Leden login

Ingrediënten voor zuivel

Verslag najaarssymposium 2012 Genootschap ter bevordering van Melkkunde
Verslag: Willem van Middendorp
Ingrediënten voor zuivel


Introductie.
Op locatie – bij DSM in Delft – heette voorzitter Margreet Hovenkamp de deelnemers aan het najaarssymposium 2012 welkom. Vanwege de weersomstandigheden en wegopstoppingen druppelden ze in de loop van ochtend binnen. Uiteindelijk werd het maximaal toegestane aantal van zestig toch nog bereikt. Margreet Hovenkamp gaf aan, dat dit keer zeer bewust gekozen was voor ‘Ingrediënten’ in plaats van voor een zuivelproduct. Met DSM als gastheer ontstond een ideale mogelijkheid om dit onderwerp uit te diepen, aldus de voorzitter.Zo zouden na de introductie op DSM de trends op het gebied van ingrediënten voor zuivel en specifieke toepas-singen de aandacht krijgen.
Als niet te versmaden toetje kondigde ze een rondleiding door de laboratoria van DSM Delft aan. Op een vijftal plekken zou bij een bedrijfsonderdeel worden stilgestaan.
Biotechnologie en DSM

Klik hier voor het complete verslag, hieronder volgt een korte samenvatting van de behandelde onderwerpen.

Voedingsingrediënten en trends
Merel Roes – werkzaam als marketing manager Maxilact ® bij DSM – gaf inzicht in trends en ontwikkelingen in zuivelenzymen.
Trends in de zuivel worden beïnvloed door de vijf aspecten: gezondheid – gemak – natuurlijk – snacking - waar voor je geld. Daar komt een waaier aan wensen uit voort, zoals ‘vrij van allergenen’, ‘goede spijsvertering’, ‘ver-rijking (met o.a. vitaminen)’, ‘haal meer uit melk en/of wei’, ‘langere houdbaarheid’, ‘functionele ingrediënten’, ‘vegetarisch’, ‘vrij van allergenen’. Hier speelt DSM op in, door zijn zuivelenzymen bijv. te laten certificeren door de Vegetarian Society (dus vege-tarisch), en ze te produceren zonder allergenen (dus vrij van allergenen). - Lactosevrij (<0,5 g lactose/1000 ml) – 0,05% Lactose (Spanje)

Melkproducten en vitamines
De consument kiest voor melk, omdat het ervaren wordt als een puur product, maar ook omdat het een hoge nutriëntenwaarde heeft. Door bewerking of door seizoensgebonden variaties kan de natuurlijke vitamine-inhoud van melk variëren. Hier kan op worden ingespeeld, aldus Emily Tellers, marketing development manager bij DSM Nutrition Products Europe Ltd..
In Europa is verrijking van melkproducten tot het betere niveau niet zo gebruikelijk. In andere werelddelen is het zelfs verplicht vitamine A en D aan melk toe te voegen.
Technologisch gesproken is dat zeer eenvoudig te doen. Daarbij kunnen andere overwegingen meespelen. Zo wordt vitamine C toegevoegd voor stabilisatie en/of smaakverbetering.
Voor smaakverbetering zal echter een flinke overdosering nodig zijn.

Ingrediënten en het begrip ‘Natuurlijk’
Ingrid Broekhuizen van het bedrijf Givaudan geeft als plaatsvervanger van haar collega Ernst van den Berg een inleiding over wat onder ‘Natuurlijk’ kan worden verstaan.
Als eerste behandelt ze de gedachten bij de consument t.a.v. het begrip Natuurlijk. Om daar zicht op te krijgen is eind 2011 in een viertal landen (Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland) een veldstudie uitge-voerd. Bij volwassenen werd de algemene belangstelling voor gezondheid, voedsel en dranken getoetst.

Aardappelzetmeelproduct en zuivel
Cindy Semijn, marketing manager dairy bij AVEBE introduceerde een aardappelzetmeelproduct met de merk-naam ETENIA®, dat geschikt zou zijn om vetarme yoghurts toch een romige smaak en textuur te geven.
AVEBE verwerkt jaarlijks ongeveer vier miljoen ton aardappelen. Dat levert ongeveer 700.000 ton aardappel-zetmeel en derivaten op. Het heeft vier vestigingen in Nederland en vier in het buitenland.
ETENIA® is het resultaat van een nieuwe enzymtechnologie voor zetmeel. Het aardappelzetmeel wordt omgezet m.b.v. een nieuw enzym nl. amylomaltase. Het resultaat is een product met verlengde amylopectineketens en een structuur als een “Gum”

Melk; nader beschouwd

Verslag najaarssymposium 2011

Verslag: Roy Timmermans

Melkkoeienfokkerij

Frido Harmoen, manager marketing Coöperatie Rundveeverbetering Delta (CRV), vertelt wat de CRV allemaal doet achter de slogan: “Better cows, better life”. Het CRV houdt zich voornamelijk bezig bij het begin van de keten, de melkveehouders. Vanuit Nederland en Vlaanderen acteren ze wereldwijd en de trends voor groei voor de melkveehouders zijn geografisch verschillend. Hierop probeert de CRV zoveel mogelijk in te spelen. Het brede porfolio (genetica, dienstverlening, stamboek en informatieproducten) staat dit ook toe. Veeverbetering begint eerst met inzicht en vervolgens worden daaruit oplossingen gegenereerd. In 1874 is gestart met het bijhouden van de stamboom van de koeien. Eerst lokaal waarna dit steeds breder en uitgebreider werd. Voor elk doel is er een juiste fokkerij waar ras, toepassing en gezondheid een voorname rol spelen. Tegenwoordig is het veemanagement uitgegroeid tot het verkrijgen van relevante informatie op de individuele koe, waar het vroeger alleen het presenteren van de voornaamste resultaten was. Meer dan 90% van alle melkveehouders in Nederland laat melk van alle koeien maandelijks individueel onderzoeken. Qlip en MCC (Vlaanderen) onderzoeken de melk en de CRV verwerkt de analyse-uitslagen tot managementinformatie. Deze informatie wordt op papier, in databestanden en via online applicatie Veemanager verstrekt aan de veehouder. Er zijn ca 16.000 veehouders aangesloten aan het MPR (melkproductieregistratie). Melk bevat veel managementinformatie voor de veehouder en de adviseurs. Veehouders krijgen zowel op bedrijfsniveau als op het niveau van de individuele koe on-line de informatie. Het aantal kg melk wordt bijgehouden evenals de onderzoeksresultaten zoals vet, eiwit, lactose, ureum, celgetal en acetongehalte. Met het acetongehalte wordt de energiebalans bijgehouden, welke een aanwijzing geeft voor een eventuele ziekte die de koe onder de leden heeft. Indien geautoriseerd kunnen dierenartsen meekijken en veevoederadviseurs kunnen de resultaten volgen en het voer afstemmen ten opzichte van het seizoen. Frido Harmoen gaf verder aan dat het CRV druk bezig is met verdere ontwikkelingen. Toekomstige ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld: drachtdiagnose en diergezondheidsonderzoeken om gerichte behandelingen te kunnen geven en hierbij het beperken van antibiotica gebruik. Ook dit staat in het teken “better cows, better life”.

