Leden login

Gezonde koeien, veilige melk

In de eerste plaats door adequate bedrijfsvoering door de melkveehouder, en deelname aan bestrijdingsprogramma’s, heeft Nederland de zoönosen onder de duim gekregen. Ook integrale kwaliteits-borging en een groot kwaliteitsbesef op de boerderij en in de rest van de productie-kolom zijn cruciaal. Melk van zieke dieren mag niet aan de fabriek worden geleverd. Mocht de door de melkveehouder aangeleverde melk voor verwerking toch besmet zijn met voor de mens overdraagbare dierziekten, dan is deze dankzij de diverse verwerkingsstappen (bijv. pasteurisatie) in de fabriek toch nog veilig. Aldus kan de boodschap van het voorjaarssymposium 2002 worden samengevat.

Dit symposium werd gezamenlijk met de Groep Geneeskunde van het Rund georganiseerd.

 

Definiëring

Zoönosen (Grieks: zoon 'dier', nosos 'ziekte') zijn ziekten bij de mens veroorzaakt door een aandoening of een pathogeen bij een dier, zo doceerde prof. Noordhuizen in zijn parapluverhaal.

Het gaat hierbij om bacteriën, parasieten en virussen die van dier naar mens overgedragen kunnen worden. Melkerskoorts (Leptospirose) is illustratief. De verschijnselen lijken op die van griep en de ziekte treft vooral melkveehouders. Zoönosen zijn feitelijk niets nieuws. Al in het begin van de twintigste eeuw was bekend, dat je door het drinken van ongepasteuriseerde verse koemelk van een besmet bedrijf, geïnfecteerd kon raken met brucellose of tuberculose. Het drinken van rauwe melk was in die dagen de gewoonste zaak van de wereld. Dit betekende dat je als melkdrinker een reëel risico liep een brucellose- of tuberculose-besmetting op te lopen. Nu is dit compleet anders al was het maar omdat melk doorgaans gepasteuriseerd wordt. Noordhuizen concludeerde dat zoönosen er weliswaar altijd zullen blijven, o.a. door de hypersanitaire situatie bij de mens (samen met een toegenomen ziektegevoeligheid). Zoönosen zijn zeer divers van aard en hebben effect op de zuivelkwaliteit (technisch of imago). De economische en politieke effecten zijn groot. Er is een noodzaak tot aanpassingen op het melkveebedrijf om zekerheden te bieden. Tenslotte: Monitoring, risicoschatting en risicobeheersing zijn nodig. Bij voorkeur geïntegreerd waar het gaat om operationele aspecten van second opnion beoordeling en inspectie. Het HACCP-concept kan hierbij een goede rol spelen.

Bestrijdingsprogramma’s

Dhr. van der Sommen, afd. dierziekten van het RVV verstrekte een overzicht van de gang van zaken bij de bestrijding van aangifteplichtige ziekten (bijv. Brucellose, Tuberculose, MKZ en BSE/TSE).

Steeds nadrukkelijker gaat de aandacht uit naar preventie voorafgaand aan bestrijding. Bij preventie kent men twee pijlers namelijk risk assessment en monitoring. Bij de bestrijding wordt gewerkt met verdenkingen (na bijv. monitoring of door de veehouder of dierenarts opgemerkte afwijkingen of bij controle aan de slachtlijn of bij tracering na een geconstateerde besmetting.

Dr. Verhoeff noemde enkele voorbeelden van zoönosen die op vrijwillige basis bestreden worden. Voorbeelden daarvan zijn Salmonellose, Paratuberculose en Leptospirose. Voor de opsporing van besmette bedrijven en het bewaken van de vrije bedrijven wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van het onderzoek van tankmelkmonsters, aldus de spreker. ‘Deze monsters kunnen worden beschouwd als representatieve monsters voor de gehele lacterende populatie. Omdat ze elke 2 dagen aangeleverd worden aan het melkcontrolestation, zijn ze gemakkelijk beschikbaar voor laboratoriumonderzoek.’ Ontwikkeling en validatie van met name de tankmelktesten heeft veel inspanning gekost. De leptospirosevrij certificering is de oudste en begonnen in 1993. Aanvankelijk was het infectieniveau ongeveer 30 procent (in 1990). In januari 2002 waren, volgens Verhoeff, nog slechts 970 van de 25.561 melkleverende bedrijven niet vrij van leptospirose (het gaat om slechts 4%). ‘Op deze bedrijven wordt door KKM druk uitgeoefend om zich te saneren.’ Bewaking van de aanvoer van dieren gebeurt via het I en R-systeem, het bedrijfsregister, dat door de EU is vastgesteld en inmiddels in Nederland door het Ministerie van LNV zelf wordt beheerd. Correct bijhouden van het register wordt mede bepalend voor het toekennen van dierpremies. Alle veehouders krijgen 4 keer per jaar een register toegestuurd met een beknopte invulinstructie. In 2000 is begonnen met de salmonellosevrij-certificering. Steek-proefonderzoek had uitgewezen dat op ongeveer 10 procent van de melkvee-bedrijven de infectie aanwezig is of recent aanwezig is geweest. Ook hierbij wordt gewerkt met onderzoek van tankmelk. In januari 2002 zijn 2247 bedrijven gecertifi-ceerd als salmonellose-onverdacht.

