Verslag: Willem van Middendorp

Introductie.

De nieuw aangetreden voorzitter Margreet Hovenkamp mocht tijdens het voorjaarssymposium van 2011 meteen als dagvoorzitter aan de bak. Voor de ca. 80 aanwezigen was de Haak-zaal van de Hof van Wageningen wat aan de grote kant, maar het comfort van goede presentatiemogelijkheden (zowel beeld als geluid) vergoedde veel. Ter introductie verwees de dagvoorzitter naar de vernieuwde website en het 'LinkedIn account' van het Genootschap. Op beide internetpaden zijn - voorzichtige - vervolgstappen gezet.

Het symposiumonderwerp diende zich als vanzelf aan, wanneer trends nader worden beschouwd, aldus de voorzitter.

Melk blijkt niet langer meer de logische drank bij ontbijt en lunch te zijn. De consument neigt meer naar frisdrank of sap. Hoe staat het eigenlijk met het imago van melk? Er is veel goeds te melden over melk, maar is het nodig om dat allemaal op het etiket te zetten? Hoe goed is melk eigenlijk?

Een rij van zes sprekers liet achtereenvolgens zijn of haar licht op een deelonderwerp schijnen.

Met melk méér motor

Johan Schildkamp – communicatiemanager bij NZO – beet de spits af. Met zijn meer dan dertig jaar ervaring in de zuivelmarketing was hij in staat de marktsituatie en het imago van drinkmelk in een breed perspectief te beschouwen.

In de afgelopen tien jaar is de totale melkconsumptie per capita redelijk stabiel gebleven. Er is wel een verschuiving te constateren in de richting van de niet-huishoudelijke markt. De daling in het consumptiemelkgebruik is terug te voeren op de verminderde intensiteit van het melkgebruik en in de substitutie door melkdranken. Het aantal mensen dat nooit melk drinkt is over de jaren redelijk stabiel gebleven.

Het melkgebruik fluctueert met de leeftijd. Zo tussen de 12 en 20 jaar wordt gestart met koffie en alcohol en gaat de moet-fase over in de keuze-fase en wordt melk drinken gewoontegedrag. Dit wijzigt pas weer rond het 55ste levensjaar, wanneer gezondheidsgedrag het melkgebruik gaat beïnvloeden.

De dagmomentpenetratie van het (karne)melkgebruik ligt duidelijk bij de lunch en in mindere mate bij het ontbijt.

De capitaconsumptie van drank (in liters per hoofd per jaar) ligt op 550 liter. Melk en melkdranken hebben daar zo’n 80 liter van, hete dranken ca. 200 liter, frisdrank ruim 170 liter en alcoholische dranken bijna 100 liter. Daarbovenop komt nog ca. 150 liter kraanwater.

Het imago: ‘melk is gezond’ wordt nog steeds door meer dan 80% van de consumenten als goed passend gekwalificeerd. Hetzelfde geldt voor de uitdrukking: ‘melk is natuurlijk’.

Gerekend naar de bekendheid van de consument met - bijvoorbeeld - het vetgehalte wordt de informatie op het etiket niet of nauwelijks gelezen. Nog geen 4% van de respondenten weet het juiste vetgehalte van halfvolle melk te noemen.

Als promotiedoelen wordt de laatste tijd de nadruk gelegd op drie redenen om elke dag zuivel te eten en te drinken nl. lekker, natuurlijk en voedzaam. Hiervoor is door de NZO zelfs Joris Driepinter weer in beeld gebracht.

Voor de jeugd van 12 tot 20 jaar wordt aangegeven, dat melk past in de jeugdcultuur, dat melkvet niet dik maakt en dat de productieomstandigheden diervriendelijk zijn (koe in de wei).

Bij de 20-55 jarigen moet opgebokst worden tegen het idee, dat melkvet dik maakt, plantaardig vet beter zou zijn en er (vermeende) allergieën zijn. In de promotie wordt opgesomd, dat melk hoort in het Nederlands voedingspatroon, melk een hoge nutriëntendichtheid heeft en de productieomstandigheden gunstig zijn (koe in de wei, herkomst niet ver en het hoort bij de Nederlandse cultuur).

Jaap Schrijver verbaast zich over de vermelde totale drankconsumptie van 700 liter per jaar. Dat is minder dan twee liter per dag. Is dat niet weinig? Uit de zaal wordt gemeld, dat de vochtconsumptie ligt op ca. 1,7 liter per hoofd per dag. Oftewel: het klopt.

