Op een waterkoude dag van november 2007 kwam een tachtigtal belangstellenden voor een symposium over   Gezonde Zuivel in Apeldoorn bijeen. Sprekers uit het bedrijfsleven en het onderzoek gaven een overzicht van de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van functionele zuivelproducten en de gezondheidsclaims. Op deze bijeenkomst kwamen het gebruik en regelgeving van ‘gezondheidslogo’s’, de regelgeving van gezondheidsclaims en de wetenschappelijke onderbouwing van claims aan de orde. Daarnaast werden voorbeelden uit de praktijk behandeld aan de hand van succesvolle producten.

 

Regelgeving van gezondheidsclaims.

Erika Smale, medewerker bij het Hoofdproductschap Akkerbouwproducten en lid van de Productschappencommissie Levensmiddelenwetgeving, behandelde de regelgeving rondom claims. Uitdrukkelijk beperkte ze zich tot voedings- en gezondheidsclaims en behandelde ze dus niet: schadeclaims. Regelgeving is nodig aldus mevr. Smale, om misleiding te voorkomen, gezonde voeding te bewerkstelligen en overgewicht terug te dringen. Een claim is een vrijwillige boodschap of bewering. Deze kan op het product worden weergegeven of in een folder of op internet worden vermeld. Het kan gedaan worden met woorden, symbolen of met illustraties. De producent heeft daarmee de bedoeling uit te drukken, dat het product bepaalde eigenschappen heeft.

Een claim is toegestaan, wanneer die voorkomt op één van de lijsten van de Europese Gemeenschap en voldoet aan de voorwaarden daarbij. Een claim mag bijvoorbeeld niet misleiden of vrees inboezemen.

Algemene voorwaarden bij een claim zijn, dat er wetenschappelijk bewijs voor is, d.w.z. getoetst door de Europese Voedsel en warenautoriteit (EFSA), dat het nutriënt-met-effect in significante mate aanwezig is in het eindproduct en dat er een fysiologisch effect is. Bij de beoordeling wordt eerst een voedingsprofiel opgesteld. Het gaat daarbij om de voedingskundige samenstelling van een levensmiddel (o.a. zout, suiker en vet). Bij een te hoge waarde van één of meer van deze stoffen kan er geen claim voor een dergelijk voedingsmiddel gelden. Tenminste geen gezondheidsclaim, maar in een enkel geval zou een voedingsclaim nog wel kunnen. Als één van de stoffen te hoog is, mag het levensmiddel wel een voedingsclaim dragen, mits de verhoogde stof duidelijk vermeld wordt.

Bij een voedingsclaim over een verlaagd gehalte aan vet, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suiker of zout/natrium hoeft de geclaimde stof niet binnen het voedingsprofiel te vallen.

Er geldt een overgangstermijn tot 19 januari 2009 voor claims binnen het kader van de verordening respectievelijk 19 januari 2011 voor huidige claims die niet onder de regelgeving vallen. Voor die tijd moeten de lijsten zijn samengesteld.

Gezondheidsclaims leggen een link tussen de consumptie van een product en de gezondheid. Ze kunnen in drie soorten ingedeeld worden: Generieke claims (zgn. artikel 13 claims), Ziekterisicobeperkende claims en Claims gericht op groei en ontwikkeling van kinderen. Ze moeten op de lijsten voorkomen en er geldt een autorisatie-procedure. Claims die niet mogen zijn bijvoorbeeld: claims m.b.t. de mate en de snelheid van gewichtsverlies, of met een aanbeveling van een individuele arts, of ‘het is schadelijk het levensmiddel niet te eten’.

In geval van een gezondheidsclaim moet er een volwaardige voedingswaardedeclaratie voorkomen. D.w.z. de grote acht (energie, vet, eiwit, koolhydraten, suiker, verzadigd vet, vezels en zout/natrium) plus de geclaimde stof. Op het etiket moet ook het belang van gevarieerde voeding worden vermeld, evenals de voor een effect benodigde hoeveelheid van het levensmiddel/nutriënt en een waarschuwing voor overmatig gebruik en voor wie het niet moet gebruiken.

Een voorbeeld van een generieke claim is: ‘calcium is goed voor de botten’. In dit geval is de claim gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. Dit type kan tot eind oktober 2007 worden aangemeld bij het Ministerie van VWS.

Een ziekterisico-beperkende claim is bijvoorbeeld: ‘calcium helpt botontkalking te voorkomen’. Hier zal vermeld moeten worden, dat bedoelde ziekte meer risicofactoren heeft en dat verandering van één van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.

Een kinderclaim: ‘goed voor de botontwikkeling van uw kind’

Bij de laatste twee claims geldt geen overgangstermijn, want deze soort claims bestaat nog niet. Dossiers moeten worden ingediend bij de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA).

Erika Smale formuleerde tenslotte een aantal aanbevelingen voor bedrijven: wat te doen?

-          alle vormen van communicatie nalopen: claims, etiket, reclame en logo’s

-          voldoet het aan de verordening?

-          wat zijn de overgangstermijnen?

-          is aanpassing nodig en wanneer? Hierbij overwegen: product aanpassen of claim aanpassen.

-          eventueel aanmelden.

Via www.plw.nl is de EU-verordening te raadplegen, zijn lijsten genoemd, zijn overgangstermijnen weergegeven en zijn informatieadressen beschikbaar.

Pieter Walstra wil weten aan welke definitie het wetenschappelijk bewijs voldoet. Erika Smale antwoordt dat dit in handen is van de EFSA en waar de EFSA de lat gaat leggen is nog onbekend.

Hans van Schijndel bepleit om in de voedingsprofielen het dagelijkse eetpatroon mee te wegen. Het antwoord is dat dit door EFSA ook wordt gedaan.

René Floris krijgt te horen dat de controle door de VWA zal worden uitgevoerd en Fons Michielsen krijgt nog geen uitsluitsel of ‘bevat rechtsdraaiend melkzuur’ kan. Dat laatste blijkt in discussie te zijn, omdat het de vraag is, in hoeverre de bewering significant is. Dat brengt hem tot de opmerking, dat - wanneer alles eerst op een lijst moet komen - vernieuwingen enorm vertraagd zullen worden.

Gevolgen van de claimsverordening voor de levensmiddelenindustrie

Ook Marieke Lugt van Friesland Foods bakent eerst haar verhaal duidelijk af. Het gaat over voedings- en gezondheidsclaims. Ze spreekt dus niet over milieukenmerken, niet over smaakvermeldingen (bv. minder zoete smaak), niet over schadevergoedingen en niet over claims die geen (vage) voedings- of gezondheidsclaims zijn.

Al eind jaren tachtig van de vorige eeuw werd in de EU over claimsharmonisatie gesproken. Nu lijkt het dan zover te zijn en toch zijn er nog een aantal praktische onduidelijkheden, vooral m.b.t. de classificatie van claims. Er wordt ook nog aan een ‘EU Guidance document’ (tekst ter introductie van de verordening om onduidelijkheden te verhelderen) gewerkt.

De reikwijdte van de verordening gaat verder dan alleen de etiketten van verpakte levensmiddelen. De verordening geldt ook voor reclame en presentaties, voor onverpakte levensmiddelen (behalve de etiketteringsverplichtingen), voor instellingen (restaurants, scholen, kantines) en voor handelsmerken, merknamen en fantasienamen.

Van een merknaam als claim heeft ze het voorbeeld: ‘Slankie ® Fris & Romig’. De fabrikant heeft een overgangstermijn tot 2022 om deze merknaam aan te passen.

Het voedingsprofiel staat centraal: een claim mag alleen op een product, wanneer dat aan het - nog vast te stellen - voedingsprofiel voldoet. Voor iedere claim is een dossier nodig. De diepgang van een dergelijk dossier is afhankelijk van de soort claim.

Producten die na 1 juli 2007 op de markt komen (zijn gekomen) moeten direct aan de eisen van de verordening voldoen.

Een claim als ‘de lekkerste’ valt niet onder de verordening, evenals ‘met 30% zuivel’.

Voor het “Ik kies bewust-logo” is door Nederland samen met Duitsland en enkele andere lidstaten een aanvraag ingediend om als generieke gezondheidsclaim te kunnen gelden.

Wat betreft de vergelijkende claims (artikel 9 van de verordening) is er nog steeds discussie over de interpretatie. Het gaat daarbij om een vergelijking met levensmiddelen zonder claim van dezelfde categorie. Het begrip categorie is echter niet nader gedefinieerd. Het verschil in de hoeveelheid nutriënt of energie moet worden aangegeven (Bijv. ‘light – 50% minder vet dan….’ Of ‘light – 0% vet’). De vergelijking moet waarschijnlijk betrekking hebben op een minimaal verschil van 30%.

De scheidslijn tussen voedingsclaim en gezondheidsclaim ligt daar waar de naam van de voedingsstof een indicatie bevat over de functionaliteit of het gezondheidseffect.

Voorbeelden zijn:

Voedingsclaim

Gezondheidsclaim

bevat luteïne

bevat anti-oxidanten

bevat BB-12

bevat probiotica

bevat vezels

bevat prebiotische vezels

Wanneer een gezondheidsclaim wordt gebezigd horen daar verplichte vermeldingen bij. Zo moet vermeld worden wat de benodigde hoeveelheid van een levensmiddel is - in combinatie met het consumptiepatroon - om het geclaimde effect te bereiken. Waar relevant moet een waarschuwing opgenomen worden van gezondheidsrisico’s voor bepaalde categorieën mensen (bijv. zwangere vrouwen, jongeren) of van de gevaren bij overmatig gebruik (bijv. bij een vezelrijk drankje kan een te hoge consumptie problemen met de stoelgang veroorzaken).

Uiterlijk in januari 2010 komt er een EU lijst met generieke gezondheidsclaims. De lidstaten dienen daartoe uiterlijk januari 2008 een voorstel in bij de Europese Commissie. Er is een voorlopige industrielijst van de EU branchevereniging voor de levensmiddelenindustrie (zie www.row.minvws.nl). Inmiddels staan er al bijna 800 claims vermeld.

Marieke Lugt geeft aan dat er nog wel wat punten ter opheldering over zijn. Zo moet er duidelijkheid komen over welke claim een voedingsclaim dan wel een gezondheidsclaim is. In het geval van een gezondheidsclaim, welke soort gezondheidsclaim. Een apart punt betreft de overgangstermijnen. Die moeten duidelijk en praktisch uitvoerbaar zijn. Een overgangstermijn van zes maanden voor het aanpassen van etiketten is in de praktijk moeilijk te realiseren. De toelatingsprocedure voor nieuwe claims moet zo kort mogelijk zijn. Nu duurt die minstens een jaar. Tenslotte is de uniforme toepassing in de EU een punt van aandacht. In België gaat men bijvoorbeeld al in januari 2008 over tot controles, terwijl daar in andere lidstaten nog geen sprake van is.

In de vragenronde noemt Jan Willem Rouweler de claim ‘30% zuivel’ een misleidende claim. Dat gaat voor Marieke Lugt veel te ver, temeer omdat er geen interpretatie is van het begrip ‘zuivel’.

Pieter Walstra ziet van dit alles niet veel goeds komen, wanneer hij op zijn vraag over de definitie van verzadigd vet het antwoord krijgt, dat hier nog discussie over wordt gevoerd.

Voorzitter Willem Postma vraagt zich af of de merknaam ‘Slankie’ gedoemd is te verdwijnen. Het antwoord is, dat er een vergelijking met andere producten gemaakt moet worden om de claim te onderbouwen. In de sfeer van: ‘je kunt er niet slank van worden, maar je kunt er wel slank van blijven.’

Probiotica.

‘Lactobacillen en bifidobacteriën voor uw gezondheid’ was de ondertitel van het verhaal van Hans van Schijndel, science manager bij Yakult Nederland bv.