Bij de bestrijding van paratuberculose (een mogelijke zoönose) kan geen gebruik gemaakt worden van tankmelkonderzoek. Bacteriologisch onderzoek van de mest is een belangrijk diagnosticum, maar stelt hoge eisen aan kwaliteit van laboratorium en personeel. Een faeceskweek en duurt ongeveer 4 maanden. Bloedtesten hebben nog steeds een vrij lage gevoeligheid. Omdat de infectie optreedt gedurende het eerste levensjaar en de besmetting pas op latere leeftijd (en dan nog moeizaam) is vast te stellen, nemen preventieve managementmaatregelen een belangrijke plaats in bij de bestrijding. Hiervoor is de zogenaamde parawijzer ontwikkeld. Dat is een vragenlijst met 41 vragen: 33 vragen over de kalveropfok en 8 over bedrijfshygiëne en registratie. De GD geeft scores aan de antwoorden van de vragen. Door verwerking van de scores kunnen de belangrijkste maatregelen ter verbetering van de preventie worden geselecteerd. Zo wordt het voor de veehouder mogelijk stap voor stap verbeteringen aan te brengen, in volgorde van belangrijkheid. In de loop van de tijd en na gunstig verlopen bloed- of mestonderzoeken verkrijgt men langzamerhand een hogere status. In januari 2002 hadden 67 bedrijven de hoogste status bereikt, terwijl 927 bedrijven een onverdachtstatus van een lagere orde hadden. Er werken momenteel 2516 bedrijven binnen het parawijzersysteem.

 

Zuivelbereiders

De eisen die worden gesteld aan het melkveebedrijf, het transport van de melk en de verwerking van de melk tot melk- en zuivelproducten zijn vastgelegd in de Europese Zuivelhygiëne-richtlijn (92/46/EEG), vertelt ir. Bouwman van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaange-legenheden in de Zuivel (www.cokz.nl) te Leusden.

De richtlijn heeft betrekking op de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk. Het COKZ is in Nederland namens de overheid belast met toezicht op de naleving van de voorschriften. Ze voert inspecties uit bij bedrijven, zowel boerderijzuivelbereiders als de zuivelindustrie. Onder het toezicht van het COKZ valt ook de monstername bij de melkaflevering vanaf de boerderij en het onderzoek van het MCS in Zutphen. In de EU-regelgeving worden eisen gesteld wat betreft het melkveehouderij-bedrijf, het transport van de melk en de verwerking van de melk tot melk- en zuivelproducten. Daarnaast worden

(o.a. microbiologische) normen gesteld aan de rauwe melk en de melk- en zuivelproducten, die hieruit worden bereid. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Nederlandse Warenwet, de Landbouwkwaliteitswet en de PZ-verordening Uitbetaling Boerderijmelk naar kwaliteit en gewicht. Expliciet meldt de Zuivelhygiëne-richtlijn (92/46/EEG) dat het melkvee tbc- en brucellose-vrij moet zijn. Verder mogen de koeien geen tekenen vertonen van besmettelijke, naar de mens overdraagbare ziekten of andere ziekten. Niet lijden aan aandoeningen van het genitaal apparaat waarbij afscheiding optreedt, geen darmontstekingen met diarree en koorts of een zichtbaar ontstoken uier, worden ook expliciet benoemd.

RVV

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV, te Voorburg) is een uitvoerende dienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een van haar taken is de zorg voor de bestrijding van dierziekten. Drs. Erik van der Sommen van deze organisatie (www.minlnv.nl/lnv/algemeen/rvv/) licht toe dat de RVV het vooral gaat om preventie van zoönosen daar waar ze kunnen ontstaan: op het melkveebedrijf. Voor-komen is immers beter dan blussen, zo luidt het adagium. Daartoe keurt de RVV met name levende en dode dieren, vlees en vleesproducten en houdt ze toezicht op de naleving van dierenwelzijnvoorschriften en op de naleving van hygiëne- en inrichtingseisen voor bedrijven. Slachthuismateriaal wordt (zoals de overheid voorschrijft) bijvoorbeeld gemonitord op bijvoorbeeld het voorkomen van tuberculose en brucellose, ook in de KI-stations worden de dieren bekeken. Voor brucellose worden ook de verwer-pers onderzocht. Dat zijn de koeien die een abortus hebben gehad. Ook wordt tankmelk onderzocht en vindt bloed-onderzoek plaats. In slachthuizen wordt ook gekeken naar het voorkomen van bse. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de destructiebedrijven.

Gezondheidsdienst voor Dieren

Een deel van de onderzoeken, zoals naar tuberculose, gebeurt bij de Gezond-heidsdienst Dieren (GD, te Deventer). De bestrijding van deze ziekte en brucellose liggen overigens aan de basis van de oprichting deze particuliere privaat-rechtelijke organisatie in 1919. Dit gebeurde op initiatief van de Nederlandse zuivelcoöperaties en het Friesch Rundvee Stamboek (zo heette dat toen).

De GD ondersteunt ook veehouders bij ziektepreventie en ziektebestrijding. Vaak gebeurt dat in samenwerking met andere dienstverlenende organisaties in het landbouwbedrijfsleven. Ook bestaan goede contacten met dierenartsen (-praktijken).

Dierenarts

De dierenarts speelt op verschillende plaatsen in de keten een belangrijke rol, niet alleen op de het melkveebedrijf, maar bijvoorbeeld ook in het slachthuis (RVV) bij bijvoorbeeld het herkennen van tuberculose; de georganiseerde monitoring. Van oudsher is de dierenarts er (net als de huisarts) om zieke dieren te genezen. De melk van deze dieren wordt dan niet in de melkketen verwerkt. Pas na de zogenoemde wachttijd van de gebruikte medicijnen mag melk weer worden verwerkt tot smakelijke zuivelproducten. Dierenarts dr. Theo Lam (Vorden) wijst ook op de preventieve taken, zoals het nemen van zoötechnische maatregelen op de boerderij om te voorkomen dat dieren elkaar besmetten. Ook vaccinatie, omstreden bij de laatste mkz-crisis, rekent hij hiertoe. Een andere belangrijke en niet te onderschatten rol is die van adviseur. ‘Het verleden heeft bewezen dat dierenartsen vaak in staat zijn veehouders te overtuigen deel te nemen aan bepaalde bestrijdings-programma’s’, aldus Lam. De verwachting is daarbij dat het Periodiek Bedrijfs Bezoek (PBB), als onderdeel van Keten Kwaliteit Melk (KKM), de communicatie tussen melkveehouders en erkende rundveedierenartsen zal stimuleren.

