Op een waterkoude dag van november 2007 kwam een tachtigtal belangstellenden voor een symposium over   Gezonde Zuivel in Apeldoorn bijeen. Sprekers uit het bedrijfsleven en het onderzoek gaven een overzicht van de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van functionele zuivelproducten en de gezondheidsclaims. Op deze bijeenkomst kwamen het gebruik en regelgeving van ‘gezondheidslogo’s’, de regelgeving van gezondheidsclaims en de wetenschappelijke onderbouwing van claims aan de orde. Daarnaast werden voorbeelden uit de praktijk behandeld aan de hand van succesvolle producten.

 

Regelgeving van gezondheidsclaims.

Erika Smale, medewerker bij het Hoofdproductschap Akkerbouwproducten en lid van de Productschappencommissie Levensmiddelenwetgeving, behandelde de regelgeving rondom claims. Uitdrukkelijk beperkte ze zich tot voedings- en gezondheidsclaims en behandelde ze dus niet: schadeclaims. Regelgeving is nodig aldus mevr. Smale, om misleiding te voorkomen, gezonde voeding te bewerkstelligen en overgewicht terug te dringen. Een claim is een vrijwillige boodschap of bewering. Deze kan op het product worden weergegeven of in een folder of op internet worden vermeld. Het kan gedaan worden met woorden, symbolen of met illustraties. De producent heeft daarmee de bedoeling uit te drukken, dat het product bepaalde eigenschappen heeft.

Een claim is toegestaan, wanneer die voorkomt op één van de lijsten van de Europese Gemeenschap en voldoet aan de voorwaarden daarbij. Een claim mag bijvoorbeeld niet misleiden of vrees inboezemen.

Algemene voorwaarden bij een claim zijn, dat er wetenschappelijk bewijs voor is, d.w.z. getoetst door de Europese Voedsel en warenautoriteit (EFSA), dat het nutriënt-met-effect in significante mate aanwezig is in het eindproduct en dat er een fysiologisch effect is. Bij de beoordeling wordt eerst een voedingsprofiel opgesteld. Het gaat daarbij om de voedingskundige samenstelling van een levensmiddel (o.a. zout, suiker en vet). Bij een te hoge waarde van één of meer van deze stoffen kan er geen claim voor een dergelijk voedingsmiddel gelden. Tenminste geen gezondheidsclaim, maar in een enkel geval zou een voedingsclaim nog wel kunnen. Als één van de stoffen te hoog is, mag het levensmiddel wel een voedingsclaim dragen, mits de verhoogde stof duidelijk vermeld wordt.

Bij een voedingsclaim over een verlaagd gehalte aan vet, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suiker of zout/natrium hoeft de geclaimde stof niet binnen het voedingsprofiel te vallen.

Er geldt een overgangstermijn tot 19 januari 2009 voor claims binnen het kader van de verordening respectievelijk 19 januari 2011 voor huidige claims die niet onder de regelgeving vallen. Voor die tijd moeten de lijsten zijn samengesteld.

Gezondheidsclaims leggen een link tussen de consumptie van een product en de gezondheid. Ze kunnen in drie soorten ingedeeld worden: Generieke claims (zgn. artikel 13 claims), Ziekterisicobeperkende claims en Claims gericht op groei en ontwikkeling van kinderen. Ze moeten op de lijsten voorkomen en er geldt een autorisatie-procedure. Claims die niet mogen zijn bijvoorbeeld: claims m.b.t. de mate en de snelheid van gewichtsverlies, of met een aanbeveling van een individuele arts, of ‘het is schadelijk het levensmiddel niet te eten’.

In geval van een gezondheidsclaim moet er een volwaardige voedingswaardedeclaratie voorkomen. D.w.z. de grote acht (energie, vet, eiwit, koolhydraten, suiker, verzadigd vet, vezels en zout/natrium) plus de geclaimde stof. Op het etiket moet ook het belang van gevarieerde voeding worden vermeld, evenals de voor een effect benodigde hoeveelheid van het levensmiddel/nutriënt en een waarschuwing voor overmatig gebruik en voor wie het niet moet gebruiken.

Een voorbeeld van een generieke claim is: ‘calcium is goed voor de botten’. In dit geval is de claim gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. Dit type kan tot eind oktober 2007 worden aangemeld bij het Ministerie van VWS.

Een ziekterisico-beperkende claim is bijvoorbeeld: ‘calcium helpt botontkalking te voorkomen’. Hier zal vermeld moeten worden, dat bedoelde ziekte meer risicofactoren heeft en dat verandering van één van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.

Een kinderclaim: ‘goed voor de botontwikkeling van uw kind’

Bij de laatste twee claims geldt geen overgangstermijn, want deze soort claims bestaat nog niet. Dossiers moeten worden ingediend bij de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA).

Erika Smale formuleerde tenslotte een aantal aanbevelingen voor bedrijven: wat te doen?

-          alle vormen van communicatie nalopen: claims, etiket, reclame en logo’s

-          voldoet het aan de verordening?

-          wat zijn de overgangstermijnen?

-          is aanpassing nodig en wanneer? Hierbij overwegen: product aanpassen of claim aanpassen.

-          eventueel aanmelden.

Via www.plw.nl is de EU-verordening te raadplegen, zijn lijsten genoemd, zijn overgangstermijnen weergegeven en zijn informatieadressen beschikbaar.

Pieter Walstra wil weten aan welke definitie het wetenschappelijk bewijs voldoet. Erika Smale antwoordt dat dit in handen is van de EFSA en waar de EFSA de lat gaat leggen is nog onbekend.

Hans van Schijndel bepleit om in de voedingsprofielen het dagelijkse eetpatroon mee te wegen. Het antwoord is dat dit door EFSA ook wordt gedaan.