Allereerst richtte hij zich op darmflora en bacteriën. De darmflora van de mens is bijzonder uitgebreid en blijkt uit ca. 1000 soorten bacteriën te bestaan. Het aantal bacteriën in de darm is onvoorstelbaar groot (ca. 1014). Kenmerken van een bacterie: ze zijn eencellig - zonder kern -, komen overal voor, delen ongeslachtelijk en hebben een stofwisseling. Bacteriën kunnen zowel pathogeen als functioneel zijn. Het geheel van bacteriën in het darmkanaal van mens en dier noemen we de darmflora of darmmicrobiotica. De darmflora ontwikkelt zich in het eerste levensjaar wanneer de maagzuurproductie laag is en het immuunsysteem zich ontwikkelt. De aeroben (E.coli, Streptococci) ontwikkelen zich het eerst en het meest heftig tot wel 1012 per gram faeces. Daarna komen de lactobacilli (106 per gram) en Bifidobacteriën (ca. 1012 per gram) tot ontwikkeling. In de periode van de borstvoeding ontwikkelen vervolgens de Bacteroides, Eubacteriae, Peptococcaceae (ca. 1012 per gram) en de Closteridiae (ca. 104 per gram). Op oudere leeftijd neemt het aantal Bifidobacteriën af en de Lactobacilli en Clostridiae nemen toe. Clostridiae kunnen dan problemen als darmstoornissen of toxinevergiftiging veroorzaken. In dat geval kunnen probiotica positief uitwerken.

Een gezonde darmflora ondersteunt de natuurlijke weerstand en bevordert de spijsvertering en stoelgang. De vorming van nuttige stoffen als SCFA (short chain fatty acids) kan helpen om dikke darmtumoren te voorkomen.

De darm fungeert als immuunorgaan. Tenminste 60% van de natuurlijke weerstand komt vanuit de darm.

Er zijn drie manieren om interventies te plegen op de darmflora nl. d.m.v. onderdrukken van bacteriën (antibiotica), (selectief) stimuleren van bacteriën (prebiotica) en toedienen van bacteriën (probiotica).

Pre- en probiotica kunnen tezamen worden gebruikt (symbioticum).

Dhr. Van Schijndel geeft vervolgens aan dat melkzuurbacteriën de GRAS-status (general regarded as save) hebben. D.w.z. dat ze als probiotica veilig in de voeding kunnen worden toegepast. Specifiek geldt dat voor Lactobacillus casei Shirota (LcS) waar dierstudies en klinische studies geen bijwerkingen hebben laten zien en er al een geschiedenis van veilig gebruik is van bijna zeventig jaar. LcS blijkt goed te kunnen overleven in het maagdarmkanaal.

Vervolgens toont de spreker positieve onderzoekresultaten van het effect van lactobacillen op rotavirusdiarree en het effect van bifidobacteriën op diarree-preventie. Van bifidobacteriën is ook een gunstig effect op obstipatie gerapporteerd evenals een effect op de immuniteit.

Lactobacillen en bifidobacteriën hebben een overlappend wekgebied, waarbij de effectiviteit van de bacteriën verschilt. De differentiatie kan gemaakt worden op de deelgebieden immuniteit en darmwerking en dat hangt samen met de plaats in de darm waar de bacteriën hun functie vervullen.

De uitdaging is nu om dat aan de consument uit te leggen. De verpakking (het Yakultflesje) is te klein om daarop de wetenschappelijke boodschap kwijt te raken. Vandaar dat diverse andere media worden gekozen. Naast lezingen op aanvraag, fabrieksbezoeken, perscontacten, sponsoring van tv-programma’s en een website worden een tijdschrift en een nieuwsbrief uitgegeven. Het tijdschrift Yakult Live verschijnt drie maal per jaar en bereikt 77.000 consumenten. De nieuwsbrief Probiotica komt twee maal per jaar uit en is gericht op de para-medische beroepsgroep (ongeveer 2300 (para) medici).

Peter Zuurendonk is de eerste vragensteller. Hij poneert dat niet alle lactobacillen dezelfde zijn. Er is naar zijn idee een grote stamspecificiteit t.o.v. de effecten. Daar is Hans van Schijndel het geheel mee eens. Tot op stamniveau zijn er verschillen. Frans Driessen wil nog wat meer weten van de geschiedenis van de Shirota-bacterie en wat voor goeds deze bacteriën hebben gedaan. Het antwoord is, dat in de jaren 20-30 van de vorige eeuw in Japan veel maagdarmproblemen voorkwamen en daardoor de levensduur lager was. Er werd gezocht naar een bacterie, die het maagzuur kon overleven en de galzouten aankon. De Shirota-bacterie bleek met name zeer effectief in het tegengaan van diarree bij kinderen.

Probiotische productlijn van Campina.

Dhr. Peter Zuurendonk zet een recht toe recht uit verhaal neer rondom Vifit. Hij bouwt het op langs een variant van het marketingschema (attribuut-‘ration of benefit’-(emotion of benefit) – eindwaarde) met dan in dit geval: ingrediënt-gezondheidseffect- claim – merk. Vifit is Campina’s merk voor darmgezondheid. Het bevat de melkzuurbacterie Lactobacillus rhamnosus Gorbach en Goldin (LGG) in de hoeveelheid van 5x107 /g met een dosering van 200 ml. Vifit werd al in 1994 in Nederland geïntroduceerd (eerst onder het MONA merk). Inmiddels zijn er diverse varianten: naturel, met suiker, light en met vezel.

LGG kan als veilig worden beschouwd gezien de historie ervan. Er is geen degradatie van mucus, geen BSH (galzout)-activiteit en geen correlatie met bacteriemie bekend. De functionele eigenschappen zijn nadrukkelijk stamspecifiek.

Studies met LGG tonen aan dat de darmflora gunstig beïnvloed wordt, met name door een stijging van de bifidobacteriën. Een andere studie toonde aan dat LGG helpt diarree te voorkomen en weer een andere dat het helpt de incidentie van antibioticumgeïnduceerde diarree te verminderen.

Consumptie van ten minste één portie Vifit per dag ondersteunt de barrièrefunctie van de darm, zo stond er in een Assessment Report van het Voedingscentrum (augustus 2006). Onder barrièrefunctie wordt de afweer tegen en het herstel na het binnendringen (van toxische verbindingen) en pathogene microorganismen verstaan.

In relatie tot de EU ‘claimsverordening’ (EC 1924/2006) vallen de declaraties rondom LGG-producten onder artikel 13: de lijst van generieke gezondheidsclaims. Daarbij worden zowel darmgerelateerde als weerstandgerelateerde claims benut.

Over de gehele wereld vermarkt het bedrijf Valio LGG-producten. Danone doet dat in de Verenigde Staten en Campina heeft Vifit. Vifit wordt gepositioneerd als zuivel met iets extra’s en als een extra gezonde zuivel. Over de jaren evolueerden de claims voor Vifit. Was het ‘verhoogt de weerstand en zuivert/reinigt het lichaam’ en daarna ‘verhoogt de weerstand/Vitamel’. Nu is het uitgemond in ‘voor een evenwichtige darmflora’.

Of in de oneliner: ‘Voel je Fit. Voel je Vifit’.

Aansluitend nodigde dhr. Van Schijndel de deelnemers uit om de proef op de som te nemen. Hier werd enthousiast gebruik van gemaakt.

Logo’s op het etiket.

Louis van Nieuwland gaf - vanuit het Voedingscentrum gezien - een beeld van logo’s op het etiket. De ondertitel van zijn inleiding was: ‘Snel bedacht, rampzalige praktijk en toch …perspectief’. In het eerste overzicht liet hij een palet van vijfenvijftig beeldmerken zien met een breed overzicht van levensmiddelenkeurmerken

Al inventariserend was zijn conclusie dat er ca. 20 serieuze keurmerken zijn. Om kaf en koren te scheiden is het Ministerie van VROM doende een website hiervoor te ontwikkelen.

De Sociaal Economische Raad (SER) heeft over keurmerken gemeld, dat ze alleen effectief kunnen zijn, in de zin dat ze transparantie op markten kunnen bevorderen, als ze op heldere en herkenbare wijze informatie geven over een onderscheidend kwaliteitskenmerk van een product. Logischerwijze moet zowel de visuele uiting als de inhoud van een keurmerk algemeen bekend zijn bij de consumenten. Een keurmerk moet vervolgens betrouwbaar zijn, bijvoorbeeld door toekenning en controle door derden. Uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen in keurmerken zeker niet optimaal is.

Dhr. van Nieuwland onderscheidt duurzaamheidlogo’s (bijv. footmiles/footprints) en voedingswaardelogo’s (bijv. het ‘ik kies bewust’ –logo). Het ‘ik kies bewust’-logo wordt door bedrijven ook gebruikt op hun website. Een minder elegant voorbeeld is het pronken met andermans’ veren van een bouillonproducerend bedrijf, dat het logo op het etiket plaatst zonder de woorden ‘ik kies bewust’, maar die vervangt door ‘geen E-nummers - puur en eerlijk’.

Het Voedingscentrum heeft een eigen voorlichtingsmodel ontwikkeld. Nadat in 2006 de herziene richtlijn Gezonde Voeding was verschenen, destilleerde het Voedingscentrum daaruit de richtlijnen voedselkeuze.

Bij (melk)producten hanteert het Voedingscentrum de volgende criteria (tabel).

A ‘Bij voorkeur’

B ‘Middenweg’

C ‘Bij uitzondering’

VV ≤ 0,5g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 120 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV ≤ 1,4g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 120 mg/100g

Toegev. suikers: 5 g/100g.

VV > 1,4g /100g

TV: niet toegevoegd

Na >120 mg/100g

Toegev. suikers: > 5 g/100g.

n.b. VV= verzadigd vet; TV= transvetten; Na = natrium

Het ‘ik kies bewust’-logo kan bij melk en melkproducten worden toegepast, wanneer die voldoen aan de ‘middenweg’, waarbij voor transvetten nog ≤ 0,14 g/100g wordt genoteerd. Dit wordt ook wel het ’artikel 13’-logo genoemd

Voor melkproducten met een verzadigd vetgehalte van ten hoogste 0,5 g/100 g kan het logo met het ‘gezonde keuze klavertje’ gebruikt worden. Dit geldt ook voor vruchtenyoghurt of zuiveldrank met maximaal zes gram aan suiker per 100 gram product.

  

De criteria voor kaas zijn:

A ‘Bij voorkeur’

B ‘Middenweg’

C ‘Bij uitzondering’

VV ≤ 12g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 1000 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV ≤ 18g /100g

TV: niet toegevoegd

Na ≤ 1000 mg/100g

Suikers: niet toegevoegd

VV > 18g /100g

TV: toegevoegd

Na > 1000 mg/100g

Suikers: toegevoegd

n.b. VV= verzadigd vet; TV= transvetten; Na = natrium

Het ‘ik kies bewust’-logo zit voor kaas en kaasproducten tussen A en B in (criteria: VV ≤ 15 g/100g; TV ≤ 0,14 g/100 g; Na ≤ 900 mg/100g; suikers niet gevoegd).

Kaas en smeerkaas met het gezonde keuzeklavertje heeft een natriumgehalte van hoogstens 0,9 g/100 g en 12 g verzadigd vet per 100 g.

Naast de activiteiten met deze voedingswaardelogo’s is het Voedingscentrum doende met de overgang van het Energielogo naar Dagelijkse Voedingsrichtlijn (guideline daily amount, GDA). Hier ligt een link met Noorwegen. De GDA hanteert Cal. 2000, Suiker 90 g, Vet 70 g, VV 20 g en Zout 6 g. D.m.v. chips op de hoek van de voorzijde van een verpakking worden de getallen genoemd en de percentages van de dagelijkse behoefte weergegeven.

Door de Consumentenbond wordt in dit verband een kleurenpiramide gehanteerd. In Engeland heeft men gekozen voor een verkeerslichten etikettering (traffic light labelling).

Piet Verhagen vraagt naar de basis voor dit keurmerkenbeleid. Louis van Nieuwland antwoordt dat de ‘ik kies bewust’-campagne zich richtte op de WHO-richtlijn, maar dat is nooit concreet gemaakt. De basis ligt in de Richtlijn Gezonde Voeding. Op de vervolgvraag over andere richtingen zoals bijvoorbeeld ‘duurzaamheid’ is het antwoord: die worden door het Voedingscentrum ondersteund. Zie bijvoorbeeld de Eko-keur en de benadering van dierenwelzijn. Voor het Voedingscentrum is van belang: laat er helderheid zijn voor de consument.