Verhaal van melk

Harrie van den Bijgaart, operations manager laboratoria, bij Qlip. “Melk vertelt” Qlip is ontstaan door activiteiten samen te brengen van de private taken van het COKZ (die zich tegenwoordig bezighoudt met publieke taken), het Melk Controle Station (MCS) en Organisatie Certificering Melkveebedrijven (OCM). Kernactiviteiten van Qlip zijn: certificering van processen, onderzoek melkmonsters, onderzoek boerderijmelk, onderzoek zuivelproducten op samenstelling (en kwaliteit), rondzendonderzoek en levering van standaardmonsters + calibratiemonsters, activiteiten in andere sectoren (zoals de pluimveesector). Het aantal veehouders daalt minder, dit getal is nu 2% (was meer dan 5%). Harrie van den Bijgaart laat grafieken zien waarop een aantal trends zijn weergegeven. Het vetgehalte van de melk blijft ongeveer gelijk, het eiwitgehalte is iets gestegen en het ureum- gehalte is gedaald (hieruit wordt de balans tussen eiwit en energie gehaald). Het MPR (melkproductieregistratie) wordt aangehaald door Harrie en hij sluit hiermee aan op de vorige presentatie vanuit de CRV. In aanvulling op de analysewaarden van de melkmonsters kan er tegenwoordig ook een IR ‘fingerprint’ worden gemaakt. Deze ‘fingerprint’ wordt interessant wanneer deze data gekoppeld worden aan de koedata. Hieruit volgen indicatoren, die wijzen op het welzijn van de koe. De QMS (Qlip Mastitis Sneltest) identificeert 12 mastitispathogenen met behulp van de PCR analyse methode en in 4 uur genereert deze methode de uitslagen. Het grote voordeel hiervan is dat deze methode onafhankelijk is van de conserveringsmethode van het melkmonster en legt de situatie vast zoals die ten tijde van de monstername was. Met deze uitslagen kunnen adviezen gegeven worden richting melkveehouders en dierenartsen. Een ander onderdeel bij Qlip is het onderzoek t.b.v. de uitbetaling van boerderijmelk. Sinds 2004 wordt hiervoor een ‘chipfles’ gebruikt ,die op de boerderij gevuld wordt met een melkmonster. Het logistieke systeem is volledig geautomatiseerd en naast de standaard analyses kunnen op verzoek additionele analyses worden uitgevoerd. Deze worden ook geheel automatisch uitgevoerd. Signalering van afwijkende melk krijgt steeds meer aandacht. FTIR spectra geven unieke ‘fingerprints’ weer, waarin vervolgens afwijkingen aangeduid kunnen worden. Daarnaast wordt met behulp van een dataset van normale monsters en de ‘tool PCA’ (Principal Component Analysis) uitbijters vastgesteld welke uitgelicht worden en nader kunnen worden bekeken wat voor afwijkingen aanwezig zijn. Met vergaande analyse kunnen potentiële merkers van authenticiteit worden aangetoond zoals van biologische melk en weidemelk. Steeds verdergaande analysemethoden en ‘crosslinking’ van gegevens zorgen ervoor dat er steeds meer bekend wordt over melk. Met een bruggetje voor verdere ontwikkeling sluit Harrie van den Bijgaart af met: “Milk nourishes, milk tells.....but still holds hidden treasures”.

Waarde van melk

Ben Scholman van Friesland Campina presenteert: melk: meer waarde uit de keten. Hierbij gaat hij in op de ketenintegratie “van gras tot glas” en ziet kansen bij het benutten van het beheer van de gehele keten, die Friesland Campina in de hand heeft. Friesland Campina verwerkt jaarlijks zo’n 8,5 miljard liter melk. Deze melk (voornamelijk afkomstig van de leden) vindt de weg via traditionele wegen naar de klant en Ben Scholman noemt dit de ‘voorwaarts geïntegreerde keten’. Daarnaast introduceert hij de ‘achterwaarts geïntegreerde waardeketen’: aan het eind van de keten (bij de markt) is de meeste waarde toegevoegd aan de oorspronkelijke melk. Door beide ketens op elkaar af te stemmen is het mogelijk om de maximale waarde uit melk te verkrijgen. Hiertoe zouden de veehouders hun melk (-samenstelling) moeten afstemmen op de specifieke marktbehoeftes. Het is immers zonde om weidemelk te gebruiken voor bijvoorbeeld Goudse exportkaasproductie wanneer deze melksoort geen vereiste is hiervoor. In de afgelopen 5 jaar zijn er veehouders geselecteerd om zich te focussen op produceren van melk met een andere vetzuursamenstelling. Per 1 september is dit concept aangepast: koeien optimaal verzorgen, 100% Nederlandse melk (traceerbaar), lekkerdere melk, melk met verbeterde voedingswaarde, melk met vitamines en mineralen (meer en divers dan gewone melk heeft). Om bovenstaande te realiseren is het volgens Ben Scholman nodig om het ‘boer – melk ontkoppelpunt’ te verleggen richting het verkooppunt en ultiem ook bij marketing & verkoop. Voorbij het ‘boer - melk ontkoppelpunt’ weet de boer niet meer wat er met zijn melk gebeurt. Er zijn een viertal verschillende modellen weergegeven waar het ontkoppelpunt steeds verder achter in de keten is gelegd. Het basismodel (van de huidige situatie) geeft weer dat het ontkoppelpunt vlak na de boerderij ligt. Hier geldt een generieke melkspecificatie. Melk = melk en de uitbetaling geschiedt op generieke waarden op vet/eiwit/kwaliteit, onafhankelijk van het doel van de melk. Het ultieme doel is hierbij om een maximale waarde te genereren uit de melk. Dit zal samengaan met veel nauwere banden tussen melkveehouder, de coöperatie en de markt. Kortom: ‘Meer waarde uit deketen’.