René Floris krijgt te horen dat de controle door de VWA zal worden uitgevoerd en Fons Michielsen krijgt nog geen uitsluitsel of ‘bevat rechtsdraaiend melkzuur’ kan. Dat laatste blijkt in discussie te zijn, omdat het de vraag is, in hoeverre de bewering significant is. Dat brengt hem tot de opmerking, dat - wanneer alles eerst op een lijst moet komen - vernieuwingen enorm vertraagd zullen worden.

Gevolgen van de claimsverordening voor de levensmiddelenindustrie

Ook Marieke Lugt van Friesland Foods bakent eerst haar verhaal duidelijk af. Het gaat over voedings- en gezondheidsclaims. Ze spreekt dus niet over milieukenmerken, niet over smaakvermeldingen (bv. minder zoete smaak), niet over schadevergoedingen en niet over claims die geen (vage) voedings- of gezondheidsclaims zijn.

Al eind jaren tachtig van de vorige eeuw werd in de EU over claimsharmonisatie gesproken. Nu lijkt het dan zover te zijn en toch zijn er nog een aantal praktische onduidelijkheden, vooral m.b.t. de classificatie van claims. Er wordt ook nog aan een ‘EU Guidance document’ (tekst ter introductie van de verordening om onduidelijkheden te verhelderen) gewerkt.

De reikwijdte van de verordening gaat verder dan alleen de etiketten van verpakte levensmiddelen. De verordening geldt ook voor reclame en presentaties, voor onverpakte levensmiddelen (behalve de etiketteringsverplichtingen), voor instellingen (restaurants, scholen, kantines) en voor handelsmerken, merknamen en fantasienamen.

Van een merknaam als claim heeft ze het voorbeeld: ‘Slankie ® Fris & Romig’. De fabrikant heeft een overgangstermijn tot 2022 om deze merknaam aan te passen.

Het voedingsprofiel staat centraal: een claim mag alleen op een product, wanneer dat aan het - nog vast te stellen - voedingsprofiel voldoet. Voor iedere claim is een dossier nodig. De diepgang van een dergelijk dossier is afhankelijk van de soort claim.

Producten die na 1 juli 2007 op de markt komen (zijn gekomen) moeten direct aan de eisen van de verordening voldoen.

Een claim als ‘de lekkerste’ valt niet onder de verordening, evenals ‘met 30% zuivel’.

Voor het “Ik kies bewust-logo” is door Nederland samen met Duitsland en enkele andere lidstaten een aanvraag ingediend om als generieke gezondheidsclaim te kunnen gelden.

Wat betreft de vergelijkende claims (artikel 9 van de verordening) is er nog steeds discussie over de interpretatie. Het gaat daarbij om een vergelijking met levensmiddelen zonder claim van dezelfde categorie. Het begrip categorie is echter niet nader gedefinieerd. Het verschil in de hoeveelheid nutriënt of energie moet worden aangegeven (Bijv. ‘light – 50% minder vet dan….’ Of ‘light – 0% vet’). De vergelijking moet waarschijnlijk betrekking hebben op een minimaal verschil van 30%.

De scheidslijn tussen voedingsclaim en gezondheidsclaim ligt daar waar de naam van de voedingsstof een indicatie bevat over de functionaliteit of het gezondheidseffect.

Voorbeelden zijn:

Voedingsclaim

Gezondheidsclaim

bevat luteïne

bevat anti-oxidanten

bevat BB-12

bevat probiotica

bevat vezels

bevat prebiotische vezels

Wanneer een gezondheidsclaim wordt gebezigd horen daar verplichte vermeldingen bij. Zo moet vermeld worden wat de benodigde hoeveelheid van een levensmiddel is - in combinatie met het consumptiepatroon - om het geclaimde effect te bereiken. Waar relevant moet een waarschuwing opgenomen worden van gezondheidsrisico’s voor bepaalde categorieën mensen (bijv. zwangere vrouwen, jongeren) of van de gevaren bij overmatig gebruik (bijv. bij een vezelrijk drankje kan een te hoge consumptie problemen met de stoelgang veroorzaken).

Uiterlijk in januari 2010 komt er een EU lijst met generieke gezondheidsclaims. De lidstaten dienen daartoe uiterlijk januari 2008 een voorstel in bij de Europese Commissie. Er is een voorlopige industrielijst van de EU branchevereniging voor de levensmiddelenindustrie (zie www.row.minvws.nl). Inmiddels staan er al bijna 800 claims vermeld.

Marieke Lugt geeft aan dat er nog wel wat punten ter opheldering over zijn. Zo moet er duidelijkheid komen over welke claim een voedingsclaim dan wel een gezondheidsclaim is. In het geval van een gezondheidsclaim, welke soort gezondheidsclaim. Een apart punt betreft de overgangstermijnen. Die moeten duidelijk en praktisch uitvoerbaar zijn. Een overgangstermijn van zes maanden voor het aanpassen van etiketten is in de praktijk moeilijk te realiseren. De toelatingsprocedure voor nieuwe claims moet zo kort mogelijk zijn. Nu duurt die minstens een jaar. Tenslotte is de uniforme toepassing in de EU een punt van aandacht. In België gaat men bijvoorbeeld al in januari 2008 over tot controles, terwijl daar in andere lidstaten nog geen sprake van is.

In de vragenronde noemt Jan Willem Rouweler de claim ‘30% zuivel’ een misleidende claim. Dat gaat voor Marieke Lugt veel te ver, temeer omdat er geen interpretatie is van het begrip ‘zuivel’.

Pieter Walstra ziet van dit alles niet veel goeds komen, wanneer hij op zijn vraag over de definitie van verzadigd vet het antwoord krijgt, dat hier nog discussie over wordt gevoerd.

Voorzitter Willem Postma vraagt zich af of de merknaam ‘Slankie’ gedoemd is te verdwijnen. Het antwoord is, dat er een vergelijking met andere producten gemaakt moet worden om de claim te onderbouwen. In de sfeer van: ‘je kunt er niet slank van worden, maar je kunt er wel slank van blijven.’