Klaske de Boer vraagt zich af of “ik kies bewust’ wel voor eenieder voldoende toegankelijk is. Het antwoord is dat dit zelfs rechtstreeks kan via het Bureau Schuttelaar in Den Haag.

De voorzitter constateert, dat we als consumenten in ieder geval niet meer ‘bewusteloos’ kiezen.

Gezonde zuivel en de wetenschap

Voor een wetenschappelijke onderbouwing van wat claims beogen, was Corinne Sprong van NIZO the food researchers uitgenodigd. Ze ging in op de sterke en zwakke punten van tests die een claim onderbouwen. Haar conclusie luidde dat er een grotere noodzaak is tot wetenschappelijke overeenstemming dan een positief onderzoekresultaat. Ze illustreerde dat met verschillende afstemmingsniveaus bij artikel 13-claims.

NIZO food research kan op allerlei manieren helpen om gezondheidsclaims te onderbouwen. Met in vitro-onderzoeken (SIMPHYD = simulation physiological digestion), dierstudies en studies met humane vrijwilligers.

Zo draait NIZO mee in het wereldwijde onderzoek naar de invloed van calcium als beschermer van de celwand in de dikke darm. Dit onderzoek loopt al vanaf 1985.

Er is een vereenvoudigde hypothese opgesteld voor de effecten van roodvlees en calcium op de dikke darmcarcinogenese.

Vervolgens laat ze resultaten zien van onderzoeken met calcium in het dieet.

-          Onoplosbaar calciumfosfaat doet in vitro ‘heme’ neerslaan.

-          Dieetcalcium voorkomt schade aan de darmwand bij ratten.

-          Dieetcalcium voorkomt woekerende groei van cellen na beschadiging darmwandcellen.

-          Calcium uit zuivelproducten verhindert dikke darmwandschade bij de mens

-          Er is een relatie vastgesteld tussen de totale calciuminname en het risico van kanker in de dikke darm bij de mens.

Ze vat dit samen door te constateren, dat het amorfe calciumfosfaat dat in de darm ontstaat een celbeschermings(cytoprotective)effect heeft die tumorvorming verhindert.

Met een andere reeks onderzoekresultaten onderbouwt ze de conclusie, dat calcium in de voeding de duur van diarree bij de mens verkort.

Studies met melkvet hebben aangetoond, dat ratten er bescherming van ondervinden bij maag-darm infecties.

Tenslotte presenteert ze resultaten van onderzoeken met eiwithydrolysaten die met cysteine zijn verrijkt. Ze zorgen voor een vermeerdering van het leverglutathion bij ratten. Met verrijkte eiwithydrolysaten kan bij ratten een verbeterd herstel van paracetamol-vergiftiging bereikt worden.

NIZO heeft een lange historie op het gebied van onderbouwing van gezondheidsclaims. Achtereenvolgens noemt Mevr. Sprong – naast de bovenaangehaalde onderzoeken - calcium en chlorofyl bij dikke darm kanker, calcium bij bacteriële (ETEC en Salmonella) infecties, melkvet bij Helicobacter-infecties alsmede pro- & prebiotica en vitamine E bij influenza.

In de vragenronde vraagt Jan Willem Rouweler of de soort calcium wat uitmaakt. Het antwoord is dat dat niet het geval is. Het gaat om het calciumfosfaat precipitaat in de maag.

Tenslotte

Ter afsluiting gaf voorzitter Willem Postma op anekdotische wijze een korte duiding van de inleidingen van de dag en wenste een ieder wel thuis.

Verslag: Willem van Middendorp

Het Genootschap zou het Genootschap niet zijn, wanneer tijdens de viering van het honderdjarig bestaan geen wetenschappelijk programma zou worden gepresenteerd. Vandaar dat een viertal sprekers was gevraagd – ieder vanuit zijn eigen blikveld – een visie te geven op de zuivelresearch in toekomstperspectief.

Differentiatie van boerderijmelk.

Stafdirecteur Research van Campina en hoogleraar Zuivelkunde aan de WUR Toon van Hooijdonk beet het spits af. Hij belichtte de nieuwe benadering van de door de boer geleverde melk. Om verschillende redenen was het tot voor kort zo, dat toegewerkt werd naar een uniforme kwaliteit en samenstelling van de rauwe melk.

Tegenwoordig wordt er – om meer toegevoegde waarde te creëren – gewerkt naar verbijzondering van boerderijmelk.

De sterke infrastructuur voor kwaliteitsbeheersing, de fokkerij gericht op uniforme, hoog productieve HF-koeien, de sterke coöperatieve grondslag, de toename in schaalgrootte, de nadruk op de kostprijs bij winning en verwerking en een verwerking sterk gericht op kaas (50% van de melk) waren zo de redenen voor uniformering. De productdifferentiatie vond plaats in de fabriek.

Door de schaalvergroting in de melkveehouderij, maar ook die in de verwerking (fabrieken worden gespecialiseerder en liggen verder uit elkaar) wordt de boerderijmelk anders benaderd. Daarbij komt de vraag naar gezondere producten en duurzame ketens. Een relevante ontwikkeling is ook de trend naar individualisering en het wensen van maatwerk. De mondiale zuivelmarkt groeit met 3% per jaar, terwijl de mondiale productiegroei ca. 2% per jaar zal zijn. Dat kunnen ‘wij’ niet zomaar opvullen.

Is de melk in 2015, wanneer er op zo’n 15.000 bedrijven met 1,3 miljoen koeien gemiddeld 10.000 kg melk per koe per jaar wordt geproduceerd, even ‘wit’ als nu, zo was de retorische vraag van de spreker.

Differentiatie van boerderijmelk geeft voordeel bij melkwinning en bij melkverwerking, het geeft kansen voor een betere voedingswaarde, een duurzamere keten en imagovoordeel (emotie) en dan zijn er ook nog mogelijkheden om speciale producten te ontwikkelen.

Van Hooijdonk somde een vijftal strategielijnen op, die tot differentiatie kunnen leiden. Allereerst de bedrijfsvoering, waarbij biologisch vs. conventioneel in het oog springt. Een andere strategie ligt op het gebied van de herkomst (vb. NH kaas). Het veevoer is een interessant ontwikkelingsgebied en verder hele specifieke trajecten zoals bijv. immuunmelk of biest. De fokkerij tenslotte is de meest interessante differentiatiestrategie.

Genetische selectie vindt plaats op basis van verschillen tussen rassen en de variatie binnen de rassen.. Wat betreft de melksamenstelling is het verschil tussen enerzijds de Holstein-Friesians en anderzijds de Jersey’s het meest in het oog springend. Jersey heeft een 30% hogere vet%-index en een 16% hogere eiwit%-index, maar daarentegen een 30% lagere volume-index. Gebaseerd op onze manier van uitbetalen (vet € 2,75 en eiwit € 6,05) is de opbrengstindex voor Jersey’s 15% lager dan voor Holstein-Friesians. Honderd jaar fokkerij in Nederland heeft een stijging van het vetgehalte in de melk opgeleverd van 2,88% gemiddeld in 1911 tot 4,4% vandaag de dag. Het eiwitgehalte kwam pas later in beeld. Dat ging van gemiddeld 3,3% in 1956 naar 3,5% nu.

In het project Melk Genomics 2005 is door de gezamenlijke Nederlandse zuivelonderzoekinstellingen onder de titel ‘Melk op maat’ een nader onderzoek gestart. Het doel is te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de samenstelling van de melk aan te passen op basis van erfelijke aanleg. In eerste instantie worden melk- en bloedmonsters onderzocht van 2000 koeien met bekende afstamming. De melksamenstelling wordt in detail gemeten: vetzuren, eiwitten, mineralen en bioactieve stoffen. Vervolgens worden variaties, correlaties en erfelijkheidsgraden vastgesteld. Tenslotte worden de verantwoordelijke gebieden op de chromosomen opgespoord.

Geconstateerd kan worden dat het percentage verzadigd vet in Nederlandse boerderijmelk 70,6% is. Van de verzadigde vetzuren gelden C12:0, C14:0 en C16:0 als voedingskundig ‘verdacht’. De cumulatieve concentratie daarvan in melkvet is 46,3%. De onverzadigde vetzuren in melk zijn voor meer dan 85% C18 vetzuren en zijn afkomstig uit het voer. De variatie en erfelijkheid van C4- tot C16-vetzuren is voldoende hoog om via de fokkerij te kunnen beïnvloeden. De meervoudig onverzadigde vetzuren, Omega 3-vetzuur en vacceenzuur worden meer door bedrijfseffecten (voer) bepaald. Er bestaat een negatieve correlatie tussen onverzadigd vet en het vetgehalte. Hetzelfde geldt tussen C16 en C14. Desalniettemin is een Milk Genomics resultaat, dat mutatie op het gen DGAT 1 invloed heeft op de vetzuursamenstelling (octrooi in aanvraag). Op basis van selectie op het gen DGAT1 kan het onverzadigd vetgehalte in melk met 5 – 10 % worden verhoogd. Dit gaat samen met meer melk, minder vet en iets meer eiwit.

Milk Genomics levert ook op, dat - al dan niet meer caseine-eiwit in de melk - afhangt van de soort bèta-LG variant. De AA-variant van bèta-LG komt het meest voor, maar de BB-variant is het beste voor de kaasfabriek. De BB-variant hangt samen met een toename van de caseine-index met ca. +3% (caseine-index=caseine-eiwit/totaal-eiwit). Dit is zeker interessant, want die caseine-index van +3% resulteert in een caseine-gehalte van + 0,1%. Waar in Nederland 50% van de melk in de kaas gaat, zou dat een waardevermeerdering van de Nederlandse melkplas betekenen van ongeveer € 30 miljoen per jaar.

Een interessant zijpad is nog de toepassing van genetische merkers in de fokkerij. Zij kunnen de cyclustijd in de fokkerij ongeveer halveren (van 6 naar 3 jaar). Differentiatie op basis van genetische aanleg kan daarom in de toekomst aanmerkelijk sneller.

Dagvoorzitter Gertjan Schaafsma is benieuwd naar effecten op de transvetzuren. Spreker heeft die op één hoop bij de verzadigde vetten gegooid. Hij weet wel van onderzoek in Canada, waar transvetzuren positieve effecten gaven bij obese ratten.

Theun de Zwart wil weten of de mestinjectie effect heeft op de melksamenstelling. Naar zijn informatie blijken als gevolg van de mestinjectie bepaalde vitamines niet meer in groentes voor te komen. Van Hooijdonk is er niet mee bekend.

Melkzuurbacteriën.

Jeroen Hugenholtz, oud NIZO-onderzoeker en nu hoogleraar Industriële Moleculaire Biologie aan de Universiteit van Amsterdam, introduceert Lactococcus lactis als de perfecte fabriek voor (zuivel)ingrediënten. Melkzuurbacteriën hebben een simpel metabolisme, er is een scheiding tussen biosynthese en energiemetabolisme, de genetische ‘tools’ en genoom-sequenties zijn beschikbaar en tenslotte de industriële financiering is aanwezig. Al met al ideaal om mee te werken.

Gekoppeld aan de bijna 100 %ige omzetting van suiker levert de perfecte fabriek naast het melkzuur smaakstoffen, B-vitamines, laagcalorische zoetstoffen en (exo)polysacchariden op.

Smaakvorming is een belangrijke taak van de melkzuurbacterie. Bij de kaasrijping vormen aminozuren na proteolyse en peptidolyse van de caseine een belangrijke grondstof voor de smaakvorming. Om dit efficiënt nader te kunnen bestuderen is door NIZO een kaasscreeningmodel met microtiterplaten voor de kaasbereiding ontwikkeld. Zo wordt de industriële kaasproductie vertaald naar microtiterformaat. Twee ml melk levert 200 mg (micro)kaas op. NIZO heeft het patent hiervoor gedeponeerd. Dankzij Genomics is men zo ver gekomen.

Zo is bijvoorbeeld binnen de Leuconostoc laktis-soort de selectie voor ‘chocola’smaak c.q. moutsmaak mogelijk geworden. Door de kennis van zgn, ‘key-aroma’s’ ontstaat de focus op de juiste enzymen. Enkele aminozuurconvertases zijn reeds geïdentificeerd.

Ook gisten en schimmels zijn overigens zeer interessante bronnen voor deze smaakvormende reacties.