Melkveehouder

Melkveehouder Henk Berends uit Almen heeft een genuanceerde visie op de bestrijding, bewaking en preventie van zoönosen en andere veeziekten. Hij ziet goede kansen omdat de voedselveiligheid steeds meer centraal komt te staan en er sprake kan zijn van een toegevoegde marktwaarde. Er zijn echter ook bedreigingen omdat het de boeren onvoldoende beloning vanuit de markt oplevert. Het draagvlak voor verdere regelgeving en controle neemt daardoor bij de melkveehouders af.

De inspanningen zullen er dan ook op gericht moeten zijn om de boer de vergoedingen te verstrekken die nodig zijn om de hoogste kwaliteit melk te leveren.

Verwerkingsprocessen

Dr. te Giffel belichtte de rol van de verwerkingsprocessen bij de beheersing van zoönosen in de zuivelketen. Het uitgangpunt is voortreffelijk: In 2000 was 97,8% van de melkleveranties door de boeren aan de zuivelfabriek zonder kwaliteitskorting. Desalniettemin is er bij de verwerking van melk aandacht nodig voor de kwaliteit vanwege verlenging van houdbaarheid, uitstellen van enzymatisch en/of microbiologisch bederf en inactivatie van pathogenen. Methoden zijn verhitten en verzuren.

Pasteurisatie is in principe voldoende om Listeria, Coli-bacteriën, Salmonella’s en Campylobacters kwijt te raken. Een nieuwe ontwikkeling bij verhitten is de Innovatieve Stoom Injectie (ISI). ISI werkt met hoge temperaturen (> 150°C) gedurende zeer korte tijd (< 0,10 sec). Voordelen zijn een sterke inactivatie van hitte-resistente sproren, weinig wei-eiwit denaturatie en toch een goede smaak.

Verzuring doet bacteriën die zoönosen veroorzaken niet meer groeien. Behalve campylobacter overleven ze de verzuring.

Mevr. te Giffel concludeerde dat zoönosen door faecale bemetting in (rauwe) melk en rauwmelkse zuivelproducten voorkomen. Door ketenbeheersing is een evenwichtige situatie te bereiken. Omdat 25% van de bevolking tot risicogroepen hoort , is goede voorlichting (adequate labeling van producten, contact met dieren, rauwmelkse status e.d.) van groot belang.

Discussie

In afsluitende forumdiscussie werd gesteld dat in de relatie van producent naar consument de perceptie en emotie een belangrijke rol spelen. Dhr. Noordhuizen antwoordde daarop, dat het daarbij gaat om imago, vertrouwen bij de consument. Impact, onvrijwilligheid en onvoorspelbaarheid spelen ook mee. Deze drie dingen moeten vertaald worden en daarom is communicatie op alle niveaus en zo breed mogelijk van belang.

Zuivelonderwijs; moet het anders

Sterkere rol bedrijfsleven bepleit bij zuivelonderwijs

Terugloop studentenaantallen

Verslag: Willem van Middendorp

Om het sterk dalend aantal studenten zuiveltechnologie te keren, is ingrijpen door de zuivelindustrie noodzakelijk. Dit bepleitte ir. Fons Michielsen van AOC Friesland tijdens het najaarsymposium van het Genootschap ter Bevordering van Melkkunde. De kwaliteit van het onderwijs kwam als eerste ruim aan bod.

Dr. Ad Juriaanse, directeur van Nizo food research (Ede) beet 's morgens in Wageningen het spits af tijdens het symposium 'Zuivelonderwijs: moet het anders?' op 13 november jl. 'De vragen die de zuivelindustrie stelt zijn veranderd', hield hij de ruim 60 toehoorders voor. Onderzoek en ontwikkeling moet in steeds kortere tijd gebeuren, innovaties staan steeds meer voorop en de zuivelproducten moeten sneller op de markt. Dit houdt in dat bedrijven van de Nizo technologen verwachten dat zij zich snel verplaatsen in hun problematiek en met een oplossing te komen. Voor de onderzoekers is het daarom belangrijk dat ze snel en goed af kunnen wegen 'wat hun kennis betekent in de praktijk van de opdrachtgever'. Richting Wageningen Universiteit, waar veel van de academici binnen Nizo vandaan komen, merkte de Nizo-directeur op dat hier meer aandacht aan besteed zou mogen worden. Nog te veel wordt daar gedacht dat dit iets 'voor later' is; 'voor na de studie'.

Intern opleidingstraject

Om de kwaliteiten van de onderzoekers (zo nodig) te verbeteren, volgen ze bij Nizo een intern opleidingstraject. 'Dat is hard nodig.' Belangrijke onderdelen zijn bijvoorbeeld projectmanagement, communicatie in het algemeen maar ook rapportages, het schrijven van een projectplan, overleg met de klant, onderhandelen, sales en account management en marketing. Aan wetenschappers 'pur sang' is nog maar weinig behoefte in een moderne maatschappij, zo lijkt het. 'Technologen moeten de wetenschappers bij de klant adviseren bij hun beslissingen', aldus Juriaanse. Inmiddels werken bij Nizo in totaal 76 academisch geschoolden. Naast 29 Wageningers, zijn deze opgeleid aan zo goed als alle technische universiteiten, waaronder 11 uit Groningen en acht uit Utrecht. Ad Juriaanse verwacht dat er in de toekomst meer buitenlandse academici aangetrokken gaan worden. Nu zijn het er zes. Zijn voorkeur gaat uit naar mensen die uit de industrie komen. Zij kennen immers de noden van de bedrijven. De vraag man of vrouw is een gepasseerd station. In een reactie op de lezing van Juriaanse, wees dr.ir. Tiny van Boekel de toehoorders erop dat projectmanagement de laatste jaren steeds meer aandacht krijgt binnen de opleiding tot voedingsmiddelentechnoloog. Van Boekel is hoogleraar Productontwerpen en Kwaliteitskunde en zuiveltechnoloog aan Wageningen Universiteit. Hij waarschuwde dat de balans met wetenschappelijk opleiden niet in gevaar mag komen.