Inhoud van melk

Elsa Antunes Fernandes, Wageningen University, `Technieken voor ontrafelen van de melksamenstelling. Melk bestaat grofweg uit: 87% water, 4.6% lactose, 4.4% vet, 2.7% caseine, 0.7% wei eiwitten, 0.7% mineralen en 0.2% organische zuren. Deze samenstelling is niet constant, maar varieert door verschillende omstandigheden zoals; diergezondheid, voeding, genetische afkomst etc. Omgekeerd kan worden gezegd dat diermanagement de melksamenstelling beïnvloedt. Om inzicht te krijgen in de melksamenstelling is het essentieel om de variaties ervan in beeld te krijgen. Melkcomponenten kunnen steeds nauwkeuriger worden aangetoond, ook vluchtige componenten. Voor het meten van de variaties van melkcomponenten licht Elsa een aantal methoden toe: De klassieke Gerber methode voor de bepaling van uitsluitend het vetgehalte vereist veel stappen met bovendien een hoge variatie in de vetgehalten. De Milko-tester was een verbetering ten opzichte van Gerber, deze methode was sneller en nauwkeuriger. De huidige Infrared Spectoscopy maakt gebruik van verschillende golflengten en daarmee kunnen verschillende componenten gemeten worden. Met gas chromatografie in combinatie met massa spectrometrie kunnen vluchtige stoffen worden aangetoond, zoals aldehyden, ketonen en alcoholen. Deze kunnen een indicatie geven over de gezondheid van de koe. Dit geeft een mogelijkheid tot vroegtijdige mastitisdetectie en kan de bacteriologische monsters wellicht vervangen (met als voordeel snellere resultaten/inzichten en lagere kosten). Elsa gaat vervolgens dieper in op het scheiden van componenten: de proteomics methode SDS-PAGE geeft de eiwitsamenstelling (fracties) weer van het melkserum door middel van gel-electroforese. Via LC/MSMS-analyse wordt een verdere analyse verkregen tot het aantonen van peptides waardoor de eiwitsamenstelling van de melk kan worden gemeten. Hierbij wordt onder meer inzicht verkregen in de genetische variaties in eiwitsamenstelling. ‘Nuclear Magnetic Resonance’ (NMR) is een ‘cutting edge’- techniek die het mogelijk maakt om een breed scala aan metabolieten in melk te kwantificeren. De toepassing van deze techniek is divers (ook buiten de zuivel) en een aantal toepassingen zijn: Het aminozuur-profiel bij rijpen van kaas, ,de bepaling van kwaliteit + identiteit van zuivelproducten en fysieke eigenschappen van melkvet Bovendien kan informatie worden verkregen over de gezondheidsstatus van de koe. Door NMR te koppelen aan de metabolisme van de koe wordt getracht potentiële ziekte- situaties van de koe vroegtijdig aan te kunnen tonen. Vlak na het afkalven heeft de koe een negatieve energiebalans (NEB) en normaliter vanaf ± 2 weken een positieve energie balans (PEB). De (toekomstige) volgende stap is deze NEB en PEB beter te begrijpen. Er is een stofje duidelijk en constant aanwezig (dat nog niet geïdentificeerd is) maar de concentratie van dit stofje verschilt bij NEB en PEB. Wellicht is er een directe relatie met dit stofje en de potentiële ziektestatus van de koe. Vervolgonderzoek zal nodig zijn en ook gedaan worden om deze techniek en toepassing verder te verbeteren. In ieder geval is NMR een techniek waar veel potentie in zit en die in staat is de melksamenstelling tot in details te ontrafelen.

Verslag: Roy Timmermans

Melk; natuurlijk gezond.

 

                                                                    Verslag: Willem van Middendorp

Introductie.

De nieuw aangetreden voorzitter Margreet Hovenkamp mocht tijdens het voorjaarssymposium van 2011 meteen als dagvoorzitter aan de bak. Voor de ca. 80 aanwezigen was de Haak-zaal van de Hof van Wageningen wat aan de grote kant, maar het comfort van goede presentatiemogelijkheden (zowel beeld als geluid) vergoedde veel. Ter introductie verwees de dagvoorzitter naar de vernieuwde website en het 'LinkedIn account' van het Genootschap. Op beide internetpaden zijn - voorzichtige - vervolgstappen gezet.

Het symposiumonderwerp diende zich als vanzelf aan, wanneer trends nader worden beschouwd, aldus de voorzitter.

Melk blijkt niet langer meer de logische drank bij ontbijt en lunch te zijn. De consument neigt meer naar frisdrank of sap. Hoe staat het eigenlijk met het imago van melk? Er is veel goeds te melden over melk, maar is het nodig om dat allemaal op het etiket te zetten? Hoe goed is melk eigenlijk?

Een rij van zes sprekers liet achtereenvolgens zijn of haar licht op een deelonderwerp schijnen.

lees verder

Melk; natuurlijk gezond.

Verslag: Willem van Middendorp

Introductie.

De nieuw aangetreden voorzitter Margreet Hovenkamp mocht tijdens het voorjaarssymposium van 2011 meteen als dagvoorzitter aan de bak. Voor de ca. 80 aanwezigen was de Haak-zaal van de Hof van Wageningen wat aan de grote kant, maar het comfort van goede presentatiemogelijkheden (zowel beeld als geluid) vergoedde veel. Ter introductie verwees de dagvoorzitter naar de vernieuwde website en het 'LinkedIn account' van het Genootschap. Op beide internetpaden zijn - voorzichtige - vervolgstappen gezet.

Het symposiumonderwerp diende zich als vanzelf aan, wanneer trends nader worden beschouwd, aldus de voorzitter.

Melk blijkt niet langer meer de logische drank bij ontbijt en lunch te zijn. De consument neigt meer naar frisdrank of sap. Hoe staat het eigenlijk met het imago van melk? Er is veel goeds te melden over melk, maar is het nodig om dat allemaal op het etiket te zetten? Hoe goed is melk eigenlijk?

Een rij van zes sprekers liet achtereenvolgens zijn of haar licht op een deelonderwerp schijnen.

Met melk méér motor

Johan Schildkamp – communicatiemanager bij NZO – beet de spits af. Met zijn meer dan dertig jaar ervaring in de zuivelmarketing was hij in staat de marktsituatie en het imago van drinkmelk in een breed perspectief te beschouwen.