Probiotica.

‘Lactobacillen en bifidobacteriën voor uw gezondheid’ was de ondertitel van het verhaal van Hans van Schijndel, science manager bij Yakult Nederland bv.

Allereerst richtte hij zich op darmflora en bacteriën. De darmflora van de mens is bijzonder uitgebreid en blijkt uit ca. 1000 soorten bacteriën te bestaan. Het aantal bacteriën in de darm is onvoorstelbaar groot (ca. 1014). Kenmerken van een bacterie: ze zijn eencellig - zonder kern -, komen overal voor, delen ongeslachtelijk en hebben een stofwisseling. Bacteriën kunnen zowel pathogeen als functioneel zijn. Het geheel van bacteriën in het darmkanaal van mens en dier noemen we de darmflora of darmmicrobiotica. De darmflora ontwikkelt zich in het eerste levensjaar wanneer de maagzuurproductie laag is en het immuunsysteem zich ontwikkelt. De aeroben (E.coli, Streptococci) ontwikkelen zich het eerst en het meest heftig tot wel 1012 per gram faeces. Daarna komen de lactobacilli (106 per gram) en Bifidobacteriën (ca. 1012 per gram) tot ontwikkeling. In de periode van de borstvoeding ontwikkelen vervolgens de Bacteroides, Eubacteriae, Peptococcaceae (ca. 1012 per gram) en de Closteridiae (ca. 104 per gram). Op oudere leeftijd neemt het aantal Bifidobacteriën af en de Lactobacilli en Clostridiae nemen toe. Clostridiae kunnen dan problemen als darmstoornissen of toxinevergiftiging veroorzaken. In dat geval kunnen probiotica positief uitwerken.

Een gezonde darmflora ondersteunt de natuurlijke weerstand en bevordert de spijsvertering en stoelgang. De vorming van nuttige stoffen als SCFA (short chain fatty acids) kan helpen om dikke darmtumoren te voorkomen.

De darm fungeert als immuunorgaan. Tenminste 60% van de natuurlijke weerstand komt vanuit de darm.

Er zijn drie manieren om interventies te plegen op de darmflora nl. d.m.v. onderdrukken van bacteriën (antibiotica), (selectief) stimuleren van bacteriën (prebiotica) en toedienen van bacteriën (probiotica).

Pre- en probiotica kunnen tezamen worden gebruikt (symbioticum).

Dhr. Van Schijndel geeft vervolgens aan dat melkzuurbacteriën de GRAS-status (general regarded as save) hebben. D.w.z. dat ze als probiotica veilig in de voeding kunnen worden toegepast. Specifiek geldt dat voor Lactobacillus casei Shirota (LcS) waar dierstudies en klinische studies geen bijwerkingen hebben laten zien en er al een geschiedenis van veilig gebruik is van bijna zeventig jaar. LcS blijkt goed te kunnen overleven in het maagdarmkanaal.

Vervolgens toont de spreker positieve onderzoekresultaten van het effect van lactobacillen op rotavirusdiarree en het effect van bifidobacteriën op diarree-preventie. Van bifidobacteriën is ook een gunstig effect op obstipatie gerapporteerd evenals een effect op de immuniteit.

Lactobacillen en bifidobacteriën hebben een overlappend wekgebied, waarbij de effectiviteit van de bacteriën verschilt. De differentiatie kan gemaakt worden op de deelgebieden immuniteit en darmwerking en dat hangt samen met de plaats in de darm waar de bacteriën hun functie vervullen.

De uitdaging is nu om dat aan de consument uit te leggen. De verpakking (het Yakultflesje) is te klein om daarop de wetenschappelijke boodschap kwijt te raken. Vandaar dat diverse andere media worden gekozen. Naast lezingen op aanvraag, fabrieksbezoeken, perscontacten, sponsoring van tv-programma’s en een website worden een tijdschrift en een nieuwsbrief uitgegeven. Het tijdschrift Yakult Live verschijnt drie maal per jaar en bereikt 77.000 consumenten. De nieuwsbrief Probiotica komt twee maal per jaar uit en is gericht op de para-medische beroepsgroep (ongeveer 2300 (para) medici).

Peter Zuurendonk is de eerste vragensteller. Hij poneert dat niet alle lactobacillen dezelfde zijn. Er is naar zijn idee een grote stamspecificiteit t.o.v. de effecten. Daar is Hans van Schijndel het geheel mee eens. Tot op stamniveau zijn er verschillen. Frans Driessen wil nog wat meer weten van de geschiedenis van de Shirota-bacterie en wat voor goeds deze bacteriën hebben gedaan. Het antwoord is, dat in de jaren 20-30 van de vorige eeuw in Japan veel maagdarmproblemen voorkwamen en daardoor de levensduur lager was. Er werd gezocht naar een bacterie, die het maagzuur kon overleven en de galzouten aankon. De Shirota-bacterie bleek met name zeer effectief in het tegengaan van diarree bij kinderen.

Probiotische productlijn van Campina.

Dhr. Peter Zuurendonk zet een recht toe recht uit verhaal neer rondom Vifit. Hij bouwt het op langs een variant van het marketingschema (attribuut-‘ration of benefit’-(emotion of benefit) – eindwaarde) met dan in dit geval: ingrediënt-gezondheidseffect- claim – merk. Vifit is Campina’s merk voor darmgezondheid. Het bevat de melkzuurbacterie Lactobacillus rhamnosus Gorbach en Goldin (LGG) in de hoeveelheid van 5x107 /g met een dosering van 200 ml. Vifit werd al in 1994 in Nederland geïntroduceerd (eerst onder het MONA merk). Inmiddels zijn er diverse varianten: naturel, met suiker, light en met vezel.

LGG kan als veilig worden beschouwd gezien de historie ervan. Er is geen degradatie van mucus, geen BSH (galzout)-activiteit en geen correlatie met bacteriemie bekend. De functionele eigenschappen zijn nadrukkelijk stamspecifiek.