Zuivelhoogleraar

Een spreker die als geen ander de noden kent van de zuivelindustrie, is dr. Jos Lankveld. Hij is bijzonder hoogleraar Zuivel bij Wageningen Universiteit en was daarvoor jarenlang stafdirecteur Research bij Campina. Als het gaat om de behoeften van de zuivelindustrie, noemt hij het Wageningen Centre for Food Sciences als toonbeeld. Binnen de muren van de universiteit ziet hij de zuivelkunde vooral als een generieke vertaalfunctie van wetenschappelijk onderwijs naar de praktijk. Onderwijs in productkennis is hierbij van groot belang, als onderdeel van kennis van de integrale keten (van boerderij naar consument). De opleiding zuivelkunde zou wat Lankveld betreft een verplicht vak mogen worden binnen de opleiding levensmiddelentechnologie aan WU. 'Naast bijvoorbeeld vleeskunde of groente/fruitkunde.' Hij vindt ook dat zuivelkunde meer aandacht zou mogen krijgen. 'Een grotere kritische massa is vereist voor de garantie van continuïteit.' Inmiddels heeft hij in de persoon van ir. Hein van Valenberg een medewerker. Bij de keuze van afstudeeronderwerpen, vindt overleg plaats met de beide grote en andere zuivelbedrijven, maar ook met onderzoeksinstituten als Nizo en ATO. Over belangstelling mag Lankveld niet klagen. 'Dit jaar deden al vijf studenten een afstudeervak, momenteel zijn er zeven bezig en er volgen nog zes de komende maanden.' Onderwerpen worden uit de hele zuivelketen gehaald en er wordt ook vanuit andere vakdisciplines naar gekeken, bijvoorbeeld marktkunde of bedrijfskunde. De afstudeeronderwerpen zijn zo veel mogelijk projectgericht: uitgaande van een probleem wordt een oplossing of aanpak gezocht. Lankveld merkt op dat goede begeleiding essentieel is bij het welslagen van een opdracht. Momenteel zijn er ook enkele promotieonderzoeken. Bij het onderzoek naar de modellering van het microbiologisch ecosysteem in relatie tot voedselveiligheid en diergezondheid, is ook Nizo food research betrokken. Centraal staat de rol van schadelijke micro-organismen.

Friesche Vlag-teams

Een andere man uit de praktijk is ing. Geert Kooiker, plant manager bij Friesche Vlag voor de fabrieken in Groningen en Drachten. Hij vertelde dat binnen de bedrijven steeds meer in teams wordt gewerkt. Prestaties zijn daarom bijna altijd teamprestaties, en dus is de samenstelling van een team cruciaal. Zuiveltechnogen maken hier deel van uit. 'Als er problemen zijn, zijn er altijd meer oplossingen', aldus Kooiker. Een wezenlijke taak voor de technoloog is het analyseren van problemen en het wegen van de oplossingen. Ook het kunnen interpreteren van technologische gegevens, het begeleiden van het invoeringsplan bij een oplossing en het zo veel mogelijk standaardiseren van de werkwijzen, ziet Kooiker als belangrijk taken. Kennis is hierin een belangrijke factor voor de technoloog, maar ook het kunnen functioneren in een team. 'Onderwijsinstellingen mogen studenten meer opleiden voor hun rol in de onderneming', besluit hij.