In de afgelopen tien jaar is de totale melkconsumptie per capita redelijk stabiel gebleven. Er is wel een verschuiving te constateren in de richting van de niet-huishoudelijke markt. De daling in het consumptiemelkgebruik is terug te voeren op de verminderde intensiteit van het melkgebruik en in de substitutie door melkdranken. Het aantal mensen dat nooit melk drinkt is over de jaren redelijk stabiel gebleven.

Het melkgebruik fluctueert met de leeftijd. Zo tussen de 12 en 20 jaar wordt gestart met koffie en alcohol en gaat de moet-fase over in de keuze-fase en wordt melk drinken gewoontegedrag. Dit wijzigt pas weer rond het 55ste levensjaar, wanneer gezondheidsgedrag het melkgebruik gaat beïnvloeden.

De dagmomentpenetratie van het (karne)melkgebruik ligt duidelijk bij de lunch en in mindere mate bij het ontbijt.

De capitaconsumptie van drank (in liters per hoofd per jaar) ligt op 550 liter. Melk en melkdranken hebben daar zo’n 80 liter van, hete dranken ca. 200 liter, frisdrank ruim 170 liter en alcoholische dranken bijna 100 liter. Daarbovenop komt nog ca. 150 liter kraanwater.

Het imago: ‘melk is gezond’ wordt nog steeds door meer dan 80% van de consumenten als goed passend gekwalificeerd. Hetzelfde geldt voor de uitdrukking: ‘melk is natuurlijk’.

Gerekend naar de bekendheid van de consument met - bijvoorbeeld - het vetgehalte wordt de informatie op het etiket niet of nauwelijks gelezen. Nog geen 4% van de respondenten weet het juiste vetgehalte van halfvolle melk te noemen.

Als promotiedoelen wordt de laatste tijd de nadruk gelegd op drie redenen om elke dag zuivel te eten en te drinken nl. lekker, natuurlijk en voedzaam. Hiervoor is door de NZO zelfs Joris Driepinter weer in beeld gebracht.

Voor de jeugd van 12 tot 20 jaar wordt aangegeven, dat melk past in de jeugdcultuur, dat melkvet niet dik maakt en dat de productieomstandigheden diervriendelijk zijn (koe in de wei).

Bij de 20-55 jarigen moet opgebokst worden tegen het idee, dat melkvet dik maakt, plantaardig vet beter zou zijn en er (vermeende) allergieën zijn. In de promotie wordt opgesomd, dat melk hoort in het Nederlands voedingspatroon, melk een hoge nutriëntendichtheid heeft en de productieomstandigheden gunstig zijn (koe in de wei, herkomst niet ver en het hoort bij de Nederlandse cultuur).

Jaap Schrijver verbaast zich over de vermelde totale drankconsumptie van 700 liter per jaar. Dat is minder dan twee liter per dag. Is dat niet weinig? Uit de zaal wordt gemeld, dat de vochtconsumptie ligt op ca. 1,7 liter per hoofd per dag. Oftewel: het klopt.

Tim Lambers wil weten hoe het zit met het gebruik van melkanalogen bijv. soyadranken. Van deze wordt geclaimd, dat ze melkvervangers zijn, maar dat kan alleen, wanneer ze chemisch worden bijgestort.

De spreker heeft hier geen cijfers van beschikbaar.

Consument en Gezonde zuivel

De afgelopen jaren is de marktsituatie voor voedingsmiddelen in belangrijke mate gewijzigd, aldus Martijn Morsink – productmanager bij Campina. De producentenmarkt - met een beperkt aantal merkaanbieders - is veranderd in een consumentenmarkt - met een groot aantal aanbieders - (A-merken en huismerken). De verse zuivelmarkt is daarvan een prachtig voorbeeld. De afgezette hoeveelheid in de detailhandel is redelijk stabiel, maar er zijn meer verschillende aanbieders.

Verse zuivel wordt gekocht in de supermarkt en wel gemiddeld 1,4 keer per week. Zuivel ligt dan ook bijna altijd in het winkelmandje, want gemiddeld bezoekt de consument 1,9 x per week de supermarkt.

Enquêtegegevens leveren verder op, dat een huishouden 170 euro per jaar uitgeeft aan verse zuivel.

Er zijn diverse consumententrends te traceren:

- Hang naar authenticiteit (echte, eerlijke producten, die op een goede manier gemaakt zijn)

- Behoefte aan transparantie (regionale productie of zelfs ‘local for local’)

- Belang van gezondheid (consument wil weten, dat goede keuzes gemaakt worden, product moet
aantrekkelijk zijn, maar ook geloofwaardig in de markt gezet worden)

- Nut van duurzaamheid (CO2-reductie, methaanuitstoot, klauwgezondheid van de melkkoe,
FSC-geproduceerd karton)

- Oog voor de publieke opinie (let op ‘Wakker Dier’ en 'Foodlogs' etc.)

De consumentenperceptie ten aanzien van melk is ook gewijzigd:

- Steeds kritischer houding in het algemeen m.b.t. voedsel

- Melk wordt als belangrijk voedingsmiddel in het eetpatroon van het gezin gezien.
Die moet dus intrinsiek goed zijn.

- Innovatie van melk kan wel, maar is alleen geloofwaardig, wanneer het natuurlijke karakter
gehandhaafd blijft.

- Toch blijft de kennis van de intrinsieke waarden van melk beperkt.

Campina ziet als A-merk fabrikant voor zich een rol in de markt als vernieuwer en innovator. Zo wordt een beroep gedaan op de emotionele relevantie voor de consument, waardoor een onderscheid gemaakt kan worden t.o.v. de concurrentie.

De huidige merkcommunicatie bestaat dan ook uit een belofte (100% Nederlandse melk), die wordt onderbouwd (het beste uit melk) en van een ‘license to produce’ voorzien (duurzaamheid, dierwelzijn).

Dit wordt ondermeer gecommuniceerd via Campina Boerderijdagen. In 2009 betrof dat 55 boerderijen met 80.000 bezoekers, gevolgd door een gestage groei in de volgende jaren. Inmiddels zijn er Boerderijdagen het gehele jaar door.

Een andere actie is die van “Boer zoekt jou”. Een Campina-boer(in) komt in de winkel langs voor een signeersessie en vertelt waarom Campina-melk anders is. Hiermee wordt onderstreept, dat Campina-melk bij hem/haar vandaan komt.