Studies met LGG tonen aan dat de darmflora gunstig beïnvloed wordt, met name door een stijging van de bifidobacteriën. Een andere studie toonde aan dat LGG helpt diarree te voorkomen en weer een andere dat het helpt de incidentie van antibioticumgeïnduceerde diarree te verminderen.

Consumptie van ten minste één portie Vifit per dag ondersteunt de barrièrefunctie van de darm, zo stond er in een Assessment Report van het Voedingscentrum (augustus 2006). Onder barrièrefunctie wordt de afweer tegen en het herstel na het binnendringen (van toxische verbindingen) en pathogene microorganismen verstaan.

In relatie tot de EU ‘claimsverordening’ (EC 1924/2006) vallen de declaraties rondom LGG-producten onder artikel 13: de lijst van generieke gezondheidsclaims. Daarbij worden zowel darmgerelateerde als weerstandgerelateerde claims benut.

Over de gehele wereld vermarkt het bedrijf Valio LGG-producten. Danone doet dat in de Verenigde Staten en Campina heeft Vifit. Vifit wordt gepositioneerd als zuivel met iets extra’s en als een extra gezonde zuivel. Over de jaren evolueerden de claims voor Vifit. Was het ‘verhoogt de weerstand en zuivert/reinigt het lichaam’ en daarna ‘verhoogt de weerstand/Vitamel’. Nu is het uitgemond in ‘voor een evenwichtige darmflora’.

Of in de oneliner: ‘Voel je Fit. Voel je Vifit’.

Aansluitend nodigde dhr. Van Schijndel de deelnemers uit om de proef op de som te nemen. Hier werd enthousiast gebruik van gemaakt.

Logo’s op het etiket.

Louis van Nieuwland gaf - vanuit het Voedingscentrum gezien - een beeld van logo’s op het etiket. De ondertitel van zijn inleiding was: ‘Snel bedacht, rampzalige praktijk en toch …perspectief’. In het eerste overzicht liet hij een palet van vijfenvijftig beeldmerken zien met een breed overzicht van levensmiddelenkeurmerken

Al inventariserend was zijn conclusie dat er ca. 20 serieuze keurmerken zijn. Om kaf en koren te scheiden is het Ministerie van VROM doende een website hiervoor te ontwikkelen.

De Sociaal Economische Raad (SER) heeft over keurmerken gemeld, dat ze alleen effectief kunnen zijn, in de zin dat ze transparantie op markten kunnen bevorderen, als ze op heldere en herkenbare wijze informatie geven over een onderscheidend kwaliteitskenmerk van een product. Logischerwijze moet zowel de visuele uiting als de inhoud van een keurmerk algemeen bekend zijn bij de consumenten. Een keurmerk moet vervolgens betrouwbaar zijn, bijvoorbeeld door toekenning en controle door derden. Uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen in keurmerken zeker niet optimaal is.

Dhr. van Nieuwland onderscheidt duurzaamheidlogo’s (bijv. footmiles/footprints) en voedingswaardelogo’s (bijv. het ‘ik kies bewust’ –logo). Het ‘ik kies bewust’-logo wordt door bedrijven ook gebruikt op hun website. Een minder elegant voorbeeld is het pronken met andermans’ veren van een bouillonproducerend bedrijf, dat het logo op het etiket plaatst zonder de woorden ‘ik kies bewust’, maar die vervangt door ‘geen E-nummers - puur en eerlijk’.

Het Voedingscentrum heeft een eigen voorlichtingsmodel ontwikkeld. Nadat in 2006 de herziene richtlijn Gezonde Voeding was verschenen, destilleerde het Voedingscentrum daaruit de richtlijnen voedselkeuze.

Bij (melk)producten hanteert het Voedingscentrum de volgende criteria (tabel).

A ‘Bij voorkeur’

B ‘Middenweg’

C ‘Bij uitzondering’

VV ≤ 0,5g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 120 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV ≤ 1,4g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 120 mg/100g

Toegev. suikers: 5 g/100g.

VV > 1,4g /100g

TV: niet toegevoegd

Na >120 mg/100g

Toegev. suikers: > 5 g/100g.

n.b. VV= verzadigd vet; TV= transvetten; Na = natrium

Het ‘ik kies bewust’-logo kan bij melk en melkproducten worden toegepast, wanneer die voldoen aan de ‘middenweg’, waarbij voor transvetten nog ≤ 0,14 g/100g wordt genoteerd. Dit wordt ook wel het ’artikel 13’-logo genoemd

Voor melkproducten met een verzadigd vetgehalte van ten hoogste 0,5 g/100 g kan het logo met het ‘gezonde keuze klavertje’ gebruikt worden. Dit geldt ook voor vruchtenyoghurt of zuiveldrank met maximaal zes gram aan suiker per 100 gram product.

  

De criteria voor kaas zijn:

A ‘Bij voorkeur’

B ‘Middenweg’

C ‘Bij uitzondering’

VV ≤ 12g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 1000 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV ≤ 18g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 1000 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV > 18g /100g

TV: toegevoegd

Na > 1000 mg/100g

Suikers: toegevoegd

n.b. VV= verzadigd vet; TV= transvetten; Na = natrium

Het ‘ik kies bewust’-logo zit voor kaas en kaasproducten tussen A en B in (criteria: VV ≤ 15 g/100g; TV ≤ 0,14 g/100 g; Na ≤ 900 mg/100g; suikers niet gevoegd).

Kaas en smeerkaas met het gezonde keuzeklavertje heeft een natriumgehalte van hoogstens 0,9 g/100 g en 12 g verzadigd vet per 100 g.

Naast de activiteiten met deze voedingswaardelogo’s is het Voedingscentrum doende met de overgang van het Energielogo naar Dagelijkse Voedingsrichtlijn (guideline daily amount, GDA). Hier ligt een link met Noorwegen. De GDA hanteert Cal. 2000, Suiker 90 g, Vet 70 g, VV 20 g en Zout 6 g. D.m.v. chips op de hoek van de voorzijde van een verpakking worden de getallen genoemd en de percentages van de dagelijkse behoefte weergegeven.