Het B-vitamine foliumzuur (ook wel vitamine B9 B11) is in relatief grote hoeveelheden aanwezig in bladgroenten, maar zit ook in eieren, vis en gefermenteerde zuivelproducten. Het is belangrijk in het dieet, omdat het tijdens de zwangerschap bij deficiëntie de kans op een open ruggetje vergroot. Verder biedt het bescherming tegen hart- en vaatziekte en kan deficiëntie leiden tot bloedarmoede. Ook bij ons - in het rijke westen - komt foliumzuurdeficiëntie veelvuldig voor bij adolescenten en ouderen.

Er zijn twee manieren om in situ de foliumzuur productie te stimuleren. En wel door gebruik te maken van de natuurlijke biodiversiteit of via een biotechnologische oplossing.. De biotechnologische oplossing bestaat uit de ‘self-cloning engineering’ technologie Hier wordt gebruik gemaakt van homologe recombinatie d.w.z. eigen DNA. Dit wordt in de Verenigde Staten niet gezien als genetische modificatie.

Met een bepaalde stam van Lactobacillus reuteri, die in tegenstelling tot de meeste melkzuurbacteriën wel vitamine B12 kan produceren, is het mogelijk om natuurlijk verrijkte yoghurt te maken. Door stamselectie en stamcombinatie kan de hoeveelheid van 1 microg. B12/l verhoogd worden tot 2 – 3 microg./l.

Laag-calorische suikers als sorbitol, lactitol en xylitol zijn interessant als producten van melkzuurbacteriën.

L. plantarum is er zo een, die met optimalisatie zelfs nog wel 50% meer sorbitol kan produceren.

Hugenholtz concludeert dat fermentatie via de natuurlijke weg productdiversificatie en producten met additionele eigenschappen oplevert.

Bioactieve componenten van melk.

De van de Belgische Universiteit van Gent afkomstige onderzoeker Koen Dewettinck complimenteert de organisatie met de lokatie. Hij zou er wel willen trouwen, maar is – naar eigen zeggen spijtig genoeg - reeds getrouwd.

Zijn inleiding betreft het wonder ‘melk’.

Trefwoorden bij ‘melk’ zijn naar zijn gevoel ’ zoogdieren’, ‘voeden van pasgeborenen’, ‘immunologische bescherming’, ‘zeer complexe vloeistof’, ‘groot aantal componenten (tot 105 verschillende componenten)’, ‘bederfbaar’ en tenslotte ‘intensief bestudeerd en toch……’.

Inzoomend op de microstructuur komen we al vrij snel op de melkvetglobulemembraan (MFGM). Deze is 10-20 nm dik, is emulgator (voorkomt coalescentie), beschermt tegen enzymatische afbraak, bestaat voor 1/3 uit polaire lipiden en 2/3 uit specifieke eiwitten en is negatief geladen. Voor alle duidelijkheid: de melkvetglobulemembraan is wat anders dan de caseinemembraan van gehomogeniseerde melk.

Bij de polaire lipiden gaat het voor 70% om fosfolipiden en 30% sfingolipiden.

De fosfolipide fosfatidylcholine bevordert leverherstel en is een goede bron van choline (een essentieel nutriënt, dat belangrijk is voor het geheugen en de hersenontwikkeling). Een ander fosfolipide nl. fosfatidylserine vertraagt de neuronale effecten van veroudering. Daarnaast heeft het positieve effecten bij Alzheimerpatiënten en een positief effect op spierpijn en algemeen welzijn.

Sfingolipiden zijn van belang uit nutritioneel oogpunt. Ze voorkomen colonkanker (testen uitgevoerd op knaagdieren), verlagen de intestinale opname van cholesterol (muizenproef) en verhinderen de adhesie van pathogene bacteriën aan de intestinale mucosa.

De eiwitten in de melkvetmembraan zijn van een grote verscheidenheid. Van proteosepeptonen, butyro- en adipofiline tot mucine en xanthine dehydrogenase/oxidase.

Van de nutritionele aspecten van MFGM-eiwitten noemt Dewettinck met name de antikanker effecten. Van butyrofyrine is de positieve invloed bekend op auto-immune encephalomyelitis (multiple sclerose) en autisme. Bepaalde proteose peptonen geven rechtstreekse antibacteriële effecten. Van enkele glucopeptiden tenslotte zijn anti-adhesieve effecten bekend d.w.z. voorkomen het vasthechten van toxische bacteriën.

Vervolgens doet Dewettinck verslag van nutritionele testen met enkele commerciële producten, die respectievelijk van nut kunnen zijn voor de darmintegriteit onder stresscondities dan wel psychologisch gedragsverbetering opleveren. Deze MFGM-producten worden verkregen door (dia)flitratie van zure wei danwel thermocalcische aggregatie van wei.

Eén van de sfingolipiden nl. sphingomyeline gaat volgens Van Hooijdonk Heliobacter-besmetting tegen. Dewettinck kan dit bevestigen. Het heeft inderdaad interessante antimicrobiële eigenschappen vergelijkbaar met glycolipiden. Er is een competitie-effect m.b.t. de hechting.

Van Hooijdonk heeft geconstateerd, dat bij robotmelken iets hogere hoeveelheden vrije vetzuren voorkomen. Spreker lijkt dit een interessant idee om daar een algemeen onderzoek naar te doen en dan vooral naar de vetglobuleverdeling in verschillende soorten rauwe melk. Hem is wel bekend dat in geitenmelk de vetbolletjes kleiner zijn.

Duurzaamheid.

De politiek heeft gekozen voor een beleid richting duurzaamheid. Bij het Ministerie van LNV is zelfs sprake van een ‘duurzaamheidssprong’. In EU-verband zijn doelstellingen op het gebied van energiegebruik geformuleerd. Zo moet 20% van het energiegebruik duurzaam zijn in 2020. Verder moet in het algemeen in tien jaar tijd 20% energiebesparing worden gehaald. In de transportsector moet in 2020 10% biobrandstoffen worden gebruikt. In Nederland heeft Minister Verburg als visie neergelegd, dat in 2011 5% van de stallen duurzaam moet zijn ingericht.

Tjeerd Jongsma, director Corporate Technology bij Friesland Foods, doet verslag van inspelen op dat beleid in de melkproductieketen.

In de melkketen vallen qua energiegebruik processtappen als indampen en sproeidrogen op als belangrijk in het kader van de productie van broeikasgassen. Desalniettemin is de publieke aandacht veel meer gericht op de primaire productie. De Partij voor de Dieren stelt dat voor elke kg melk die een koe levert, ze ook 1,4 kg CO2 equivalenten produceert en ….methaan is een 21 keer sterker broeikasgas dan CO2. Jongsma constateert zuinigjes, dat hier ‘kernen van waarheid’ in zitten. Aangezien de melkproductie in Nederland naar verwachting de komende jaren zal groeien, is het zaak te proberen het plafond van 20-30% groei met nieuwe technieken te doorbreken.

Friesland Foods heeft het initiatief genomen om te proberen te komen tot een (semi) closed loop systeem om mest te converteren tot bio-energie en eiwitrijk voedsel of voer. Een belangrijke voorwaarde daarbij is, dat geen concessie mocht worden gedaan aan dierenwelzijn. De reeds bestaande technologie op dit gebied is anaerobe vergisting en/of thermochemische processen dan wel micro-algen bioreactors. Die laatsten maken deel uit van geïntegreerde units en worden nu verder ontwikkeld. In algen zitten oliën, eiwitten en vezels met veel micronutriënten. Daarmee zijn ze zeer interessant als bron voor biodiesel, als zgn. tweede generatie biobrandstoffen (geen concurrentie met voedsel).

Met micro-algen zijn er in de wereld al diverse commerciële initiatieven. Jongsma noemt een drietal voorbeelden uit de VS van Amerika.

Algen zijn de facto biologische zonnecellen. Ze verviervoudigen elke twintig uur, waarmee ze de snelst groeiende planten ter wereld zijn met een zeer hoge opbrengst per ha. Ze groeien op CO2 , nitraten, fosfaat en zonlicht.. Microalgen zijn een primaire bron voor polyonverzadigde oliën in de voedselketen.

Jongsma behandelt vervolgens een vijftal productiesystemen. Het meest simpele is het open systeem met ondiepe bassins. Daarbij valt met name op, dat de oogstkosten relatief hoog zijn. Een voorbeeld van een gesloten systeem is de zgn. ‘bubble column’, vertikale buizen waar men de algen door laat stromen. Probleem daarbij zijn de beperkingen om het op te schalen. Een ander gesloten systeem is de buizenreactor. Dit is suboptimaal, omdat er veel gasproductie plaatsvindt in de buizen. Een variant is een buizenreactor met pulserend lichtsysteem. Hiermee wordt in Duitsland een productie van 80 ton per ha per jaar gehaald. Tenslotte is er de ‘flat panel reactor’ met als kenmerken: intensief mixen, korte licht-donker perioden, hoge biomassa concentratie (> 15 g/l) en een productie van 100 ton per ha per jaar.

Al met al blijven de kosten nog de ‘bottle neck’. Ze zijn globaal tien maal hoger dan de opbrengst van de energie die eruit te krijgen is. Vanzelfsprekend gaan de kosten omlaag zodra een wezenlijke opschaling mogelijk is. Jonstra rekent voor, dat de kosten bij 1 ha € 10,62 per kg biomassa bedragen. Bij 100 ha is dat al € 4,02 en potentieel is € 0,40/ kg biomassa oftewel € 15/GJ mogelijk.

Jongstra ziet zeker kansen.

Met cijfers – onder dankzegging ontvangen van Campina – geeft hij dit aan:

Nederland: 1,5 miljoen melkkoeien, 1,1 miljard liter melk, 42 miljoen ton mest en 4900 ton stikstof.

Dat levert een productenpotentieel op van > 52.000 ton biomassa, > 21.000 ton olie en > 31.000 ton eiwit.

Hoe duurzaam is de Nederlandse zuivelproductie? Welke noodzaak is er om duurzamer te produceren? Hoe ver zijn onderzoek en technologie op het gebied van duurzaamheid? Op deze en andere vragen werd een antwoord gezocht tijdens het voorjaarssymposium van 22 april 2009. Voor een goed gevulde zaal met ca. 70 personen in Apeldoorn gaf een selecte groep sprekers uit onderzoek en bedrijfsleven en uit Nederland en België enig inzicht.

Voorzitter Jan Bastiaans haalde in de opening een enquête rondom duurzaamheid aan. Uit de resultaten daarvan valt af te leiden, dat de consument bang is, dat er in tijden van crisis minder aandacht voor duurzaamheid is. Daartegenover worden er wel meer kansen verwacht.

Duurzaam is ‘bovos’.

Ondernemerschap, verantwoordelijkheid en duurzaamheid, zo luidde de titel van de inleiding van Jan Paul van Soest. Van Soest heeft een eigen adviesbureau op het gebied van duurzaamheid en kan verhalen van vele duurzame invullingen. Zijn uitgangspunt is eenvoudigweg: bedenk, maak, ontwerp, produceer, verkoop……. alsof uzelf en uw kinderen……….volledig met de gevolgen ervan worden geconfronteerd. Daarvoor is het van belang je bewust te zijn van de bovos-regels (bovos: boerenverstand oude stijl).

Van Soest benoemt vier bovos-regels: 1. er is echt een probleem; 2. als u het niet aanpakt, wie dan wel? 3. wat levert u nu eigenlijk? 4. doe vervolgens uw huiswerk.

Dat er echt een groot probleem is, illustreert spreker met verwijzing naar het boek “de aarde heeft koorts”. Het gaat erom bewust met klimaatverandering te gaan leven, maar je moet het wel durven zien. Het Millennium Ecosystems Assessment toonde aan, dat de druk op ecosystemen toeneemt. Er zijn habitatverliezen. De biomassa van ‘table fish’ neemt over de gehele wereld dramatisch af. In de afgelopen duizend jaar is de temperatuurschommeling binnen één graad gebleven. De klimaatverandering is nu zodanig, dat de verwachte temperatuurstijging +6°C zal zijn naar het jaar 2100 toe. Daarmee is de kans op een nettoschadescenario behoorlijk groot.

Van Soest onderbouwt zijn – naar eigen zeggen – deprimerende constateringen met cijfers en grafieken.