Iemand vraagt: hoezo Campina-melk onderscheidend? Morsink antwoordt: AH zal het A-merk niet promoten en daarom legt Campina de eigen bedrijfsvisie ook zelf neer. De promotie van weidegang bijvoorbeeld wordt door andere aanbieders gevolgd, maar Campina koppelt dat aan andere factoren zoals bijv. 100% Nederlands.

Dhr. Ab Wilbrink weet, dat prof. Katan anti-melkvet is, maar hij zegt wel dat delen van de melk die wel gezond zijn benadrukt moeten worden. Hoe speelt Campina daar op in? Volgens Morsink kan dat gemakkelijk door de nutriëntendichtheid te benadrukken. Dat is zelfs de toekomstige benadering. Titel: ‘The goodies of milk’.

Fred van Luin en Leonie van Zuilichem nuanceren het plaatje van de ‘kritische' consument; de consument is vooral ‘onkundig’ of heeft vooroordelen. Morsink antwoordt dat de signerende boer toch authentiek is. Dit wordt door van Luin niet beaamd, want die melk komt van andere boeren. Toch is de garantie, dat het Nederlandse boeren zijn, aldus Morsink.

Nutriëntendichtheid van melk

Prof. Edith Feskens van de afdeling Humane Voeding van Wageningen Universiteit schetste een beeld van het onderzoek naar voedingspatronen als middel om gezonde eetpatronen te identificeren. Aansluitend kunnen de componenten in die diëten worden bestudeerd.

De Amerikaanse ‘2005 Dietary Guidelines’ hanteren het begrip nutriëntendichtheid om de consumptie van nutriëntrijke voedingsmiddelen te promoten. Deze richtlijnen zien mager vlees, vetvrije en halfvette zuivelproducten, complete en verrijkte granen, peulvruchten, groenten en fruit als nutriëntdichte voedingsmiddelen.

De laatste jaren is er door voedingswetenschappers veel werk gedaan aan voedselprofilering voor wat betreft nutriëntendichtheid. Verse melk bekeken op nutriëntendichtheid geeft een hoge score voor vit. B12 en een redelijke voor biotine, foliumzuur en vit. B2, terwijl eiwit, vit. K en vit A ook nog aardig uit de bus komen.

De energiedichtheid van voedingsmiddelen(Hoog ED-voedsel) moet worden gereduceerd. De mens is namelijk geneigd een constante hoeveelheid voedsel te consumeren om verzadigd te raken. Hoog ED-voedsel veroorzaakt dan passieve overconsumptie in termen van totale energieopname. De extra smakelijkheid van Hoog ED-voedsel draagt ook nog bij aan overconsumptie.

Bij een vergelijking van de gemiddelde kosten per 100 g in relatie tot de gemiddelde energiedichtheid van een negental voedselgroepen valt op, dat groenten en fruit zowel lage kosten hebben als een lage energiedichtheid. Vlees en vis zijn relatief hoog geprijsd bij een gemiddelde energiedichtheid. Vetten en oliën met een relatief hoge energiedichtheid zijn daarentegen weer laag geprijsd.

Een maat om de nutriëntendichtheid af te zetten tegen de energiedichtheid is de USA NRF9.3-index. Waarbij NRF staat voor ‘Nutrient Rich Food score’ en 9 het aantal positieve nutriënten vertegenwoordigd en 3 de negatieve. Het kan ook met NRF 6.3 of NRF 11.3 en zelfs NRF 15.3. Een ander model werkt met nutriënten, die beperkt moeten worden (LIM: Limited Nutrient Score) bijv. verzadigd vet, toegevoegd suiker of natrium).

Voor eiwitten, vitaminen en mineralen zijn RDV’s opgesteld (RDV=aanbevolen dagelijkse waarden). Bijv. eiwitten 50 g, vit. A 800 RE, magnesium 375 mg en vezels 25 g. Daarnaast zijn er MDV’s (maximale hoeveelheden), bijv. verzadigd vet 20 g, totaal suiker 90 g en natrium 2400 mg.

Op basis daarvan kan gekomen worden tot een Gezond eten index (HEI= healthy eating index). Voedingsmiddelen met een hoge NRF 9.3 komen daar het dichtst bij.

Ter illustratie presenteerde prof. Feskens resultaten van de zgn. Rotterdam studie. Tussen begin jaren negentig van de vorige eeuw en 2007 zijn uitgebreide voedingspatroongegevens verzameld.

Het betrof een totaal van 7000 personen.

De resultaten werden ingedeeld in tertilen (derde deel van het totaal aantal).

Geconcludeerd kon worden, dat betrokkenen in het hoogste tertile van de NRF 9.3-score meer fruit, groenten, granen, vis en melk(producten) consumeerden. Daarnaast aten ze minder brood en aardappelen, zetmeelproducten, noten, zaden en snacks, suiker en zoetwaren, vetten en oliën en ook vlees. Verdere karakteristieken waren, dat ze jonger waren, er meer vrouwen deel van uit maakten en ze minder rookten.

Het aantal hartinfarcten lag in het laagste tertile op 15% tegen 11% in het hoogste tertile.

De sterfterisico’s ontliepen elkaar niet zoveel tussen de onderscheiden tertilen.

Nader onderzoek zal nodig zijn om verbanden met doodsoorzaken te kunnen leggen. Ter discussie staat in hoeverre de HEI of de hoeveelheid nutriënten of de weging van de nutriënten de beste index zou kunnen geven.

Klaske van Hoeij heeft begrepen, dat – op zich – aankomen met vet niet lukt. Edith Feskens antwoordt dat daar het verzadigingsgevoel een rol in speelt, en dat ligt zeer ingewikkeld.

Jaap Schrijver wil weten in hoeverre via de voedingsvragenlijst een te lage energie-inname wordt gesignaleerd. Dat is lastig aldus de inleidster, want je zou dan ook moeten weten hoeveel ze bewegen etc..

Willem Postma vraagt: is vet in principe fout? Het antwoord is nee, want wanneer je het op de goede manier verbrandt, heb je vet nodig. Zie bijvoorbeeld de Tour de France renner die verbruikt 8.000 tot 10.000 kcal/dag.

Hein van Valenberg constateert, dat de MOV’s nog niet in de NRF-indexen zitten. Edith Feskens onderkent dat en zegt dat het plaatje nog niet compleet is en nog geoptimaliseerd kan worden.