Door de Consumentenbond wordt in dit verband een kleurenpiramide gehanteerd. In Engeland heeft men gekozen voor een verkeerslichten etikettering (traffic light labelling).

Piet Verhagen vraagt naar de basis voor dit keurmerkenbeleid. Louis van Nieuwland antwoordt dat de ‘ik kies bewust’-campagne zich richtte op de WHO-richtlijn, maar dat is nooit concreet gemaakt. De basis ligt in de Richtlijn Gezonde Voeding. Op de vervolgvraag over andere richtingen zoals bijvoorbeeld ‘duurzaamheid’ is het antwoord: die worden door het Voedingscentrum ondersteund. Zie bijvoorbeeld de Eko-keur en de benadering van dierenwelzijn. Voor het Voedingscentrum is van belang: laat er helderheid zijn voor de consument.

Klaske de Boer vraagt zich af of “ik kies bewust’ wel voor eenieder voldoende toegankelijk is. Het antwoord is dat dit zelfs rechtstreeks kan via het Bureau Schuttelaar in Den Haag.

De voorzitter constateert, dat we als consumenten in ieder geval niet meer ‘bewusteloos’ kiezen.

Gezonde zuivel en de wetenschap

Voor een wetenschappelijke onderbouwing van wat claims beogen, was Corinne Sprong van NIZO the food researchers uitgenodigd. Ze ging in op de sterke en zwakke punten van tests die een claim onderbouwen. Haar conclusie luidde dat er een grotere noodzaak is tot wetenschappelijke overeenstemming dan een positief onderzoekresultaat. Ze illustreerde dat met verschillende afstemmingsniveaus bij artikel 13-claims.

NIZO food research kan op allerlei manieren helpen om gezondheidsclaims te onderbouwen. Met in vitro-onderzoeken (SIMPHYD = simulation physiological digestion), dierstudies en studies met humane vrijwilligers.

Zo draait NIZO mee in het wereldwijde onderzoek naar de invloed van calcium als beschermer van de celwand in de dikke darm. Dit onderzoek loopt al vanaf 1985.

Er is een vereenvoudigde hypothese opgesteld voor de effecten van roodvlees en calcium op de dikke darmcarcinogenese.

Vervolgens laat ze resultaten zien van onderzoeken met calcium in het dieet.

-          Onoplosbaar calciumfosfaat doet in vitro ‘heme’ neerslaan.

-          Dieetcalcium voorkomt schade aan de darmwand bij ratten.

-          Dieetcalcium voorkomt woekerende groei van cellen na beschadiging darmwandcellen.

-          Calcium uit zuivelproducten verhindert dikke darmwandschade bij de mens

-          Er is een relatie vastgesteld tussen de totale calciuminname en het risico van kanker in de dikke darm bij de mens.

Ze vat dit samen door te constateren, dat het amorfe calciumfosfaat dat in de darm ontstaat een celbeschermings(cytoprotective)effect heeft die tumorvorming verhindert.

Met een andere reeks onderzoekresultaten onderbouwt ze de conclusie, dat calcium in de voeding de duur van diarree bij de mens verkort.

Studies met melkvet hebben aangetoond, dat ratten er bescherming van ondervinden bij maag-darm infecties.

Tenslotte presenteert ze resultaten van onderzoeken met eiwithydrolysaten die met cysteine zijn verrijkt. Ze zorgen voor een vermeerdering van het leverglutathion bij ratten. Met verrijkte eiwithydrolysaten kan bij ratten een verbeterd herstel van paracetamol-vergiftiging bereikt worden.

NIZO heeft een lange historie op het gebied van onderbouwing van gezondheidsclaims. Achtereenvolgens noemt Mevr. Sprong – naast de bovenaangehaalde onderzoeken - calcium en chlorofyl bij dikke darm kanker, calcium bij bacteriële (ETEC en Salmonella) infecties, melkvet bij Helicobacter-infecties alsmede pro- & prebiotica en vitamine E bij influenza.

In de vragenronde vraagt Jan Willem Rouweler of de soort calcium wat uitmaakt. Het antwoord is dat dat niet het geval is. Het gaat om het calciumfosfaat precipitaat in de maag.

Tenslotte

Ter afsluiting gaf voorzitter Willem Postma op anekdotische wijze een korte duiding van de inleidingen van de dag en wenste een ieder wel thuis.

Verslag: Willem van Middendorp

Het Genootschap zou het Genootschap niet zijn, wanneer tijdens de viering van het honderdjarig bestaan geen wetenschappelijk programma zou worden gepresenteerd. Vandaar dat een viertal sprekers was gevraagd – ieder vanuit zijn eigen blikveld – een visie te geven op de zuivelresearch in toekomstperspectief.

Differentiatie van boerderijmelk.

Stafdirecteur Research van Campina en hoogleraar Zuivelkunde aan de WUR Toon van Hooijdonk beet het spits af. Hij belichtte de nieuwe benadering van de door de boer geleverde melk. Om verschillende redenen was het tot voor kort zo, dat toegewerkt werd naar een uniforme kwaliteit en samenstelling van de rauwe melk.

Tegenwoordig wordt er – om meer toegevoegde waarde te creëren – gewerkt naar verbijzondering van boerderijmelk.

De sterke infrastructuur voor kwaliteitsbeheersing, de fokkerij gericht op uniforme, hoog productieve HF-koeien, de sterke coöperatieve grondslag, de toename in schaalgrootte, de nadruk op de kostprijs bij winning en verwerking en een verwerking sterk gericht op kaas (50% van de melk) waren zo de redenen voor uniformering. De productdifferentiatie vond plaats in de fabriek.