Niet sexy

Naast de inhoudelijke kant van het onderzoek, kwam een andere onderwerp aan de orde. Zuiveltechnologie is niet sexy in het onderwijs. Het trekt veel te weinig leerlingen aan en dat baart zorgen. De industrie heeft steeds meer behoefte aan goed opgeleid personeel. Dit geldt voor de hele linie van MBO tot en met universitair, daarover waren de vertegenwoordigers uit industrie en onderwijs het zonder voorbehoud eens. Ir. Fons Michielsen van het AOC Friesland was degene die in zijn lezing de problematiek besprak. Hij kwam met enkele cijfers voor de opleiding voedingsmiddelentechnologie als geheel. In 1997 waren er nog ruim nieuwe 350 HBO-studenten, vorig jaar een 150-tal instromers. Het totaal op MBO-niveau schommelt de laatste twee jaar rond de 300. In Wageningen is de situatie al niet veel beter, zo bleek uit de woorden van professor Lankveld. Hij verweet de directies van de zuivelondernemingen dat zij 'de problematiek niet zien'. Zij kijken onvoldoende ver vooruit, aldus een duidelijk bij het onderwerp betrokken Michielsen. 'Ze zeggen wat ze morgen nodig hebben.' Opleiden kost tijd, maar belangrijker is dat meer scholieren kiezen voor zuivelonderwijs, en dat traject kost ook tijd. Het idee om afgestudeerden uit het buitenland te halen gaat volgens de docent niet op. Ook in Duitsland, Frankrijk, Engeland dalen de aantallen met 10 tot 40% per jaar. Een ander probleem is dat de opleidingen, van AOC tot en met universitair, steeds meer onder financiële druk komen te staan. Niet alleen bij het AOC maar ook in Wageningen staan de budgetten onder druk. Hoe minder afgestudeerde studenten, hoe minder geld voor de opleiding van nieuwe studenten. Michielsen weet dit als docent als geen ander. Een van de gevolgen is volgens hem de extensivering van het onderwijs. Het aantal zogenoemde contacturen tussen docent en student is ten opzichte van 1981 gehalveerd, zowel binnen het HBO als het MBO. 'Kennis wordt hierdoor niet meer aangevuld, terwijl bedrijven vragen om de kennis voor de toekomst.' Studenten zijn meer op zichzelf aangewezen en worden minder gestuurd. Daarboven op komt nog eens dat specifieke kennis meer en meer naar de achtergrond wordt gedrongen, constateert Michielsen. Hij vraagt zich af of de zuivelindustrie hier op zit te wachten. Michielsen is duidelijk in zijn antwoord: 'neen.'. Hij zegt dat zijn collega's hier ook zo over denken. In hun ogen moeten daarom 'heel spoedig maatregelen worden genomen voordat de kennis en de infrastructuur op onderwijs gebied die de afgelopen eeuw is opgebouwd, verloren is gegaan.' Gevolgen? Michielsen noemt toenemende faalkosten, verlies van concurrentiepositie van de Nederlandse zuivelindustrie. Hij doet daarom de oproep aan de zuivelindustrie om zich te bemoeien met het PR-beleid van het onderwijs voor voedingsmiddelentechnologen. 'Nog onvoldoende is bekend waar scholieren voedingsmiddelentechnologie kunnen gaan studeren. Bedrijven zouden wellicht langs de scholen kunnen gaan, zoals al in Finland gebeurt', weet Fons Michielsen. 'Ook is een actievere houding wel op zijn plaats richting de overheid.'

Zuivelregelgeving: lust of last?

Verslag: Willem van Middendorp

Voor het invullen van het voorjaarssymposium 2003 moest het Genootschapsbestuur grijpen naar een noodscenario. Door omstandigheden moest de voor het najaar van 2003 geplande bijeenkomst naar voren worden geschoven.

Dit pakte uitstekend uit. Voor een goedgevulde zaal in Leusden kon op 21 mei jl. een prima programma worden gepresenteerd.

De voorzitter, tevens dagvoorzitter ir. Rini Bouwman, opende met een vraag: ‘Bent u gekomen om bevestigd te worden in een vooroordeel?’ Daarmee duidend op het imago van stroperigheid, uitgebreidheid en ondoorzichtigheid, dat er aan de regelgeving kleeft.

Bouwman kon wel begrip voor opbrengen voor al die vooringenomenheid, maar somde al meteen het belang van een goede regelgeving op. Het gaat daarbij om bescherming van de volksgezondheid, de voedselhygiëne, maar ook om het bevorderen van de afzet en het regelen van de markt, aldus de voorzitter.

Het programma bood uitgebreid de mogelijkheid om dat inzicht te verbeteren.

Aansluitend was er gelegenheid de laboratoria van het COKZ te bezoeken en werd de middag afgesloten in samenzijn met de huidige directeur van het COKZ dr. ir. Leen de Jong.

 

Lees verder

Zuivelregelgeving: lust of last?

Verslag: Willem van Middendorp

Voor het invullen van het voorjaarssymposium 2003 moest het Genootschapsbestuur grijpen naar een noodscenario. Door omstandigheden moest de voor het najaar van 2003 geplande bijeenkomst naar voren worden geschoven.

Dit pakte uitstekend uit. Voor een goedgevulde zaal in Leusden kon op 21 mei jl. een prima programma worden gepresenteerd.

De voorzitter, tevens dagvoorzitter ir. Rini Bouwman, opende met een vraag: ‘Bent u gekomen om bevestigd te worden in een vooroordeel?’ Daarmee duidend op het imago van stroperigheid, uitgebreidheid en ondoorzichtigheid, dat er aan de regelgeving kleeft.

Bouwman kon wel begrip voor opbrengen voor al die vooringenomenheid, maar somde al meteen het belang van een goede regelgeving op. Het gaat daarbij om bescherming van de volksgezondheid, de voedselhygiëne, maar ook om het bevorderen van de afzet en het regelen van de markt, aldus de voorzitter.

Het programma bood uitgebreid de mogelijkheid om dat inzicht te verbeteren.

Aansluitend was er gelegenheid de laboratoria van het COKZ te bezoeken en werd de middag afgesloten in samenzijn met de huidige directeur van het COKZ dr. ir. Leen de Jong.

 

Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van veevoederregelgeving

Drs. Juul Rojer - nu nog in dienst van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA), maar per 15-08-2003 als veterinair in dienst van het COKZ – vulde de eerste inleiding in. De veevoederregelgeving heeft zijn doorwerking in de zuivelsector, constateerde Rojer. Dat is maar goed ook, want de effecten van wat de dieren eten worden in de dierlijke producten teruggevonden. Om al die reguleringen beter te structureren wordt begin 2004 een Kaderwet Diervoeders van kracht. Met het toezicht is de VWA belast. Het Produktschap Diervoeders kan zich daarnaast bezighouden met bovenwettelijke eisen. Op Europees niveau zijn de “Feed to Food”-verordening en de “Feedhygiene”-verordening in dit verband van belang. Kenmerken van deze verordeningen zijn, dat de werkingssfeer de hele keten betreft, dat HACCP wordt geintroduceerd, dat de eigen verantwoordelijkheid bij de bedrijven aangesproken wordt en dat de aansprakelijkheid wordt geregeld. In EU-verband functioneert het ‘Rapid Alert System for Food and Feed’ (RASFF), waardoor sneller kan worden geadviseerd en zonodig actie ondernomen in geval van bijvoorbeeld grondstofbesmetting. Het HACCP-verhaal is in Nederland ingevuld via GMP+. Rojer wist de zuivelaars nog even te prikkelen door te stellen: ‘Als de diervoedersector een GMP+ kan organiseren, dan kan de zuivel dat ook’.