Claims

Dr. Ingeborg Bovee-Oudenhoven projectmanager gezondheid van NIZO food research geeft een beeld van het werk van EFSA (European Food Safety Authority). Speciale aandacht is er voor darmgezondheid en claims m.b.t. immuunsystemen.

EFSA is in 2002 opgericht door de Europese Raad en het Europese Parlement. Het is een onafhankelijk orgaan voor risicoafweging in de voedingsketen. In het strategisch plan is opgenomen, dat bescherming van de volkgezondheid basisdoelstelling is en dat het de bedoeling is het consumentenvertrouwen in de Europese voedselvoorziening te vergroten. De thuisbasis van de Voedselveiligheidsautoriteit is gelegen in Parma, Italië.

In juli 2007 heeft EFSA een deskundigenpanel gevraagd het voortouw te nemen in de wetenschappelijke beoordeling van gezondheidsclaims. Doelen zijn tot harmonisatie van regels te komen en consumentenmisleiding te voorkomen.

Er zijn drie typen gezondheidsclaims:

Artikel 13.1 bevat de regeling voor algemeen geaccepteerde claims, waarbij er dan van uit mag worden gegaan, dat er wel een minimale hoeveelheid van het geclaimde in het product zit (bv calcium draagt bij aan de normale botontwikkeling).

Artikel 13.5 benoemt claims op basis van nieuwe wetenschappelijke bevindingen. Zgn. functionele innovatieve claims. Hierbij kan bescherming van het eigendom van data gevraagd worden (vijf jaar). Veelal gaat het hierbij om pro- en prebiotica.

Hetzelfde geldt voor het derde type:

Artikel 14 betreft vermindering van ziekterisico’s en omschrijft claims m.b.t. kinderen.

(voorbeelden: ‘probioticum x stimuleert het immuunsysteem van de darmen’ of ‘probioticum y doet het aantal bifidobacteriën in de darmen toenemen’ of ‘plantaardig product z vermindert het serum LDL’).

Medicinale claims zijn niet toegestaan. Dus geen wervende teksten in de richting van genezing van ziekte, het verlichten van ziekteverschijnselen of het voorkómen van ziekte. Oftewel: de consumptie van voedingsmiddel x reduceert significant een risicofactor op het ontwikkelen van een ziekte en niet: de consumptie van voedingsmiddel x voorkómt significant een ziekte.

Risicofactoren moeten meetbaar zijn en een kwantitatieve relatie hebben. Er moet ook een biologisch plausibele relatie zijn tussen de risicofactor en de ziekte. De risicofactor is een onafhankelijke voorspeller van de ziekte.

Bijv. LDL is een onafhankelijke risicofactor voor hartfalen.

In plaats van risicofactoren kunnen ook geijkte bio-indicatoren als objectieve vergelijkingsmaatstaf gelden.

EFSA evalueert gezondheidsclaims op wetenschappelijke basis tegen een geharmoniseerde achtergrond. Als criteria gelden: voldoende karakterisering van de voedingscomponent, passend in een gebalanceerd dieet, bekende doelgroep, resultaten interventiestudies beschikbaar, geclaimde effect is te testen en te meten en het heeft een bevredigend fysiologisch effect. Daarnaast moeten er resultaten zijn van dier- dan wel in-vitro-onderzoeken.

Tot nu toe zijn de uitkomsten van onderzoeken naar claims m.b.t. darmgezondheid of invloed op het immuunsysteem frustrerend te noemen. Bijvoorbeeld die naar probiotica. Bovendien moet het in een gebalanceerd dieet passen (een probioticum in lollies maakt weinig kans op toestemming).

De claim richt zich soms op het ziekteproces en dat mag nu eenmaal niet (bijv. ‘voorkómt darminfecties’ of ‘verbetert allergische reactie’). Het kan ook zijn, dat de onderzoekresultaten geen bevredigend fysiologisch effect opleveren (bijv. ‘doet de bifidobacteriën in de ingewanden toenemen’ of ‘stimuleert specifieke cytokines’). Het geclaimde effect is in een ander geval niet specifiek genoeg om te meten (bijv. ‘stimuleert het immuunsysteem’). De doelgroep kan een andere zijn dan de bestudeerde (bijv. patiënten in het ziekenhuis of een specifieke leeftijdsgroep). De voedselcomponent kan onvoldoende gekarakteriseerd zijn (bijv. probioticum is niet geïdentificeerd op moleculair niveau of er is een variatie in calciumbronnen). Het houdt vanzelfsprekend ook op, wanneer er (nog) geen interventiestudies beschikbaar zijn. Door algemene informatie te verzamelen en conferenties te organiseren wordt nu geprobeerd uit de impasse te komen.

Speciale aandacht is er voor claims, die een betere ontlasting beogen. Nagestreefde positieve fysiologische effecten zijn: verminderde doorstroomtijd, vaker en minder harde ontlasting, toegenomen hoeveelheid fecaliën en verminderd gevoel van onbehagen in de darmen.

Zowel bij lactose-intolerantie als bij ijzerdeficiëntie zijn er al producten op de markt met geaccepteerde claims m.b.t. respectievelijk verbeterde vertering en verbeterde absorptie.

Claims t.a.v. het verband tussen samenstelling van de darmflora en gezondheid zijn tot nu toe door EFSA niet geaccepteerd. Wel is onderkend, dat pathogene bacteriën of hun toxinen erdoor kunnen worden gereduceerd, dan wel dat er een bescherming tegen pathogenen vanuit gaat. Claims zouden dan ook in die richting geformuleerd moeten worden: ‘reduceert pathogenen/toxinen’ of ‘reduceert de risico’s van darminfectie’.

Claims op het gebied van het immuunsysteem hebben wel de aandacht van EFSA, maar zijn nog onderwerp van studie. Bijv. het verband tussen bepaalde cytokines in de darm en de vermindering van het aantal pathogenen.

Jan Wouters wil weten, wie vanuit Nederland in de EFSA-commissie zitten. De inleidster antwoordt, dat o.a. Henk van Loverden er deel vanuit maakt. Overigens kan men ook externe experts aantrekken.

Wat te doen met afgewezen claims, vraagt Piet Verhagen. Antwoord: de VWA zal erop toezien, dat ze niet (meer) gebruikt worden. Joyce Stoppelaar merkt naar aanleiding daarvan op, dat oorspronkelijk sprake was van batchgewijze toelating met alle concurrentienadelen van dien. Inmiddels is besloten toch alles in één keer te beoordelen. De VWA zal de claimbeoordeling afwachten en dan controles gaan uitoefenen.