Er moet dus wat gebeuren. Als u het niet aanpakt wie dan wel? (bovos 2) Bovendien zijn er goede motieven om voor duurzaam te gaan. Er is druk door maatschappelijke organisaties, wet- en regelgeving, eisen van afnemers/consumenten en invloed van financiers. Je kunt het ook doen om je te onderscheiden op de markt of om de toegevoegde waarde te verhogen. Tenslotte kan het gaan om goed burgerschap en/of persoonlijke betrokkenheid. Dit slaat dan op de gehele productieketen. Met als slogan: ketenbeheer is eigenbelang. Bedreigingen en zorgen worden vroeger of later toch maatregelen. Wie dan vooruitloopt, komt in een voorkeurpositie. Maar het kan even duren…… (voorbeeld: processie van Echternach – twee stappen voorwaarts afgewisseld met één stap achterwaarts). Wat levert u eigenlijk? (bovos 3). Van Soest noemt voorbeelden van producten, die niet als zodanig geleverd worden, maar een beleving vertegenwoordigen. Het elektronicaconcern uit het zuiden des lands levert geen lampen, maar verlichting of nog beter gezegd: een hoeveelheid lumen voor goed functioneren. Melk is geen melk. Melk is een bepaalde functionaliteit in een bepaalde sfeer. In dat kader benoemt van Soest de aandacht voor gezondheid, het behoud van waardevolle landschappen, de biodiversiteit, de regionale economie en de energie- en later klimaatneutrale ketens. Doe uw huiswerk (bovos 4). In negen punten geeft spreker de mogelijkheden. Bijvoorbeeld: bezin u op de functies, de gebruiksduur en de gebruikers van uw product. Wat gebeurt er na de gebruiksduur? Afval is grondstof. Maak nieuwe arrangementen en coalities. Werk aan ideevorming over behoud van biodiversiteit.

Kinderen zijn de toekomst – investeer in kinderen. Als voorbeeld noemt Van Soest daarbij ‘schoolmaaltijden in Rome’. Leveranciers helpen mee met de educatie en verlagen de voedselkilometers.

In de vragenronde vraagt Margreet Hovenkamp naar tips om te reageren op ngo’s. Van Soest antwoordt nuchter: uitnodigen om te praten en neem de achterliggende zorg serieus. Vorm daar wel je eigen beeld over.

Jan Bastiaans vraagt zich af hoe een sociale waarde te creëren valt. Antwoord: denk na over het algemeen verbindend verklaren van het extra doorbelasten van kosten naar de consument (geldt bijv. voor het project koe in de wei).

‘Caring Dairy’.

Beemster kaas en Ben&Jerry’s vormen de ‘business case’ voor het project ‘Caring Dairy’ in Nederland. KlaasJan van Calker van CONO Kaasmakers lichtte de achtergrond van beide bedrijven toe en beschreef de praktijk van Caring Dairy.

Geheel in navolging van de voorgaande spreker meldde hij, dat CONO kaasmakers geen kaas verkoopt, maar smaakbeleving en dat al honderd jaar. CONO - met hoofdvestiging in werelderfgoed De Beemster - heeft met het premiummerk Beemsterkaas in zijn grootste markt België een merkenbekendheid van 95%. CONO kaasmakers heeft de ambitie uit te blinken in smaak, kwaliteit en duurzaamheid en realiseerde daarbij de afgelopen zeven jaar

de hoogste melkprijs voor zijn 500 leden/melkveehouders.

Ben&Jerry’s heeft zijn oorsprong in de VS van Amerika. In 1978 begonnen in een voormalig benzinestation met eigenbereid ijs (‘homemade’) en sinds 2000 overgenomen door Unilever. Ben&Jerry’s heeft de duurzaamheid als het ware uitgevonden. De drie onderdelen van het missiestatement namelijk product, economisch en sociaal zijn ervan doorweven.

Ben&Jerry’s is de initiatiefnemer van Caring Dairy en CONO Kaasmakers heeft het grootschalig opgepakt. Daarbij zoekt de duurzame melkveehouderij de balans tussen bedrijfseconomie, dierenwelzijn en landschap en klimaat. Het is niet ‘one size fits all’. Er zijn nu eenmaal verschillen in grondsoorten, typen koeien en soorten ondernemers. “Caring Dairy” veehouders vullen elk jaar een duurzaamheid quickscan in, nemen elk jaar deel aan minimaal drie workshops, werken met verbeterplannen en voldoen aan de richtlijnen voor duurzame melkproductie. Met 90% deelname zit CONO Kaasmakers momenteel al bijna op de vereiste minimaal 95% deelname voor het gebruik van het Caring Dairy-logo. Daarvoor is overigens weidegang wel belangrijk, maar geen voorwaarde.

Workshops kennen een keukentafelgedeelte (theorie) en een stalgedeelte (praktijk). Voor deelnemende melkveehouders ontstaat er een balans tussen economische, sociale en milieuaspecten. Daarnaast is er vrijheid om eigen keuzes te maken, waarbij de persoonlijke voorkeur en bedrijfssituatie uitgangspunt zijn. Het is ‘fun’, iets om trots op te zijn: “Mijn melk zit in Ben&Jerry’s of Beemster”.

CONO onderneemt ook andere initiatieven voor het verduurzamen. De missie is zelfs om de gehele keten van koe tot kaas te verduurzamen. Met de mengvoederbedrijven is een project in gang gezet om duurzaam krachtvoer (bijv. richting hergebruik van grondstoffen) te ontwikkelen. Over de gehele keten is er het streven om te gaan van energieneutraal naar klimaatneutraal. Er is een haalbaarheidsstudie gaande naar mestvergisting, waar inmiddels terugverdientijden genoemd worden van 6 á 7 jaar.

Van Calker noemt PR-activiteiten als belangrijke factor om duurzaamheid tot waarde te brengen. Dat kan door vermelding op de verpakkingen, in commercials en advertenties en ook met consumenten manifestaties.

“Niet alleen ons gras is groener!” De geïntegreerde aanpak leidt tot ‘we kennen onze koeien bij naam’. Dus: blije koeien, blije boeren, blije aarde!!!

Op een vraag van dhr. Meeuwis Hettinga over de aanpak in Amerika antwoordt Van Calker, dat daar niet met workshops wordt gewerkt. In de VS werkt Ben&Jerry’s met ‘dairystewardshipalliances’.

Mevr. Tineke van der Haven wil weten, wat de gehanteerde definitie voor weidegang is. De Beemster-boeren hanteren aldus van Calker 5 uur per dag gedurende ten minste 100 dagen per jaar. In de biologische landbouw ligt de lat iets hoger nl. 6 uur per dag en minmaal 120 dagen per jaar.

Dhr. Jaap Petraeus vraagt waar Beemster zit op de schaal van duurzaamheid. Van Calker kan/wil dat niet aangeven. Zaken die de duurzaamheid aangaan liggen niet zwart-wit. Je kunt wel zeggen biologisch is duurzaam, maar duurzaamheid is geen statisch begrip.

Duurzame verpakkingen.

Magda Buelens van Tetrapak Benelux kwam helemaal uit België gereisd om de bijdrage van een verpakkingsmiddelenbedrijf aan duurzaamheid uit te leggen. Tetrapak is een systeemleverancier. Naast de verpakkingen gaat het daarbij om procesapparatuur, vulmachines en technische dienstverlening. Voldoende invalshoeken dus om te kiezen voor een eigen visie op duurzaamheid. Tetrapak’s motto is ‘protects what’s good’.

Het economisch tij is moeilijk momenteel, maar - aldus mevr. Buelens – het milieu wordt een belangrijk instrument in de aanpak van de crisis in zowel de VS als in de EU. De NGO’s zeggen zelfs, dat het nu de tijd is voor een zgn. New Deal en wel een ‘Green New Deal XXL’.

Onderzoek in G20 landen toonde aan, dat van de consumenten aldaar, die recentelijk groene producten hadden gekocht, meer dan 80% bereid was om er ten minste 5% meer voor te betalen.

Het EU-beleid wijst hierin ook de weg. De EU kent een programma voor duurzame productie en consumptie.

In het Verenigd Koninkrijk is de Carbon Trust actief. Daar heeft men als eerste een standaard ontwikkeld voor de CO2-voetafdruk.. Er is een methode ontwikkeld om de voetafdruk te meten en om erover te communiceren.

In Frankrijk heeft de detailhandel dit overgenomen. Merkfabrikanten volgen nu, bijvoorbeeld Innocent – little tasty drinks. Een ander voorbeeld is Tropicana juice. Een halve gallon sinasappelsap levert 3,75 pounds (1,7 kg) aan CO2-equivalenten op. De sapproductie zelf heeft daarin een aandeel van 60%.

Tetrapak heeft de focus op vijf strategische doelen, te weten: - beperken van de hoeveelheid grondstoffen benodigd voor productie, - de CO2-voetafdruk verminderen, - de water-voetafdruk doen dalen, - hergebruik stimuleren (recycling), - bevoordeeld leverancier zijn (door toenemende bewustwording van afnemers en regelgevers).

Op allerlei manieren wordt FSC-labeling in het aanbod opgenomen. Driekwart van de grondstoffen bestaat uit karton afkomstig uit goed beheerd bos.

Volgens de methode van levenscyclusanalyse (LCA) hebben de drankkartons de laagste CO2-voetafdruk. In vergelijking met de glazen fles scheelt dat zelfs een factor drie.

Desalniettemin blijft er de drang om tot verbetering te komen. Aluminium draagt als grondstof in de verpakking voor 50% bij en komt dan ook als eerste voor vervanging in aanmerking. Tetrapak streeft ernaar om in 2010 de CO2 –emissie met 10% te hebben verlaagd t.o.v. 2005.

Het handelt daarbij om de complete proces- en verpakkingslijn in het levensmiddelenbedrijf. Als voorbeeld noemt mevr. Buelens de eco-efficiënte levenmiddelen proceslijn van Luxlait in Luxemburg, die 25% energie en 38 % water wist te besparen. Een interessante aanpak is de nieuwe generatie CIP-programma’s voor proceslijnen.

Het energiegebruik van de vullijnen uitgedrukt in kW/1000 verpakkingen is in vergelijking met de apparatuur uit 1973 nu 60% lager. Het watergebruik zit momenteel op een kwart van het niveau van 35 jaar geleden.

Tetrapak getroost zich veel moeite om het duurzame beleid te communiceren. Men wil transparant zijn voor het oog van het publiek.

Energiezuinig

René Floris – als vervanger van Peter de Jong van NIZO the food researchers – had als titel van zijn inleiding: ‘Succesvolle zuivel in een wereld zonder olie’. Zover is het nog niet, zo bleek al uit de eerste dia. Vooralsnog kunnen er maar 4-8 glazen melk geproduceerd worden op basis van 1 glas olie. De boodschap is om meer glazen te produceren uitgaande van dat ene glas olie. Daarbij is de procestechnologie cruciaal. De Nederlandse zuivelindustrie staat daar goed in en wordt zelfs als leidend in duurzame voedselproductie gekwalificeerd. Er is dan ook al heel wat bereikt. Zo is het energiegebruik met meer dan 20% gereduceerd en zijn nieuwe procestechnieken geïntroduceerd. Voorbeelden van het laatste: mechanische stoom recompressie (‘falling film evaporators’) en apparatuur met verlengde ‘run’- tijden (‘model based design’) en membraanprocessen om water af te scheiden en meer….

De ambities liggen verder. Zo is er een blauwdruk voor 2015 met steekwoorden als: minimale kosten, nul verspilling, geen koeling, geen reiniging en modelgestuurde optimalisering van de productielijnen.

Daarvoor zijn zgn. doorbraaktechnologieën nodig. Een mooi voorbeeld van het tot waarde brengen en hergebruiken van afvalstromen betreft de verwerking van wei. Dit bijproduct van de kaasbereiding verdween vroeger in de sloot of hoogstens werd het bestemd voor veevoer. Sinds de vijftiger jaren is wei meer en meer de grondstof geworden van allerhande producten door de toepassing van nieuwe technologieën.

Op het gebied van de afvalwaterstroom is als doel geformuleerd de omgevingsbelasting met 50% te reduceren. Daarbij spelen m.n. de fosfaten een rol. Procesblauwdrukken gaan in de richting van bioconversie (enzymreacties en fermentatie), scheidingstechnologieën (membraan, chromatografie) en drogen.