Door de schaalvergroting in de melkveehouderij, maar ook die in de verwerking (fabrieken worden gespecialiseerder en liggen verder uit elkaar) wordt de boerderijmelk anders benaderd. Daarbij komt de vraag naar gezondere producten en duurzame ketens. Een relevante ontwikkeling is ook de trend naar individualisering en het wensen van maatwerk. De mondiale zuivelmarkt groeit met 3% per jaar, terwijl de mondiale productiegroei ca. 2% per jaar zal zijn. Dat kunnen ‘wij’ niet zomaar opvullen.

Is de melk in 2015, wanneer er op zo’n 15.000 bedrijven met 1,3 miljoen koeien gemiddeld 10.000 kg melk per koe per jaar wordt geproduceerd, even ‘wit’ als nu, zo was de retorische vraag van de spreker.

Differentiatie van boerderijmelk geeft voordeel bij melkwinning en bij melkverwerking, het geeft kansen voor een betere voedingswaarde, een duurzamere keten en imagovoordeel (emotie) en dan zijn er ook nog mogelijkheden om speciale producten te ontwikkelen.

Van Hooijdonk somde een vijftal strategielijnen op, die tot differentiatie kunnen leiden. Allereerst de bedrijfsvoering, waarbij biologisch vs. conventioneel in het oog springt. Een andere strategie ligt op het gebied van de herkomst (vb. NH kaas). Het veevoer is een interessant ontwikkelingsgebied en verder hele specifieke trajecten zoals bijv. immuunmelk of biest. De fokkerij tenslotte is de meest interessante differentiatiestrategie.

Genetische selectie vindt plaats op basis van verschillen tussen rassen en de variatie binnen de rassen.. Wat betreft de melksamenstelling is het verschil tussen enerzijds de Holstein-Friesians en anderzijds de Jersey’s het meest in het oog springend. Jersey heeft een 30% hogere vet%-index en een 16% hogere eiwit%-index, maar daarentegen een 30% lagere volume-index. Gebaseerd op onze manier van uitbetalen (vet € 2,75 en eiwit € 6,05) is de opbrengstindex voor Jersey’s 15% lager dan voor Holstein-Friesians. Honderd jaar fokkerij in Nederland heeft een stijging van het vetgehalte in de melk opgeleverd van 2,88% gemiddeld in 1911 tot 4,4% vandaag de dag. Het eiwitgehalte kwam pas later in beeld. Dat ging van gemiddeld 3,3% in 1956 naar 3,5% nu.

In het project Melk Genomics 2005 is door de gezamenlijke Nederlandse zuivelonderzoekinstellingen onder de titel ‘Melk op maat’ een nader onderzoek gestart. Het doel is te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de samenstelling van de melk aan te passen op basis van erfelijke aanleg. In eerste instantie worden melk- en bloedmonsters onderzocht van 2000 koeien met bekende afstamming. De melksamenstelling wordt in detail gemeten: vetzuren, eiwitten, mineralen en bioactieve stoffen. Vervolgens worden variaties, correlaties en erfelijkheidsgraden vastgesteld. Tenslotte worden de verantwoordelijke gebieden op de chromosomen opgespoord.

Geconstateerd kan worden dat het percentage verzadigd vet in Nederlandse boerderijmelk 70,6% is. Van de verzadigde vetzuren gelden C12:0, C14:0 en C16:0 als voedingskundig ‘verdacht’. De cumulatieve concentratie daarvan in melkvet is 46,3%. De onverzadigde vetzuren in melk zijn voor meer dan 85% C18 vetzuren en zijn afkomstig uit het voer. De variatie en erfelijkheid van C4- tot C16-vetzuren is voldoende hoog om via de fokkerij te kunnen beïnvloeden. De meervoudig onverzadigde vetzuren, Omega 3-vetzuur en vacceenzuur worden meer door bedrijfseffecten (voer) bepaald. Er bestaat een negatieve correlatie tussen onverzadigd vet en het vetgehalte. Hetzelfde geldt tussen C16 en C14. Desalniettemin is een Milk Genomics resultaat, dat mutatie op het gen DGAT 1 invloed heeft op de vetzuursamenstelling (octrooi in aanvraag). Op basis van selectie op het gen DGAT1 kan het onverzadigd vetgehalte in melk met 5 – 10 % worden verhoogd. Dit gaat samen met meer melk, minder vet en iets meer eiwit.

Milk Genomics levert ook op, dat - al dan niet meer caseine-eiwit in de melk - afhangt van de soort bèta-LG variant. De AA-variant van bèta-LG komt het meest voor, maar de BB-variant is het beste voor de kaasfabriek. De BB-variant hangt samen met een toename van de caseine-index met ca. +3% (caseine-index=caseine-eiwit/totaal-eiwit). Dit is zeker interessant, want die caseine-index van +3% resulteert in een caseine-gehalte van + 0,1%. Waar in Nederland 50% van de melk in de kaas gaat, zou dat een waardevermeerdering van de Nederlandse melkplas betekenen van ongeveer € 30 miljoen per jaar.

Een interessant zijpad is nog de toepassing van genetische merkers in de fokkerij. Zij kunnen de cyclustijd in de fokkerij ongeveer halveren (van 6 naar 3 jaar). Differentiatie op basis van genetische aanleg kan daarom in de toekomst aanmerkelijk sneller.

Dagvoorzitter Gertjan Schaafsma is benieuwd naar effecten op de transvetzuren. Spreker heeft die op één hoop bij de verzadigde vetten gegooid. Hij weet wel van onderzoek in Canada, waar transvetzuren positieve effecten gaven bij obese ratten.

Theun de Zwart wil weten of de mestinjectie effect heeft op de melksamenstelling. Naar zijn informatie blijken als gevolg van de mestinjectie bepaalde vitamines niet meer in groentes voor te komen. Van Hooijdonk is er niet mee bekend.

Melkzuurbacteriën.