Volle zuivel positief

Natuurlijke voedingsstoffen - die rijk aan nutriënten zijn - kunnen het immuunsysteem ondersteunen. Hierdoor is er een significante daling zichtbaar van luchtweginfecties bij kinderen. Er zijn geen bijwerkingen en het antibioticagebruik wordt teruggedrongen. Dat zijn de conclusies van het onderzoek, dat kinderarts mevr. Ellen van der Gaag - verbonden aan Ziekenhuisgroep (ZTG) Twente – in haar inleiding presenteerde.

Ze pakte - met haar groep – een veel voorkomend probleem aan, van kinderen onder de vier jaar, die ‘kwakkelen’ met de gezondheid. Het ging daarbij om recidiverende infecties en moe voelen. Kortom ‘niet lekker te pas’ zijn. Omdat voor 70% geen medische verklaring gegeven kon worden, was er ook geen therapie beschikbaar.

Het onderzoek richtte zich op een evaluatie van het kwakkelen en het vergelijken van kinderen met recidiverende infecties en kinderen uit de gezonde controles (op de poli oogheelkunde). Er werden vragenlijsten gehanteerd met aandacht voor de thuissituatie, de gezondheid van kind en ouders, het gedrag rondom het eten, de voeding en de kennis over voeding en tenslotte het gedrag rondom ziekte.

Het bleek dat kwakkelende kinderen meer verkouden zijn (19 dagen tegenover 6), meer dagen koorts per maand hebben (7,8 tegenover 1,4), meer antibiotica-kuren per jaar hebben (2,1 tegenover 0,2) en meer moe zijn.

Infectiekinderen bleken te weinig vlees, vis en groente te eten ten opzichte van controlekinderen. De gezinssamenstelling verschilde niet, terwijl er ook geen verschil was in crèchebezoek en in kennis over voeding. Het waren ook geen slechtere eters. Wel viel op, dat kwakkelkinderen vaker zelf bepalen hoeveel ze eten. Hun ouders maakten zich meer zorgen en er was meer medisch gericht gedrag. De ouders zelf waren ook minder gezond.

Dit leidde tot de hypothese, dat voedingsmiddelen met een hoge voedingswaarde kunnen bijdragen aan de gezondheid van kinderen. Volle zuivelproducten zijn rijker aan voedingsstoffen en daarom is het voor de hand liggend om die te kiezen. Hier kwam het volgende voedingsadvies voor drie maanden uit voort: drie maal per week rundvlees, vijf maal per week groene groente, dagelijks roomboter, dagelijks volle melk/yoghurt. Dat alles in normale peuterporties. Het onderzoek werd met 75 kinderen begonnen, waarvan 61 het uiteindelijk ook hebben afgerond.

De verkoudheidsdagen namen in de loop van de drie maanden af van bijna 16 naar ruim 11. Temperatuurverhoging, koorts en antibioticagebruik waren opmerkelijk veel lager.

Op zoek naar het waarom van de positieve werking viel op, dat volle melk extra vitamine A, ALA (alfa-linoleenzuur) en vitamine E levert. Rundvlees scoort goed met ijzer, selenium, vit. A, - B12 en – E. De groene groenten voegen m.n. ijzer en vit. B11, A, C en E toe.

Vitamine A wordt niet door het lichaam zelf geproduceerd, maar is nodig vanwege de rol bij mucosale afweer en het aantrekken van lymfocyten ter infectiebestrijding. Vitamine C werkt als antioxidant in de luchtwegen, zorgt voor proliferatie van T lymfocyten en bevordert het herstelproces na infectie. Van ijzer is bekend, dat bij tekorten meer infecties en minder weerstand optreedt. IJzer bevordert zowel de humorale (tegen soortvreemde eiwitten), celgemedieerde als de niet-specifieke weerstand.

Ter relativering van de onderzoekresultaten noemt dokter v.d. Gaag een aantal beperkingen. Zo waren de groepen wat klein en was er geen controle wat de kinderen hadden gegeten. Alleen de producten werden genoteerd en de variaties en kookmethode van groentes en vlees zijn niet bekend. Was het vers, uit de diepvries of uit een potje?

Tenslotte blijft onzeker welk bestanddeel uiteindelijk heeft geholpen.

Er zijn daarentegen voldoende voordelen te noemen, zoals ‘geen bijwerkingen’ en het valt in te passen in het normale leefpatroon. Het is een klinische aanpak en ouders zijn zich bewust van de voordelen van de voeding. De ouders kunnen er zelf wat aan doen, wat voor hen ook leidt tot minder verzuim van werk.

Voor de toekomst is duidelijk, dat voeding een bijdrage lijkt te hebben gegeven. Een vraag blijft nog: wat kunnen we met het gedrag?

Ton Maas wil meer weten van de controlegroep. De inleidster antwoordt dat de kwakkelkinderen hun eigen controle zijn geweest. De eerste maand was de nulfase. Aan deze keuze lagen klinische overwegingen ten grondslag. Het niet behandelen van een deel van de kinderen was niet te verkopen aan de ouders.

Jolanda van Duinen vraagt of deze kinderen niet alleen iets meer vitamines nodig hebben. Het antwoord luidt, dat er geen bewezen tekorten zijn. Wel was er soms een lage ijzerbalans, maar geen anemie. Sommige kinderen hebben net een wat hogere behoefte aan extra voedingsmiddelen dan anderen. Er was best wel sprake van een grote individuele variatie.

Barbara Hart is benieuwd of de ouders nu ook fitter zijn. Mevr. v.d. Gaag heeft dat niet teruggemeld gekregen, maar het hele gezin deed mee. De reactie was wel: ‘we hebben heerlijk gegeten deze drie maanden’.

Melk natuurlijk goed

Stefanie Oude Elferink – medewerker van FrieslandCampina – verzorgde een inleiding over ‘Het goede van melk’ i.s.m. Rolf Bos en Jan Steijns.

Ze schetste eerst een aantal wereldwijde megatrends:

- Economische macht verschuift naar Azië

- Globalisering van markten en bedrijven

- Onzekerheid en beweeglijkheid van markten

- Maatschappelijke zorg over duurzaamheid

- Consolidatie van de voedingsmiddelenindustrie

- Toenemende vraag naar voedingskundige voordelen.