Dit ontlokte NZO-directeur Kees Pette de opmerking: ‘Zuivel Nederland heeft de druk op de veevoedersector hoog gehouden’.

Hiermee werd geïllustreerd, dat afstemming in de keten van groot belang is, maar niet altijd van een leien dakje loopt. 

Zuivelverordeningen Productschap Zuivel

Het Productschap voor Zuivel (PZ) met zijn bestuur van ondernemers en werknemers uit de gehele keten kan de zuivelregels zeer afgewogen stellen, zo bracht beleidsmedewerker ing. Rob Oost in.

Het Produktschap heeft een nog vrij uitgebreide autonome regeltaak. Dit betreft dan met name de regelgeving uitbetaling boerderijmelk. Daarbij spelen de samenstelling, het gewicht en de gehaltes van de melk een rol. Een nieuwe ontwikkeling is, dat na de zomer van 2003 elk monster van elke leverantie op vet en eiwit wordt onderzocht. De monsters worden door de RMO-chauffeur met de monsterlepel genomen. Het gebruik van monsternameapparatuur is mogelijk, maar wordt in Nederland nog niet toegepast.

Om de kilogrammen geleverde melk te kunnen uitbetalen, wordt nog altijd eerst het volume vastgesteld. Met een omrekeningsfactor komt men dan op de kilo’s. Het systeem van directe weging op de Rijdende Melkontvangst (RMO) is nog steeds in ontwikkeling. Inmiddels zijn al wel 60 van de in totaal 400 RMO’s in Nederland uitgerust met apparatuur voor massameting.

Het PZ heeft een taak gekregen in het systeem van Keten Kwaliteit Melk (KKM). Via de regelgevende taak van het PZ is in januari 2001 de publiekrechtelijke basis gelegd voor KKM. Met ingang van 1 mei 2003 is ook de erkening van melkveehouderijbedrijven geregeld.

Dhr Bossuijt van het Melkcontrolestation in België vroeg zich af ,wat er met de melk van niet-erkende bedrijven zal worden gedaan. Dhr. Oost antwoordde dat de opties zijn: óf de melk weigeren óf de melk apart verwerken. Het is aan de ontvanger van de melk om dit te bepalen, aldus spreker.

Bestuurslid Jacob Heida (FCDF) vroeg zich af waarom de KKM in een publiekrechtelijke regeling moest worden ondergebracht. Volgens dhr Oost heeft dit te maken met de geringe keuze van melkontvangers die een boer heeft.

 Met de Zuivelverordening 2002 heeft het PZ de regels rondom de kwaliteit van melk gehergroepeerd en in één basisverordening ondergebracht. Het toezicht wordt gedaan door het COKZ.

Er zou veel voor te zeggen zijn, aldus dhr. Oost, om vervolgens de regelgeving voor uitbetaling van boerderijmelk en regelgeving rondom de borging van kwaliteit te integreren.

EU hygiëne verordeningen

Mevr. drs. Anneke Toorop beleidscoördinator bij het Ministerie van VWS ontrafelde de nieuwe EU-hygiëneverordeningen en belichtte de gevolgen voor de zuivelsector. In de afgelopen jaren ontstond er steeds nadrukkelijker aan de Brusselse burelen de behoefte tot aanpassingen. Er werd een gebrek aan geharmoniseerde voedselwetgeving en consistente maatregelen geconstateerd. De diverse crises en incidenten droegen ook aan dat veranderinggerichte gevoel bij. Bovendien was er een roep om een nieuwe aanpak ten gevolge van de ontwikkelingen naar een consumentgerichte markt, de ketenintegratie, het vastleggen van de verantwoordelijkheidsverdeling en de behoefte aan meer transparantie.

Zo ontstond een EU actieplan Voedselveiligheid. De hoekstenen daarvan zijn de nieuwe ‘General Food Law’ (GFL: Verordening 178/2002) en de oprichting van de ‘European Food Safety Authority’ (EFSA). Deze voedselautoriteit zal binnenkort operationeel worden. Het gaat op zijn Europees, dus ten dele in Parma (Italië) en ten dele in Helsinki (Finland).

De GFL kent de klassieke invulling van een levensmiddelenwet met eerst de definities en begrippen en dan de beginselen (voorzorgsbeginsel met raadpleging van het publiek), de voorschriften en vervolgens de vereisten. Bij de definities valt het begrip detailhandel op, dat dekt niet alleen de winkels waar de consument komt, maar ook de groothandel en de catering. Een andere in het oog springende definitie is die van ‘samengestelde producten’. Deze luidt: ‘Levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten’. Ondanks dat men dat zou verwachten valt toch yoghurt met fruit hier niet onder, maar wel het broodje met kaas.

Als bijlage bij de GFL is een set hygiënevoorschriften gevoegd, die zestien richtlijnen gaan vervangen. Ook de HACCP beginselen zijn er in opgenomen. Van Nederlandse zijde is gepoogd om ook de primaire sector er in onder te brengen. Dat is echter niet gelukt.

 De inwerkingtreding wordt voorzien op 1 januari 2005.