Jeroen Hugenholtz, oud NIZO-onderzoeker en nu hoogleraar Industriële Moleculaire Biologie aan de Universiteit van Amsterdam, introduceert Lactococcus lactis als de perfecte fabriek voor (zuivel)ingrediënten. Melkzuurbacteriën hebben een simpel metabolisme, er is een scheiding tussen biosynthese en energiemetabolisme, de genetische ‘tools’ en genoom-sequenties zijn beschikbaar en tenslotte de industriële financiering is aanwezig. Al met al ideaal om mee te werken.

Gekoppeld aan de bijna 100 %ige omzetting van suiker levert de perfecte fabriek naast het melkzuur smaakstoffen, B-vitamines, laagcalorische zoetstoffen en (exo)polysacchariden op.

Smaakvorming is een belangrijke taak van de melkzuurbacterie. Bij de kaasrijping vormen aminozuren na proteolyse en peptidolyse van de caseine een belangrijke grondstof voor de smaakvorming. Om dit efficiënt nader te kunnen bestuderen is door NIZO een kaasscreeningmodel met microtiterplaten voor de kaasbereiding ontwikkeld. Zo wordt de industriële kaasproductie vertaald naar microtiterformaat. Twee ml melk levert 200 mg (micro)kaas op. NIZO heeft het patent hiervoor gedeponeerd. Dankzij Genomics is men zo ver gekomen.

Zo is bijvoorbeeld binnen de Leuconostoc laktis-soort de selectie voor ‘chocola’smaak c.q. moutsmaak mogelijk geworden. Door de kennis van zgn, ‘key-aroma’s’ ontstaat de focus op de juiste enzymen. Enkele aminozuurconvertases zijn reeds geïdentificeerd.

Ook gisten en schimmels zijn overigens zeer interessante bronnen voor deze smaakvormende reacties.

Het B-vitamine foliumzuur (ook wel vitamine B9 B11) is in relatief grote hoeveelheden aanwezig in bladgroenten, maar zit ook in eieren, vis en gefermenteerde zuivelproducten. Het is belangrijk in het dieet, omdat het tijdens de zwangerschap bij deficiëntie de kans op een open ruggetje vergroot. Verder biedt het bescherming tegen hart- en vaatziekte en kan deficiëntie leiden tot bloedarmoede. Ook bij ons - in het rijke westen - komt foliumzuurdeficiëntie veelvuldig voor bij adolescenten en ouderen.

Er zijn twee manieren om in situ de foliumzuur productie te stimuleren. En wel door gebruik te maken van de natuurlijke biodiversiteit of via een biotechnologische oplossing.. De biotechnologische oplossing bestaat uit de ‘self-cloning engineering’ technologie Hier wordt gebruik gemaakt van homologe recombinatie d.w.z. eigen DNA. Dit wordt in de Verenigde Staten niet gezien als genetische modificatie.

Met een bepaalde stam van Lactobacillus reuteri, die in tegenstelling tot de meeste melkzuurbacteriën wel vitamine B12 kan produceren, is het mogelijk om natuurlijk verrijkte yoghurt te maken. Door stamselectie en stamcombinatie kan de hoeveelheid van 1 microg. B12/l verhoogd worden tot 2 – 3 microg./l.

Laag-calorische suikers als sorbitol, lactitol en xylitol zijn interessant als producten van melkzuurbacteriën.

L. plantarum is er zo een, die met optimalisatie zelfs nog wel 50% meer sorbitol kan produceren.

Hugenholtz concludeert dat fermentatie via de natuurlijke weg productdiversificatie en producten met additionele eigenschappen oplevert.

Bioactieve componenten van melk.

De van de Belgische Universiteit van Gent afkomstige onderzoeker Koen Dewettinck complimenteert de organisatie met de lokatie. Hij zou er wel willen trouwen, maar is – naar eigen zeggen spijtig genoeg - reeds getrouwd.

Zijn inleiding betreft het wonder ‘melk’.

Trefwoorden bij ‘melk’ zijn naar zijn gevoel ’ zoogdieren’, ‘voeden van pasgeborenen’, ‘immunologische bescherming’, ‘zeer complexe vloeistof’, ‘groot aantal componenten (tot 105 verschillende componenten)’, ‘bederfbaar’ en tenslotte ‘intensief bestudeerd en toch……’.

Inzoomend op de microstructuur komen we al vrij snel op de melkvetglobulemembraan (MFGM). Deze is 10-20 nm dik, is emulgator (voorkomt coalescentie), beschermt tegen enzymatische afbraak, bestaat voor 1/3 uit polaire lipiden en 2/3 uit specifieke eiwitten en is negatief geladen. Voor alle duidelijkheid: de melkvetglobulemembraan is wat anders dan de caseinemembraan van gehomogeniseerde melk.

Bij de polaire lipiden gaat het voor 70% om fosfolipiden en 30% sfingolipiden.

De fosfolipide fosfatidylcholine bevordert leverherstel en is een goede bron van choline (een essentieel nutriënt, dat belangrijk is voor het geheugen en de hersenontwikkeling). Een ander fosfolipide nl. fosfatidylserine vertraagt de neuronale effecten van veroudering. Daarnaast heeft het positieve effecten bij Alzheimerpatiënten en een positief effect op spierpijn en algemeen welzijn.

Sfingolipiden zijn van belang uit nutritioneel oogpunt. Ze voorkomen colonkanker (testen uitgevoerd op knaagdieren), verlagen de intestinale opname van cholesterol (muizenproef) en verhinderen de adhesie van pathogene bacteriën aan de intestinale mucosa.

De eiwitten in de melkvetmembraan zijn van een grote verscheidenheid. Van proteosepeptonen, butyro- en adipofiline tot mucine en xanthine dehydrogenase/oxidase.