De onderkenning van deze megatrends inspireerde FrieslandCampina tot een nieuwe marktbenadering, genaamd: route2020.

Vanuit een fundament van goede zuivel, ketenvoordelen, duurzame productie en een gedeelde manier van werken wordt met de juiste vaardigheden ingespeeld op klantenbehoeften.

Speerpunten voor waardegroei zijn daarbij zuiveldranken, merkkaas, wereldwijde kindervoeding, sterke posities & geografische groei, ‘foodservice’ Europa en interessante basisproducten. Dit leidt tot uiteindelijk tot ‘aspiratie’, oftewel: helpt mensen vooruit in het leven met natuurlijke zuivel en levert de meest aantrekkelijke zuivelonderneming voor ledenmelkveehouders op.

De werving voor melk wordt samengevat in: ‘No goodness of milk, no glory’. Anders gezegd: melk is Moeder

Natuur’s bijdrage aan een goed gebalanceerd voedingspatroon.

Gezondheidsautoriteiten over de gehele wereld bevelen het dagelijks gebruik van melk en zuivel aan. Melk heeft – per slot van rekening - een hoge nutriëntendichtheid met meer dan 400 macro- en micronutriënten, die nodig zijn voor energiestofwisseling, groei, ontwikkeling, onderhoud en bescherming.

Om voldoende calcium binnen te krijgen is de consumptie van 240 ml melk voldoende. Dit kan ook worden bereikt met 1385 g sla of 320 g broccoli. Duidelijk is dat melk en kaas veruit de belangrijkste bron van calcium zijn in het dieet (basis: Onderzoek in Duitsland). Duitse onderzoek toont ook aan, dat melk en kaas ook voor eiwit een belangrijke bron zijn, weliswaar naast vlees en worst. Verder staat de zuivel aan de top als bron voor vitamine B2 en vitamine B12. Brood is de belangrijkste bron voor zink, maar zuivel is goede tweede. Voor jodium incl. zout zit zuivel in de middenmoot en wordt voorbij gestreefd door alcoholvrije dranken, brood en vlees en worst.

Voor peuters en kleuters is de voedingsstoffenbijdrage van zuivel op alle fronten behalve vitamine C beter dan andere dranken.

Vanwege de voedingswaarde, de smaak en de toepasbaarheid wordt melkeiwit wereldwijd toegepast in zeer veel bijzondere voedingen. Melkeiwitten hebben een goede uitwerking voor spieren en botten.

Het voordeel van melksuiker is, dat het insuline niet overmatig stimuleert en voor ‘langzame energie’ zorgt.

Melkvetten verhogen o.a. de biobeschikbaarheid van vitamine A, maar ook van voorlopers van vitamine A, die aanwezig zijn in fruit en groenten.

Samen met zink, selenium, calcium, eiwit en sommige vetzuren dragen de vitaminen A en D bij aan immuniteit en weerstand. Calcium, eiwit, kalium en vitamine D werken samen om de botten gezond te houden.

Zuivelinname tijdens de eerste dertig jaren van iemands’ leven is de beste investering om een goede kwaliteit botten te ontwikkelen en te houden. Vandaar de winnende reclameslogan: ‘Your daily glass of gold!’.

Voorbeelden van nieuwe ontdekkingen en/of nieuwe inzichten die “The magic of milk” illustreren:

- Lactasenpersistentie (het vermogen om als volwassene lactose te verteren), in samenhang met zuivelgebruik, is in de loop van de evolutie van de mensheid een selectief overlevingsvoordeel gebleken, zo stelde de Britse hoogleraar Mark G. Thomas tijdens een lezing begin maart 2010 in Wageningen.

- Risico op suikerziekte is mogelijk drie keer lager door inname van een transvetzuur uit zuivelvetten (2010).

- Galactose mobiliseert vet uit vetweefsel en stimuleert verbranding bij zwaar overgewichtigen (2010).

- Joris Driepinter had toch gelijk. Volgens onderzoek van dr. Sabita Soedamah-Muthu, universitair docent bij de afdeling Humane Voeding van Wageningen University, zou de witte motor namelijk wel eens heel gezond kunnen zijn. Drie glazen melk per dag waren gerelateerd aan een 18 procent lagere kans op hart- en vaatziekten, zo blijkt uit haar publicatie in de American Journal of Clinical Nutrition van deze maand. (25 nov 2010).

De kersverse FrieslandCampina-boodschap luidt dan ook samengevat:

• Melk zit vol goede nutriënten

• Elke nutriënt heeft specifieke functies in het lichaam

• De nutriënten in melk spelen samen en versterken elkaars kracht, zoals muzikanten in een orkest

• De goedheid van melk is er in veel smaken en soorten

• We leren nog steeds nieuwe dingen over melk en de positieve rol van melk voor onze gezondheid


Kortom: ‘Embrace the goodness of milk’

Afronding

Met de slotmededeling dat het najaarsymposium 2011 gepland is op donderdag 10 november bij Qlip in Zutphen werd een lange leerzame dag afgesloten.

Verslag: Willem van Middendorp

Gezonde koeien, veilige melk

In de eerste plaats door adequate bedrijfsvoering door de melkveehouder, en deelname aan bestrijdingsprogramma’s, heeft Nederland de zoönosen onder de duim gekregen. Ook integrale kwaliteits-borging en een groot kwaliteitsbesef op de boerderij en in de rest van de productie-kolom zijn cruciaal. Melk van zieke dieren mag niet aan de fabriek worden geleverd. Mocht de door de melkveehouder aangeleverde melk voor verwerking toch besmet zijn met voor de mens overdraagbare dierziekten, dan is deze dankzij de diverse verwerkingsstappen (bijv. pasteurisatie) in de fabriek toch nog veilig. Aldus kan de boodschap van het voorjaarssymposium 2002 worden samengevat.

Dit symposium werd gezamenlijk met de Groep Geneeskunde van het Rund georganiseerd.

Lees verder

Secretariaat

Natalie Hotrum

NIZO food research BV
Postbus 20
6710 BA Ede

t: +31318659646
f: +31318650400

e: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Redactie

Willem van Middendorp






e: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Lidmaatschap

Voor slechts 20 euro per jaar bent u lid van Het Genootschap.

  • Toegang tot het besloten gedeelte van de website;
  • Deelname aan symposia tegen gereduceerd tarief;
  • Ontvangen van onze periodieke nieuwsbrief.

Interesse? Meld u aan bij de secretaris!