Discussiepunt bij het opstellen van de hygiënevoorschriften is bijvoorbeeld de wijze van registreren c.q. erkennen. Zoals het er nu voorstaat moet een bedrijf zich zelf aanmelden. Een ander discussiepunt betreft de ‘traditionele producten’. Hier zal waarschijnlijk gewerkt gaan worden met ontheffingen via een productbeschrijving en risicoanalyse. De traditionele producten worden opgenomen in artikel 10 van H2, waar de nationale regelgeving is weergegeven. Aldaar zijn ook de regels voor rauwe melk genoemd. Dit is overigens het enige product dat nationaal geweigerd mag worden.

 Momenteel is mevr. Toorop druk doende met de inbreng rondom de microbiologische criteria. Een microbiologisch criterium moet omvatten:

-          een analytische referentiemethode, incl. de detectielimiet

-          de analytische tolerantie (indien beschikbaar)

-          een gepast bemonsteringsschema

-          de microbiologische grenswaarde.

Er is in de EU discussie ontstaan over de analytische onzekerheid. Wanneer voldoet een partij aan de normen? Hier zijn twee standpunten: De ene zegt dat er nog rekening moet worden gehouden met de meetonzekerheid in het analytisch resultaat en de ander vindt dat bij de vaststelling van de normen er al enige ruimte moet zijn ‘ingecalculeerd’ voor de meetonzekerheid. Zeker is wel de normering rond het geometrisch gemiddelde van drie resultaten gaat verdwijnen.

Op vragen uit de zaal antwoordt mevr. Toorop nog, dat er in Nederland niet veel zal veranderen, wanneer deze regelgeving mogelijk pas in 2006 of 2007 geheel van toepassing is. Er zullen waarschijnlijk meer bedrijven een erkenning moeten aanvragen en iets meer ondernemingen zullen onder het HACCP-regime vallen.

Nederlandse kwaliteitsstandaard?

Voor de middagsessie verplaatste het gezelschap naar de kantine van het COKZ.

Daar mocht oud COKZ directeur en huidige directeur NZO ir. Kees Pette het al of niet wenselijk zijn van een Nederlandse kwaliteitsstandaard bespreken.

Alvorens daar op in te gaan lichtte hij kort de nieuwe NZO toe. Sinds 1 april jl. zijn namelijk de werkorganisaties van NZO-oud, Nederlands Zuivelbureau en de Stichting Zuivel, Voeding en Gezondheid samengevoegd in een gebouw te Zoetermeer. Het is een lijnorganisatie geworden met beleid en markt in de ene poot en communicatie en kennis in de andere.

De stelling van Pette – althans in de samenvatting – was, dat het invoeren of behouden van een kwaliteitsstandaard alleen zin heeft als het leidt tot versterking van het imago van het product. In de inleiding zelf expliciteerde hij deze naar: ‘Een Nederlandse Kwaliteitsstandaard is niet wenselijk als het geen positief onderscheidend vermogen oplevert voor de Nederlandse zuivelindustrie’

Hij illustreerde dat met de voorbeelden van de kwaliteitstandaarden kaas en boter die rond 1900 tot stand zijn gekomen. Nadat later vrijwel de gehele zuivelproductie er onder was gebracht kon je je afvragen of nog steeds imagoversterkend werkte, zo meende Pette.

De NZO directeur zei mogelijkheden te zien voor een zorgvuldig ontwikkelde en goed geïmplementeerde kwaliteitsstandaard voor een deel van de Nederlandse productie, mits die wordt begeleid door een uitgekiende marketing strategie.

De Nederlandse zuivelindustrie investeert in naamsbekendheid, merken en markten met als doel: extra opbrengst genereren, aldus Pette. Hij signaleerde een afnemende afzet van de Nederlandse zuivel naar de wereldmarkt. Deze trend wordt nog versterkt door de ontwikkeling naar een EU met 25 lidstaten. Naar zijn mening biedt dit meer kans voor marktbewerking. Het aandeel van producten uit Nederlandse melk onder merk neemt toe, maar het aandeel van producten zonder onderscheidend vermogen blijft groot. Er is gewoon te veel melk, aldus spreker.

Een Nederlandse kwaliteitsstandaard valt toch wel te bepleiten zo blijkt. Vanuit de landbouwkwa-liteitsregelgeving en de Codex Alimentarius is een liberale inslag aan het ontstaan. De landbouwkwaliteitsregelingen voor boter en melkpoeder verdwijnen per 1-1-2004 en die voor kaas per 1-1-2006. Er moet dus een andere invulling komen. Als voorbeeld noemt Pette de kaas, waar met een merkbenadering een imago wordt opgebouwd. Van ‘Pikantje van Antje’ is in Duitsland bekend , dat het Nederlandse kaas is, gegarandeerd vier maanden gerijpt en streng gecontroleerd. Dat laatste zowel intrinsiek als vanwege de manier van op de markt brengen. Wat nu moet gebeuren is de beschermde geografische aanduidingen “Hollandse Gouda” en “Hollandse Edam” vastleggen. De aanvraag zal in juni 2003 worden ingediend. Naar de mening van dhr. Pette levert dit echt meer op. Hij bepleit echter om niet alle kaas hieronder te brengen. Het moet natuurgerijpte kaas uit Nederlandse melk (KKM) zijn, in Nederland geproduceerd (COKZ-controle), met Nederlands zuursels (NIZO) en in Nederland gerijpt .

Verder moeten er gemeenschappelijke kwaliteitssystemen komen voor kaas. Maar dan wel privaat afgesproken en facultatief. Daar zit dan proces- en HACCP-certificering aan vast en ook een sanctiesysteem. Dit kan zichtbaar gemaakt worden via een controlevignet. Eventuele andere partijen (zelfs buitenlandse) zouden hierbij aan kunnen sluiten, denkt Pette.

De conclusie is dat een Kwaliteitsstandaard in Nederland wenselijk is, omdat de toegevoegde waarde een betere prijs oplevert. Maar ook: een hogere standaard motiveert en het hoort bij het conceptueel denken van bedrijven die in merken en markten investeren.