Van de nutritionele aspecten van MFGM-eiwitten noemt Dewettinck met name de antikanker effecten. Van butyrofyrine is de positieve invloed bekend op auto-immune encephalomyelitis (multiple sclerose) en autisme. Bepaalde proteose peptonen geven rechtstreekse antibacteriële effecten. Van enkele glucopeptiden tenslotte zijn anti-adhesieve effecten bekend d.w.z. voorkomen het vasthechten van toxische bacteriën.

Vervolgens doet Dewettinck verslag van nutritionele testen met enkele commerciële producten, die respectievelijk van nut kunnen zijn voor de darmintegriteit onder stresscondities dan wel psychologisch gedragsverbetering opleveren. Deze MFGM-producten worden verkregen door (dia)flitratie van zure wei danwel thermocalcische aggregatie van wei.

Eén van de sfingolipiden nl. sphingomyeline gaat volgens Van Hooijdonk Heliobacter-besmetting tegen. Dewettinck kan dit bevestigen. Het heeft inderdaad interessante antimicrobiële eigenschappen vergelijkbaar met glycolipiden. Er is een competitie-effect m.b.t. de hechting.

Van Hooijdonk heeft geconstateerd, dat bij robotmelken iets hogere hoeveelheden vrije vetzuren voorkomen. Spreker lijkt dit een interessant idee om daar een algemeen onderzoek naar te doen en dan vooral naar de vetglobuleverdeling in verschillende soorten rauwe melk. Hem is wel bekend dat in geitenmelk de vetbolletjes kleiner zijn.

Duurzaamheid.

De politiek heeft gekozen voor een beleid richting duurzaamheid. Bij het Ministerie van LNV is zelfs sprake van een ‘duurzaamheidssprong’. In EU-verband zijn doelstellingen op het gebied van energiegebruik geformuleerd. Zo moet 20% van het energiegebruik duurzaam zijn in 2020. Verder moet in het algemeen in tien jaar tijd 20% energiebesparing worden gehaald. In de transportsector moet in 2020 10% biobrandstoffen worden gebruikt. In Nederland heeft Minister Verburg als visie neergelegd, dat in 2011 5% van de stallen duurzaam moet zijn ingericht.

Tjeerd Jongsma, director Corporate Technology bij Friesland Foods, doet verslag van inspelen op dat beleid in de melkproductieketen.

In de melkketen vallen qua energiegebruik processtappen als indampen en sproeidrogen op als belangrijk in het kader van de productie van broeikasgassen. Desalniettemin is de publieke aandacht veel meer gericht op de primaire productie. De Partij voor de Dieren stelt dat voor elke kg melk die een koe levert, ze ook 1,4 kg CO2 equivalenten produceert en ….methaan is een 21 keer sterker broeikasgas dan CO2. Jongsma constateert zuinigjes, dat hier ‘kernen van waarheid’ in zitten. Aangezien de melkproductie in Nederland naar verwachting de komende jaren zal groeien, is het zaak te proberen het plafond van 20-30% groei met nieuwe technieken te doorbreken.

Friesland Foods heeft het initiatief genomen om te proberen te komen tot een (semi) closed loop systeem om mest te converteren tot bio-energie en eiwitrijk voedsel of voer. Een belangrijke voorwaarde daarbij is, dat geen concessie mocht worden gedaan aan dierenwelzijn. De reeds bestaande technologie op dit gebied is anaerobe vergisting en/of thermochemische processen dan wel micro-algen bioreactors. Die laatsten maken deel uit van geïntegreerde units en worden nu verder ontwikkeld. In algen zitten oliën, eiwitten en vezels met veel micronutriënten. Daarmee zijn ze zeer interessant als bron voor biodiesel, als zgn. tweede generatie biobrandstoffen (geen concurrentie met voedsel).

Met micro-algen zijn er in de wereld al diverse commerciële initiatieven. Jongsma noemt een drietal voorbeelden uit de VS van Amerika.

Algen zijn de facto biologische zonnecellen. Ze verviervoudigen elke twintig uur, waarmee ze de snelst groeiende planten ter wereld zijn met een zeer hoge opbrengst per ha. Ze groeien op CO2 , nitraten, fosfaat en zonlicht.. Microalgen zijn een primaire bron voor polyonverzadigde oliën in de voedselketen.

Jongsma behandelt vervolgens een vijftal productiesystemen. Het meest simpele is het open systeem met ondiepe bassins. Daarbij valt met name op, dat de oogstkosten relatief hoog zijn. Een voorbeeld van een gesloten systeem is de zgn. ‘bubble column’, vertikale buizen waar men de algen door laat stromen. Probleem daarbij zijn de beperkingen om het op te schalen. Een ander gesloten systeem is de buizenreactor. Dit is suboptimaal, omdat er veel gasproductie plaatsvindt in de buizen. Een variant is een buizenreactor met pulserend lichtsysteem. Hiermee wordt in Duitsland een productie van 80 ton per ha per jaar gehaald. Tenslotte is er de ‘flat panel reactor’ met als kenmerken: intensief mixen, korte licht-donker perioden, hoge biomassa concentratie (> 15 g/l) en een productie van 100 ton per ha per jaar.

Al met al blijven de kosten nog de ‘bottle neck’. Ze zijn globaal tien maal hoger dan de opbrengst van de energie die eruit te krijgen is. Vanzelfsprekend gaan de kosten omlaag zodra een wezenlijke opschaling mogelijk is. Jonstra rekent voor, dat de kosten bij 1 ha € 10,62 per kg biomassa bedragen. Bij 100 ha is dat al € 4,02 en potentieel is € 0,40/ kg biomassa oftewel € 15/GJ mogelijk.

Jongstra ziet zeker kansen.

Met cijfers – onder dankzegging ontvangen van Campina – geeft hij dit aan:

Nederland: 1,5 miljoen melkkoeien, 1,1 miljard liter melk, 42 miljoen ton mest en 4900 ton stikstof.

Dat levert een productenpotentieel op van > 52.000 ton biomassa, > 21.000 ton olie en > 31.000 ton eiwit.