Zelfreinigende apparatuur is de volgende optie. Vervuiling maakt 50-80% van de verwerkingskosten uit. Door de aanwezigheid van eiwitten, mineralen en biovervuilende stoffen zijn de ‘run times’ 8 tot 20 uur. Oplossingen kunnen worden gevonden met ultrageluid (reiniging gedurende de productie) of gebruik van specifieke coatings (bijv. hydrofobe of geladen oppervlakken).

Bemoedigende resultaten worden geboekt met rekenkundige modellen voor zuivelproductie. Zo worden computermodellen ontwikkeld om optimale waarden te kunnen berekenen in relatie tot ‘tijd op het schap’ (shelf-life), smaak, productveiligheid, duurzaamheid en kosten. Reinigingsoptimalisatie hoort hier overigens ook bij.

Bij het indampen van melk kan een model nuttig zijn, omdat 20-50 % van de vervuiling plaatsvindt in de opstartfase. Water heeft een hogere warmteoverdrachtscoëfficient dan melk. Dat kan betekenen, dat bij evaporatie het oppervlak ‘droog valt’, waardoor de melkdrogestof zich aan het oppervlak hecht. Dit kan met een slimme procesaansturing verbeterd worden en zelfs leiden tot lager energiegebruik bij het drogen.

Een doorbraaktechnologie zal zeker de productie van verse zuivelproducten zijn, die geen koeling meer behoeven. Normaliter hebben verse producten koeling nodig om 10-15 dagen op het schap te kunnen doorstaan. Koeling vergt een substantieel deel van het totale energiegebruik (1,5 miljard kg melk = 0,8 PJ koelingsenergie = 222 miljoen kWh = 74.000 huishoudens). Kortom een interessant studieobject. Met een milde hittebehandeling (0,1 sec. 180°C) en een gescheiden stromenconcept kan een bewaartijd van meer dan vijf dagen bij 25ºC bereikt worden.

Conclusie: door het toepassen van doorbraakprocessen moet het mogelijk worden om meer dan tien glazen melk te bereiden met een glas olie. Oftewel 20 % meer melk te verwerken.

Op de vraag van Theun de Zwart over het effect van geluid voor de omgeving antwoordt dhr. Floris dat daar inderdaad technische aanpassingen voor nodig zullen zijn. Dhr. Meeuwis Hettinga wil weten hoe je in het gescheiden stromenconcept ongewenste enzymen kunt verwijderen. Spreker antwoordt dat met geladen membranen melk op een slimme manier te splitsen valt.

Melkveebedrijven en duurzaamheid

Bij CLM Onderzoek & Advies is een zoektocht gaande naar integraal duurzame melkveebedrijven. Frits van der Schans schetste de voortgang. Het Centrum Landbouw en Milieu heeft - als organisatie tussen overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties in - de sector melkveehouderij als geheel op het punt van duurzaamheid doorgelicht.

Enkele constateringen:

-          de stikstofexcretie komt – hoewel het de afgelopen jaren is gedaald – voor meer dan de helft van melkveebedrijven.

-          de stikstof bodememissie is van 390 kTon in 1990 gedaald naar 270 kTon in 2007.

-          de fosfaat bodememissie was in 1990 75 kTon en in 2007 33 kTon; dit moet op termijn nul worden.

-          op klei en veen zijn de doelen gehaald wat betreft nitraatuitspoeling in het grondwater; op zand nog niet (nu nog 60-75 mg/l).

-          de ammoniakemissie van dierlijke mest en kunstmest bedroeg in 1990 240 kTon; in 2006 was dit nog 130 kTon; de ambitie is om op 50 kTon uit te komen (dat is nu alleen al de melkveehouderij).

-          de veehouderij tekent voor 8% van het watergebruik.

-          de klimaatgasemissie (methaan/koolzuur/lachgas) bedraagt ca. 1100 g/kg melk.

-          het aantal melkveehouderijbedrijven zonder beweiding is van 1,5% in 1980 toegenomen tot 12-13% in 2008; in die tijd is het aantal koeien gehalveerd en het weideseizoen ingekort; dit heeft tot gevolg dat voor het oog nog maar 20% resteert.

Het afschaffen van de quotumregeling in 2015 zal zo zijn geheel eigen effecten hebben op de duurzaamheid van de melkveehouderij. Er zal ruimte voor groei zijn van de hoeveelheid afgeleverde melk tot ca. 20%. Individuele belangen zullen meer komen te staan tegenover het algemeen belang. De beperking zal komen te liggen in de nieuwe regels voor ruimtelijke ordening. De kostprijs zal verhoogd worden door milieumaatregelen. Een hogere melkproductie zal een hogere intensiteit vergen en daarmee meer inputs en dus meer soja-import.

In een ander scenario kan het bedrijfsleven ook zelf kiezen voor matiging van de melkproductie. Dat levert minder milieumaatregelen op en dus een lagere kostprijs. Echter dit benadeelt het schaalvoordeel van de zuivelindustrie.

Dhr. van der Schans werpt de vraag op: is de zuivel vanzelfsprekend duurzaam? en antwoordt zelf: neen, tenzij de emissieproblematiek wordt opgelost en ja, mits er een antwoord wordt gevonden op de dierenwelzijnaangelegenheden.

Dhr. Willem Postma stelt dat ook voor ‘de koe in de wei’ voorzieningen nodig zijn (schaduw, sloot etc.). De spreker is daar mee eens. Mevr. Jolanda ten Wolde wil weten, wat het effect van de strenge regelgeving is op ‘de koe in wei’. Dhr. v.d. Schans antwoordt dat de individuele boer daarop moet inspelen. Bijvoorbeeld zal vanwege het uitspoelende nitraat op zand, daar de koe al half augustus naar de stal moeten. Spreker is van mening dat het wel rendabel is om te blijven weiden, de koe op stal vergt daartegenover namelijk het nodige aan arbeidsmanagement.

Dhr. Klaas Jan van Calker vraagt naar de mogelijkheden om de uitstoot van methaan door de koe te verminderen.

Dhr. van de Schans antwoordt dat momenteel teveel gedacht wordt aan kunstgrepen om de methaangasemissie te verminderen.

De zuivelonderneming en MVO

De kort geleden gevormde grootste zuivelcoöperatie ter wereld FrieslandCampina heeft nu al een naam hoog te houden op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord ondernemen zo toonde Jaap Petraeus, hoofd Milieu en Duurzaamheid, aan. MVO past bij de coöperatieve gedachte, het past bij het soort product (natuurlijk) en het sluit aan bij de wens van burger en consument. De toenemende invloed van burgers en consumenten op het handelen van bedrijven (power to the people) wordt van belang geacht. In de grafiek van het consumentenvertrouwen komen de internationale bedrijven op zo’n 40%. O. a. NGO’s, Overheid, Pers & Media en Vakbeweging scoren hoger.

Onder het hoofdje ‘Visie en Ambitie’ beschrijft Petraeus FrieslandCampina’s MVO-visie als het realiseren van de juiste balans tussen Personeel (een werkgever te zijn waarvoor mensen kiezen), Planeet (produceren en gedragen als een verantwoordelijke onderneming en te werken in het hart van de maatschappij) en Profit (maar pas op… MVO kan niet zonder financiële prestaties).

FrieslandCampina kent een stuurgroep MVO, waaronder projectteams functioneren. Zo’n projectteam kan bijvoorbeeld GMO’s als project hebben, of Business Principles of Inkoop.

Uit een issuepositionering is gebleken dat CO2-uitstoot, Energie en Beschikbaarheid van schoon water hoog scoren als zijnde van belang voor zowel de stakeholders als vanwege de mogelijke impact op de zuivelcoöperatie.

Vervolgens zijn thema’s voor duurzaamheid geformuleerd: - Klimaatverandering/energiegebruik; - Afname biodiversiteit (o.a. tropisch regenwoud); - Dierenwelzijn; - Watervervuiling en waterbeschikbaarheid; - Grondstoffen die opraken (fosfaat, olie etc.); - Corruptie; - Kinderarbeid; - Geluid en andere locale hinder; en specifiek voor de zuivel: – Koeien in de wei.

Via een piramide van het duurzaamheidsbeleid is daarna het beleid vertaald naar duurzame daadkracht.

Dit uit zich via de Triple P plus in:

-          Profit: Goede melkprijs voor iedere melkveehouder

-          Planet: Duurzaam ondernemen met oog voor Pro-actief milieubeleid (vanaf 1990), Milieuzorg volgens ISO 14001 en Reduceren van milieubelasting: energie, water, afval etc.

-          People: Arbozorg, Sociaal beleid, Campina Care Foundation

-          Dierenwelzijn.

Als voorbeeld noemt dhr. Petraeus de Campina merkmelk. Via afspraken omtrent groene soja en het stimuleren van weidegang wordt een Campina-merk neergezet.

Via het merk Landliebe in Duitsland gaat dat nog een forse stap verder. Hier is opgenomen, dat geen veevoergrondstoffen van overzee (zoals soja) worden gebruikt en er geen GMO’s in het krachtvoer zitten. Dit alles met de complimenten van het Bondsministerie.

Biologische producten worden afgezet via de merken Groene Koe en Zuiver Zuivel.

Via de Campina Care Foundation wordt in Vietnam samen met het Rode Kruis een lokaal waterproject aangepakt gericht op plattelandsontwikkeling.

Vermeldenswaard is nog dat op 10 juli 2008 de stichting Duurzame Zuivelketen is opgericht. Dit is een zuivelbreed initiatief (pre-competitief) samen met LTO Melkveehouderij. Het kent drie peilers: - Energie en klimaat: energieneutrale zuivelketen, met bijv. als doel 100% duurzame energie in 2020; - De koe centraal: weidegang, dierenwelzijn en diergezondheid; - Biodiversiteit: behoud landschap en natuur.

Naast de drie peilers zijn er nieuwe uitdagingen als ketengerichte aanpak van melk en duurzaamheid, beter zicht krijgen op onze essentiële grondstofketens (fruit, zetmeel, cacao,…): duurzaamheid vergroten en vergroten van locale betrokkenheid (Afrika, Azië).

Piet Verhagen vraagt wat er mis is met GMO’s. Spreker antwoordt, dat FrieslandCampina geen Greenpeace standpunt inneemt, maar wel het voorzorgsprincipe hanteert en dus rekening houdt met de consumenten.

Meeuwis Hettinga wil weten of biogasproductie bij de huidige prijs ook realiseerbaar is. Dhr. Petraeus meldt, dat er nu nog subsidies nodig zijn om zelfs maar te kunnen beginnen en dan nog is de terugverdientijd 6 á 7 jaar. In Duitsland hanteert men een beter systeem. Het zgn. ‘feed in’.

Margreet Hovenkamp wil tenslotte meer horen over het duurzaamheidsthema corruptie. De inleider zegt dat voor de eigen managers dit in een ‘code of conduct’ is geregeld.

Afronding

Duurzaamheid is zeker niet vanzelfsprekend, ook niet in de zuivel. Wel is er veel gaande en zijn er goede mogelijkheden, dat heeft het symposium duidelijk gemaakt.

Voorzien van een verantwoord kartonnetje water keerden de deelnemers dan ook voldaan naar huis terug.

Op woensdag 5 november 2008 gaven sprekers uit het bedrijfsleven en onderzoek een overzicht van de nieuwe ontwikkelingen met het melkvet. In het Hampshire Hotel te Apeldoorn - wat al bijna een traditionele vergaderplek voor het Genootschap begint te worden - kwamen ruim honderd deelnemers bijeen. Voorzitter Willem Postma maakte verheugd melding van het feit, dat – in het jubileumjaar – twintig nieuwe leden zich hebben aangemeld. Kortom : het liep en loopt gesmeerd met het Genootschap.

Gedurende het symposium kwamen de situatie op de wereldmarkt, de scheidings- en opwerkingstechnologie, de effecten van voer en genetische achtergrond van de dieren op de vetsamenstelling en de gezondheidsaspecten van melkvet aan bod. Bepaald geen eenzijdige belichting dus.

De situatie van melkvet in de wereldmarkt.

