benoemen. Hij meent
dat de verjaardag van onze honderdjarige (yoghurt in Nederland) waardig is
gevierd. Het volgende symposium op 26 april 2006 zeer waarschijnlijk
weer in de Wageningse Berg heeft als titel: 'Geef smaak de tijd' met onder
andere aandacht voor 'slow food'. |
Contact:René Floris, secretaris |
|
|