Codex standaarden voor zuivelproducten

Dhr. Ir. Gert Stiekema beleidsmedewerker van het Ministerie van LNV besprak vervolgens de rol van de Codex Alimentarius in de internationale handel. De Codex geldt sinds 1962 als levensmiddelenregelgeving voor de internationale handel, zo leren we. Er zijn 167 landen lid en die beslaan zo’n 98% van de wereldhandel. De normen worden in acht-stappenprocedures ontwikkeld en door de Codex Alimentarius Commission vastgesteld. Voor de diverse onderdelen zijn er Codex Comité’s. Het secretariaat voor het Codex Comité Melk en melkproducten zetelt momenteel in Nieuw Zeeland. Dit Comité is opgericht in 1993. Onder naam van Code of Principles functioneerde dit overleg al lang voordat de Codex werd opgericht, zo wist oud-COKZ-directeur Hans van de Bas het geheugen nog even op te frissen.

Tot het nieuwe werk van de Codex hoort bijvoorbeeld het ontwerpen van een model exportcertificaat.  

Er wordt veel via internet gecommuniceerd zo meldde Stiekema. De Codex website wordt voor een bezoek aanbevolen: www.codexalimentarius.nl.

Zuivelregelgeving: lust of last voor het bedrijfsleven?

Tenslotte verwoordde ing Jan Bijloo, ‘Food Legislation Officer’ bij FCDF de visie vanuit het bedrijfsleven. Ter introductie mocht een kleine commercial niet ontbreken, meende hij. Hij zette Friese Coberco Dairy Foods neer als een multinationale onderneming, die zich richt op het winstgevend ontwikkelen, produceren en verkopen van een breed assortiment zuivelproducten en vruchtendranken onder merk voor consumenten, professionele gebruikers en industriële afnemers. In 2002 had FCDF 16.774 medewerkers in dienst van wie 5.553 in Nederland. Daarvan blijken er 2,5 zich met voedingsregelgeving bezig te houden.

Bijloo schetste als lusten van de regelgeving het feit, dat het ‘speelveld’ gelijk is, d.w.z. er ontstaat een gelijke concurrentiepositie. Hij realiseerde zich wel, dat dit staat of valt met een goede controle. Met juiste goedkeuringsprocedures is bescherming van zekere (traditionele) waarden en is helderheid een voordeel. Het grootste pluspunt van regelgeving is voor de industrie toch wel de harmonisatie. Momenteel wordt gewerkt aan de gezondheidsclaims en ook de toevoeging van mineralen en vitamines zijn onderwerp van bespreking. Bijloo is daar zelf zeer druk mee. Hij geeft aan dat er wel wensen zijn. Zo is in de EU eiwitstandaardisatie van consumptiemelk niet toegestaan, terwijl dat in Nieuw Zeeland en Australië wel mag. Daar moet hoognodig geharmoniseerd worden.

Een belangrijke last van de regelgeving is, dat deze altijd achter loopt. Het wordt vaak te laat geïntroduceerd en ook te laat afgeschaft. Een ander nadeel is de mogelijkheid van marktafscherming. Zo kent Italië de regel, dat gepasteuriseerde melk maximaal vier dagen oud mag zijn. Onder die condities valt het voor de exporteurs niet mee om consumptiemelkproducten de Alpen over te krijgen.

Een last is ook de veelheid aan eisen en soms de tegenstrijdigheid erin, aldus Bijloo. Aspecten die hij eveneens aanstipte waren: ondoorzichtigheid, verschil in interpretatie, effecten van nationale eisen en tenslotte ruimtegebrek op de etiketten. Wat dit laatste betreft wees hij op de allergenenetikettering. In de EU-verordening staan alleen al tien allergene stoffen genoemd.

Ter afsluiting noemde Bijloo de randvoorwaarden, die zijns inziens nodig zijn om tot goede regelgeving te komen. Ten eerste pleitte hij voor het simpel, toegankelijk en helder houden van regelgevingsteksten. Verder moet het toegespitst zijn op het probleem. Vraag je maar eens af: “is er wel een probleem?’, aldus Bijloo.. Laat de regels zo min mogelijk bezwarend zijn. Het moet controleerbaar zijn. Als voorbeeld noemde hij daarbij de traceerbaarheid van GMO-grondstoffen.

Onder de andere mogelijkheden die benut zouden moeten worden, noemde hij opleiding (educatie van de consument) en het gebruik van de Alba-databank. Tenslotte vroeg hij aandacht voor voldoende lange overgangstermijnen.

Nieuwe conserveringstechnieken

Verslag: Willem van Middendorp

Na een aantal jaren waar de omgeving van de Zuivelaar (zuivelregelgeving, zuivelonderwijs, gezonde koeien) centraal stond, had het Genootschapsbestuur dit keer een zuiveltechnologisch onderwerp in petto. Conventionele en geavanceerde conserveringstechnieken zouden aan bod komen.

Voor een juist gevulde zaal van de Wageningse Berg met ca. 100 deelnemers konden wetenschappers en praktische technologen hun kennis spuien.

 Lees verder

Secretariaat

Natalie Hotrum

NIZO food research BV
Postbus 20
6710 BA Ede

t: +31318659646
f: +31318650400

e: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Redactie

Willem van Middendorp






e: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Lidmaatschap

Voor slechts 20 euro per jaar bent u lid van Het Genootschap.

  • Toegang tot het besloten gedeelte van de website;
  • Deelname aan symposia tegen gereduceerd tarief;
  • Ontvangen van onze periodieke nieuwsbrief.

Interesse? Meld u aan bij de secretaris!