Door ziekte geveld moest Adriaan Krijger van het Productschap Zuivel zich laten vervangen door Jurgen Jansen. Jansen leidde de toehoorders vaardig door de – hem in de schoot geworpen – presentatie.

Iets meer dan de helft van de 8,4 miljoen ton boter(vet) die op de wereld wordt geconsumeerd, wordt in Azië en de Pacific benut. Europa pakt daar eenderde van mee. Per hoofd van de bevolking ligt het juist andersom. In Azié wordt 1,13 kg per hoofd geconsumeerd, tegen 3,29 kg in Europa. In absolute hoeveelheden doet Oceanië nauwelijks mee, maar per hoofd van de bevolking komen zij het hoogst uit: 4,37 kg.

De Europese Unie zat in 2006 op gemiddeld 4,2 kg per hoofd. Hier scoren vooral Frankrijk en Duitsland goed met rond de 7 kg. Spanje en Griekenland bungelen onderaan de lijst met nog geen kilogram per persoon. Aan dat laatste zal het veelvuldig gebruik van olijfolie niet vreemd zijn.

India is de mondiale botervetkampioen. Tussen 2004 en 2006 was de gemiddelde jaarlijkse consumptie 2,9 miljoen ton, terwijl de jaarlijkse groei 7,7% was. De EU-27 staat hier tegenover met 1,97 miljoen ton en een jaarlijkse daling van ruim één procent.

Volgens OESO-voorspellingen zal de mondiale boterconsumptie tot 2016 jaarlijks groeien met 2,5%.

De boterproductie is van 2000 tot 2006 in de EU gemiddeld gedaald, terwijl in de rest van de wereld - en dan met name in India en in de Verenigde Staten van Amerika - de productie toenam.

Verreweg de grootste speler in de wereldboterhandel is Nieuw Zeeland, met in 2006 een aandeel van 43%. De EU-25 volgt daarop met 26%. Australië had 8% en Wit Rusland 6%. Andere landen zitten op minder dan 2%.

De afzet vanuit de wereldmarkt kwam voor 17,4% terecht in Rusland, voor 9,3% in de EU, 5,5% in de VS en  5,0 % in Egypte. Het totale wereldexportvolume bedroeg in 2006 920.000 ton.

Naast de EU en Rusland ontwikkelden in 2008 landen als Iran, Saudi Arabië, Egypte en Marokko zich als belangrijke bestemmingen in de wereldbotermarkt.

De Nieuw Zeelandse uitvoer van boter(vet) richt zich voor een derde op Azië en voor een derde op Europa. In de statistieken over 2006 valt een enorme groei op in de export naar Denemarken. Dit zal verband houden met een samenwerking die door het Nieuwzeelandse Fonterra in Scandinavië met de firma Arla is aangegaan voor het ompakken van boter.

Bij de EU-intrahandel speelt Ierland een hoofdrol met 23% van het volume. Nederland en België hebben resp. 14,4% en 12,2%. Duitsland en Denemarken zitten rond de tien procent. Opvallend is, dat in waarde uitgedrukt de percentages wat hoger liggen. De verklaring daarvoor kan zijn, dat de intrahandel relatief veel kleinverpakking omvat..

In de boterexport naar derde landen voert Nederland de boventoon met 26,8% van het volume. Finland is goede tweede met 12,1% en Duitsland doet mee voor ruim 10%. Het exportvolume van de EU bedroeg in 2006 ± 192.000 ton ofwel 27% van het totale EU handelsvolume.

De exportwaarde per kilogram boter ligt voor de Europese landen vaak ver boven de wereldwijd gemiddelde waarde van 2,39 euro per kilogram. Met als topper Denemarken (3,37). In tegenstelling tot landen als Brazilië (1,81) , Australië (1,67) en Argentinië en Nieuw Zeeland (beide 1,42). China sluit de rij met 1,38 euro/kg.

In het zuivelexport-portfolio van EU-lidstaten valt op, dat het aandeel van boter in de totale exportwaarde in 2006 voor Finland op 25% lag. Voor België en Ierland was dat 18%. Voor Denemarken en Nederland lag dat pecentage resp. op 12 en 11%.

De Russische botermarkt werd in 2007 voor een kwart door de EU bedient. De Witrussen hadden een aandeel van 42%. Uit Nieuw Zeeland kwam 19%. Na 2005 heeft de Oekraïne een flinke veer moeten laten op de Russische markt. Zij oriënteren zich nu wat meer op de kaas. Dit alles vanwege boykotperikelen in 2006.

In de VS en Egypte speelt Nieuw Zeeland met een aandeel van ongeveer 50% de hoofdrol als exporteur. In Saudi Arabië is die plaats daarentegen weggelegd voor EU-25.

Slotconclusie is dat de EU nog steeds een belangrijke speler is in de boterexport, maar die rol zal door een teruglopende productie waarschijnlijk verder afnemen

Genetische variatie in melkvet.

Johan van Arendonk – projectleider van het Milk Genomics Initiatief van Wageningen Universiteit - had zijn inleiding van een uitgebreide titel voorzien nl. ‘Genetische variatie in melkvet- en melkeiwitsamenstelling: perspectieven voor de zuivel’

Het Milk Genomics Initiatief is gestart in 2004 en had als doel de mogelijkheden vast te stellen om eigenschappen van melk te veranderen door fokkerijmaatregelen.

Uit het oogpunt van de humane gezondheid was het interessant wat de mogelijkheden zijn om het aandeel verzadigde vetten in de melk te verlagen. Hetzelfde geldt voor een verhoging van het aandeel onverzadigde vetten en voor een verhoging van het gehalte bioactieve peptiden. Vanuit de verwerkingseigenschappen gezien was het nuttig om de mogelijkheden van verhoging van het aandeel caseine in het melkeiwit te bezien. Voor een smeerbaardere boter zou een andere vetsamenstelling positief zijn.

Om inzicht te krijgen moest er veel gemeten worden. Dit alles om vragen te beantwoorden als: ‘Is er sprake van verschillen tussen dieren?’, ‘Welk deel van een variatie is gevolg van verschillen in genetische aanleg en wat is bijvoorbeeld het gevolg van de voeding?’, ‘Welke genen spelen een rol?’.

In 2005 werden bij 400 veehouders melk- en bloedmonsters verzameld, plus een serie bedrijfsgegevens. Dit leverde een gegevensbank op, die uniek in de wereld genoemd mag worden.

Eerste conclusies zijn, dat er inderdaad verschillen tussen dieren zijn, wat betreft vet- en eiwitsamenstelling en mineralen in de melk. Op familieniveau geeft het onderzoek aan, dat er verschillen tussen families zijn.

Het was dus wel degelijk interessant om de genetische variatie te bepalen. Van belang was de variatie tussen bedrijven, waarbij de factor voer wel eens een belangrijke zou kunnen zijn, zoveel mogelijk te onderscheiden.

Geconcludeerd kon worden, dat de genetische variatie aanzienlijk is en voor de meeste kenmerken is de genetische variatie groter dan de variatie tussen bedrijven. Kortom er zijn perspectieven voor genetische verbetering.

Dat was het sein om te gaan kijken naar de genen. Eerst werd de rol van kandidaatgenen (op basis van informatie uit de literatuur) nader beschouwd. Het ‘laaghangende fruit’ aldus van Arendonk. Daarna begon de zoektocht naar nieuwe genen met de genoomscan.

Onder de kandidaatgenen werd een tweetal gesignaleerd met invloed op de melkvetsamenstelling. De genoomscan is nog in volle gang. Er worden 1536 SNP’s (stukjes DNA waar je verschillen kunt meten) getypeerd.

Van Arendonk ziet ‘genomic selection’ als het begin van een nieuw tijdperk. Er zal straks een voorspelling van de genetische aanleg gedaan kunnen worden op basis van informatie van 50.000 SNP genotypes. Uitspraken op basis van relaties worden dan vervangen door kennis over genotypes. Dit zal een revolutie in de fokkerij betekenen, omdat een nauwkeurige selectie op jonge leeftijd plaats kan vinden en de selectie bovendien effectiever kan zijn op lastig meetbare kenmerken.

Naar de huidige inschatting kan voor € 100 – € 200 aan kosten een dier voor deze kenmerken worden getypeerd.

Dhr. Hettinga vraagt in hoeverre cholesterolverlaging als gevolg hiervan mogelijk zal zijn. Van Arendonk antwoordt, dat er wat dat betreft weinig perspectieven zijn. Meer realistisch is het om straks kaaskoeien en boterkoeien te hebben. Je moet je voorstellen, dat je in één generatie 2 à 3% verandering voor één kenmerk bewerkstelligt, zo tempert hij de verwachtingen.

Dhr. Gerard van de Berg meent, dat we allang bezig zijn met de gewenste selecties, alleen de erfelijkheid voor vet werkt verschillend uit in vergelijking met die voor eiwit. Van Arendonk beaamt dat ten dele, want een vetgehalte stijging via selectie geeft meer verzadigde vetzuren en nu kan er gedifferentieerd worden.

Dhr. Jaap Verheij bepleit selectie van de melk op de boerderij. De inleider weet dat dit bij de vakgroep Agrarische economie in studie is. Van belang is wel de juiste meetmethode te vinden.

De voorzitter sluit af met de opmerking dat er grote verschillen zijn tussen diersoorten. Zo weet hij dat rendieren het hoogste eiwitgehalte in de melk hebben en zeekoeien het hoogste vetgehalte.

Gezond melkvet.

Onderzoeksmedewerker Stefanie Oude Elferink van Friesland Foods zette een presentatie neer, die de vetkennis van de leden weer even opfriste. Ze deed dat in ‘concerted action’ met haar collega Yvonne Verbeek-Schilder.

Kort werd vet gedefinieerd en werd uitgelegd wat ‘cis’ en ‘trans’ bij vetzuren ook al weer inhoudt. Melkvet (zomer) bestaat voor 66% uit verzadigde vetzuren, voor 30 % uit mono onverzadigde vetzuren en uit 4% poly onverzadigde vetzuren. In overzichtelijke tabellen werd vervolgens de verdeling in kort-, medium- en langketenige vetzuren aangegeven.

Uit een vetconsumptiepeiling van 2003 kan worden gehaald, dat 44% van de mensen meer vet eet dan geadviseerd wordt. Van de transvetten is aanbevolen max. 1 energie% te consumeren. Uit de peiling blijkt, dat bijna iedereen minder dan 1,5 energie% eet. Voor verzadigd vet wordt max. 10 energie% aanbevolen. De werkelijke consumptie is gemiddeld 13 energie%. Slechts 8% van de mensen haalt het advies.

De inleidster zet een vraagteken bij de gezondheidsrichtlijn waarin staat, dat een hoog aandeel vet in de voeding overgewicht veroorzaakt. Onderzoek van Samaha in 2003 toont juist aan, dat meer vet in de voeding een groter gewichtsverlies geeft. Wel is er een verband met de energie-inname.

Een ander onderdeel van de gezondheidsrichtlijn spreekt van transvetten, die de kans op hart- en vaatziekten verhogen. Dat is inderdaad aangetoond voor industriële transvetten, maar niet voor dierlijke transvetten. Geconjugeerd linolzuur in melk werkt bovendien mogelijk anti-arteriosclerotisch en anti-carcinogeen.

Verzadigde vetten verhogen – volgens de gezondheidsrichtlijn – het serum LDL cholesterol en daarmee de kans op hart- en vaatziekten. Dat is te ongenuanceerd, aldus spreekster. Van de langketen verzadigde vetzuren is stearinezuur (C18:0) bijvoorbeeld niet LDL verhogend. Korte en middellange vetzuren (tot C10) hebben als goede kanten, dat ze gemakkelijk worden opgenomen, snel worden verteerd, nauwelijks via het lymphe-chylomicron systeem worden vervoerd, minder snel worden gebruikt bij vetopslag en mogelijk bij verzadiging een goede rol spelen.

Melkvet bevat de essentiële vetzuren omega3 en omega6, weliswaar in onvoldoende hoeveelheden om in het menu een doorslaggevende functie te hebben.

Het positieve van melkvet is verder, dat het vitamines en mineralen omvat en dat er bepaalde verzadigde vetten in zitten, die specifiek gelinked zijn aan gezondheidseffecten. Zo staat C4 voor anti-carcinogeen, C8 voor anti-viraal en anti-tumor, C10 voor anti-viraal en C12 voor anti-Helicobacter pylori.

Concluderend: een balans in vetsamenstelling is belangrijk, het bannen van vet of verzadigd vet in algemene zin is niet gezondheidsbevorderend.

Fractioneren van melkvet.

Frans Boer van VIV-Buisman gaf een inkijkje bij de derde boterproducent van Nederland. Royal VIV Buisman bv verhandelt boter en boterproducten en bereidt deze ook. Hiervoor wordt geen melk ingekocht, maar room en boter.

Watervrij melkvet (AMF) wordt gebruikt voor het recombineren van boter en boterconcentraat, het recombineren van roomijs en melkproducten en het is een ingrediënt voor melkchocolade.

Voor allerlei interessante toepassingen wordt het watervrij melkvet (AMF) gefractioneerd. Het principe van fractioneren is het opdelen ven de smeltcurve door vetkristallen (stearine) te scheiden van olie (oleïne). Door te koelen en te roeren vanaf een temperatuur van 33oC kan oleïne (22 oC), dubbel oleïne (15 oC) en triple oleïne (10 oC) gewonnen worden.

Stearine (42 oC) vindt zijn toepassing in croissant- en bladerdeegboter, het remt vetbloem op chocolade en het werkt als smaakversterker in melkchocolade. Het is namelijk toegestaan om 5% chocoladevreemd vet te gebruiken.

De oleïnes (10-28°C) hebben als voordeel, dat ze zachter melkvet opleveren bij kamertemperatuur, een sterkere melkvetsmaak hebben en een gezondere vetzuursamenstelling (tot ruim 50% meer onverzadigd vet), aldus dhr. Boer.

Applicaties van oleïnes zijn velerlei: verpompbaar bij kamertemperatuur, verzachten van de consistentie in bijvoorbeeld smeerbare boter, smaakversterker vanuit compositie- en vanuit consistentie-oogpunt en verbetering van de vetzuursamenstelling. Oleïnes zijn ingrediënt voor kant- en klaarmaaltijden en soepen en een grondstof voor ‘flavours’.

Op een vraag of het interessant is nog lagere smeltpunten te bereiken antwoordt dhr. Boer, dat er een product op de markt is met een smeltpunt van 7°C. Er is echter geen vraag naar. Het heeft ook zo zijn nadelen, want het maakt een extra processtap nodig (kosten!). De overblijvende fracties moeten ook vermarkt worden en door de hoge mate van onverzadigdheid oxideert zo’n product sneller. Dat laatste is in de fabriek wel weer op te lossen via vacuümverpakking of via diepvriezen, maar ook dat maakt het product extra kostbaar.

Een andere vraag: is vloeibare bakboter een toepassingsoptie voor oleïnes? Antwoord: zou kunnen, maar in de praktijk worden plantaardige oliën gebruikt uit kostenoverwegingen.

Dhr. Fons Michielsen zit wat met de benamingen. Hij onderscheidt boterolie (99,6 % vet), watervrij melkvet (> 99,8 % vet) en ghee (99,6 % vet met smaakstof). Dhr. Boer zegt geen verschil te maken qua benaming tussen melkvet en botervet.

Mevr. Klaske van Hoeij vraagt naar de mogelijkheden om ook de aromafractie te isoleren. Dhr. Boer wil zich daar niet over uiten. Dat laat hij over aan de aromahuizen.

Kunnen koeien de melkvetsamenstelling veranderen?

Ad van Vuuren van de Animal Science Group van Wageningen UR gaf een uiteenzetting over voeding en vetzurenprofiel. Vetzuren spelen een rol bij aandoeningen als hart- en vaatziekten, type 2 diabetes en kanker. Uit dien hoofde is er uitgebreid aandacht voor vetzuren als voedingscomponenten. Het voedingspatroon van de westerse mens wijkt qua inname van vet en vetzuren behoorlijk af van de aanbevolen hoeveelheden. De bijdrage van zuivel in de vetconsumptie bedraagt gemiddeld 14% en voor essentiële vetzuren beperkt zich dat tot enkele procenten. Via het melkveerantsoen is het gehalte aan vetzuren in de melk niet zonder meer te verhogen. Extra vet in het rantsoen verhoogt weliswaar het VEM gehalte (meer energie), maar het is geen energiebron voor microben in de pens. De (onverzadigde) vetzuren uit voedervet remmen de celwandvertering, verlagen de voeropname en verlagen het melkvetgehalte.

Door het vet te beschermen (via verhitting, formaldehydebehandeling, eiwitomhulling, geleren, verzepen, of behandeling met acyl-amides) kan het melkvetzuurprofiel verbeterd worden.

Van Vuuren doet verslag van een proef met een gel van lijn- en sojaolie. De koeien werden vijf weken beperkt geweid en kregen vijf weken stalvoedering. Er was een controlegroep tegenover een groep die 1,5 kg gel per dag kreeg. Wekelijks werden de melkzuren bepaald. Het linolzuurgehalte zowel als het linoleenzuurgehalte van de gelgroep kwam inderdaad tweemaal hoger uit dan bij de controlegroep.

Ook met Ca-zeep van raapzaadolie en met oleamide kunnen enige resultaten worden geboekt.. Zoiets kan ook worden bereikt via een overdosis van meervoudig onverzadigde vetzuren. Dat kan met vers gras, met geëxtrudeerde zaden en met algen.

Conclusie: melk is een unieke bron van cis-9, trans-11 vetzuren, die door sturing van de pensfermentatie verhoogd kunnen worden. Het is echter een precair evenwicht, want melkvetdepressie ligt op de loer.

Het publiek reageert kritisch. Mevr. Klaske van Hoeij zou het lijnzaad liever rechtstreeks aan het brood toevoe-gen. De omweg via de koe heeft maar een efficiency van 30%. Dhr. Piet Verhagen verwacht een niet mis te verstane verhoging van de kostprijs. Een andere vragensteller verwacht een gewenning van de koeien aan de voersupplementen, waardoor de pensbacteriën zich gaan aanpassen.

Vetzuursamenstelling en evolutie

Frits A.J. Muskiet (Hoogleraar Pathofysiologie en Klinisch Chemische Analyse aan het Universitair Medisch Centrum Groningen - UMCG) belichtte de evolutionaire achtergrond van de vetzuursamenstelling van onze voeding.

In de afgelopen 10.000 jaar, en met name in de laatste 200 jaar, hebben we de samenstelling van onze voeding drastisch veranderd, waaronder de vetzuursamenstelling. De stijgende inname van bepaalde verzadigde vetzuren, de industrieel geproduceerde transvetzuren en omega 6-vetzuren (linolzuur), en de daling van omega 3-vetzuren (vooral EPA en DHA) hebben ons in een toestand van “lage graad ontsteking” gebracht die, samen met andere fouten in onze huidige leefstijl, een verscheidenheid van ziekten veroorzaakt.

Cijfers van 2007 tonen aan, dat in de VS 20 tot 30% van de volwassenen problemen heeft met vetzucht (obesitas). Alleen de staat Colorado springt er nog relatief positief uit met 17,6%. In Nederland is het aantal volwassenen met een BMI van ≥ 30 kg/m2 sinds 1981 gestegen van 5% naar 11% in 2006. Dit brengt Prof. Muskiet tot de stelling, dat obesitas niet een ziekte is, maar een risico-factor. Dat relateert dan weer aan gevoeligheid voor diabetes, hart- en vaatziekten en kanker. Ook wordt het steeds duidelijker, dat zenuwontstekingen (neuroinflammatie) een belangrijke rol speelt in het ontstaan van depressie, vasculaire dementie en neurodegeneratieve ziektes, zoals de ziekte van Alzheimer, en dat een disbalans tussen arachidonzuur en de visolievetzuren. EPA en DHA hierbij een rol speelt. Hoe de vetzuren in onze voeding ontstekingen (inflammatie) bevorderen en onderdrukken wordt eveneens duidelijker en blijkt diep verankerd te liggen in onze evolutionaire strijd tegen infectieuze agentia via ons immuunsysteem.

De mens heeft zijn evolutie ondergaan op de grens van land en water. Hij had een kust-dieet (‘land-water-diet’) vanuit een zeer rijk ecosysteem. Fossielen gevonden in Oostelijk Afrika tonen aan, dat duizenden jaren geleden uitgebreid visproducten werden geconsumeerd. Inmiddels zijn we ver bij het kustdieet vandaan. Dat leidt tot gebrek aan Jodium, Vitamine A,Vitamine D en Essentiële vetzuren.

De agrarische revolutie leidde vervolgens tot een geheel ander voedingsaanbod. In de VS werd in 1815 <10 kg suiker per persoon per jaar gebruikt. In het jaar 2000 was dit opgelopen tot 70 kg per persoon ofwel 200 g/dag.

Nadien leverde de industriële revolutie sinds 1900 nog eens een stijging van het vetgebruik op van 22% van de energieinname tot tegen de 40% in 2000 gecombineerd met een toename van het gebruik van verzadigde vetten van 8% naar 18%. Ook nam de consumptie van onder meer omega 3-vetzuur af. Terwijl juist dit essentiële vetzuur zo veel palmares heeft: anti-trombose, anti-artherosclerose, bloeddrukverlagend etc.

Toevoegen aan het dieet van omega 3 - en omega 6 langketen vetzuren heeft op veel gezondheidsaspecten gunstige effecten.

Er lijkt een verband te zijn tussen postnatale depressie en vis eten. In landen waar traditioneel veel vis wordt gegeten komt postnatale depressie significant minder voor dan in landen waar minder dan 40 lbs/persoon/jaar wordt geconsumeerd. Hiertoe behoort ook Nederland.

Vervolgens bouwt prof. Muskiet een redenering op met risico’s van een chronische depressie, die kan uitmonden in dementie waar vetzuurinteracties mogelijk een rol spelen.

Wanneer 10% van de energiecomponetnt van een gemiddeld VS-dieet wordt vervangen door een koolhydraat of een specifiek vet heeft dat wisselende gevolgen voor de cholesterolspiegel. Met name koolhydraten, maar ook boter, palmolie, margarine leveren hogere cholesterolgehalten op. Daarentegen leveren olijfolie, raapzaadolie en soya-olie lagere cholesterolwaarden op.

Diverse onderzoeken onderbouwen de stelling, dat verzadigde vetten ontstekingen veroorzaken.

Toch rapporteerde Mann al in 1972 in het American J. of Epidemiology, dat de Masaai in Kenya een opmerkelijk dieet hebben met gefermenteerde melk en vlees. Kortom veel verzadigd vet en cholesterol. Desalniettemin is de fysieke conditie buitengewoon goed, zijn er weinig problemen met hart- en vaatziekten en is hoge bloeddruk ongebruikelijk. De gemiddelde cholesterolspiegel is 3,2 en zelden hoger dan 3,8 mmol/l.

Een andere vaststelling kan zijn, dat diëten met sterk verlaagde koolhydraatinname veel meer effect sorteren op diverse gezondheidsterreinen dan diëten met een verlaagde vetinname.

Als algemene conclusie formuleert prof. Muskiet, dat terugkeer naar een evenwicht niet bereikt kan worden door elk dieetcomponent afzonderlijk te bestuderen. Met instemming citeert hij dan ook O’keefe en Cordain die in 2004 stelden: ‘Sociaal zijn wij mensen van de 21e eeuw, maar genetisch blijven we burgers uit het Paleontische tijdperk’

Verslag: Willem van Middendorp

Als dagvoorzitter mocht Joris Scholten Linde op dinsdag 2 november 2010 een zeventigtal belangstellenden - op locatie - welkom heten. Het Genootschap was namelijk te gast bij NIZO Food research in Ede. De gekozen vergaderplek sloot goed aan bij het dagthema: Innovatie. Scholten Linde noemde dat ook in zijn welkomstwoord: 'al vele nieuwe processen, producten en apparatuur zijn in Ede ontwikkeld en voor vermarkten geschikt gemaakt.'

Innovatie of vernieuwing is het invoeren van nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen, zo leert ons Wikipedia. Innovatie is iets anders dan een uitvinding. Een ontdekking die nooit uit het laboratorium komt, blijft een uitvinding.

Lees verder