Tim Lambers wil weten hoe het zit met het gebruik van melkanalogen bijv. soyadranken. Van deze wordt geclaimd, dat ze melkvervangers zijn, maar dat kan alleen, wanneer ze chemisch worden bijgestort.

De spreker heeft hier geen cijfers van beschikbaar.

Consument en Gezonde zuivel

De afgelopen jaren is de marktsituatie voor voedingsmiddelen in belangrijke mate gewijzigd, aldus Martijn Morsink – productmanager bij Campina. De producentenmarkt - met een beperkt aantal merkaanbieders - is veranderd in een consumentenmarkt - met een groot aantal aanbieders - (A-merken en huismerken). De verse zuivelmarkt is daarvan een prachtig voorbeeld. De afgezette hoeveelheid in de detailhandel is redelijk stabiel, maar er zijn meer verschillende aanbieders.

Verse zuivel wordt gekocht in de supermarkt en wel gemiddeld 1,4 keer per week. Zuivel ligt dan ook bijna altijd in het winkelmandje, want gemiddeld bezoekt de consument 1,9 x per week de supermarkt.

Enquêtegegevens leveren verder op, dat een huishouden 170 euro per jaar uitgeeft aan verse zuivel.

Er zijn diverse consumententrends te traceren:

- Hang naar authenticiteit (echte, eerlijke producten, die op een goede manier gemaakt zijn)

- Behoefte aan transparantie (regionale productie of zelfs ‘local for local’)

- Belang van gezondheid (consument wil weten, dat goede keuzes gemaakt worden, product moet
aantrekkelijk zijn, maar ook geloofwaardig in de markt gezet worden)

- Nut van duurzaamheid (CO2-reductie, methaanuitstoot, klauwgezondheid van de melkkoe,
FSC-geproduceerd karton)

- Oog voor de publieke opinie (let op ‘Wakker Dier’ en 'Foodlogs' etc.)

De consumentenperceptie ten aanzien van melk is ook gewijzigd:

- Steeds kritischer houding in het algemeen m.b.t. voedsel

- Melk wordt als belangrijk voedingsmiddel in het eetpatroon van het gezin gezien.
Die moet dus intrinsiek goed zijn.

- Innovatie van melk kan wel, maar is alleen geloofwaardig, wanneer het natuurlijke karakter
gehandhaafd blijft.

- Toch blijft de kennis van de intrinsieke waarden van melk beperkt.

Campina ziet als A-merk fabrikant voor zich een rol in de markt als vernieuwer en innovator. Zo wordt een beroep gedaan op de emotionele relevantie voor de consument, waardoor een onderscheid gemaakt kan worden t.o.v. de concurrentie.

De huidige merkcommunicatie bestaat dan ook uit een belofte (100% Nederlandse melk), die wordt onderbouwd (het beste uit melk) en van een ‘license to produce’ voorzien (duurzaamheid, dierwelzijn).

Dit wordt ondermeer gecommuniceerd via Campina Boerderijdagen. In 2009 betrof dat 55 boerderijen met 80.000 bezoekers, gevolgd door een gestage groei in de volgende jaren. Inmiddels zijn er Boerderijdagen het gehele jaar door.

Een andere actie is die van “Boer zoekt jou”. Een Campina-boer(in) komt in de winkel langs voor een signeersessie en vertelt waarom Campina-melk anders is. Hiermee wordt onderstreept, dat Campina-melk bij hem/haar vandaan komt.

Iemand vraagt: hoezo Campina-melk onderscheidend? Morsink antwoordt: AH zal het A-merk niet promoten en daarom legt Campina de eigen bedrijfsvisie ook zelf neer. De promotie van weidegang bijvoorbeeld wordt door andere aanbieders gevolgd, maar Campina koppelt dat aan andere factoren zoals bijv. 100% Nederlands.

Dhr. Ab Wilbrink weet, dat prof. Katan anti-melkvet is, maar hij zegt wel dat delen van de melk die wel gezond zijn benadrukt moeten worden. Hoe speelt Campina daar op in? Volgens Morsink kan dat gemakkelijk door de nutriëntendichtheid te benadrukken. Dat is zelfs de toekomstige benadering. Titel: ‘The goodies of milk’.

Fred van Luin en Leonie van Zuilichem nuanceren het plaatje van de ‘kritische' consument; de consument is vooral ‘onkundig’ of heeft vooroordelen. Morsink antwoordt dat de signerende boer toch authentiek is. Dit wordt door van Luin niet beaamd, want die melk komt van andere boeren. Toch is de garantie, dat het Nederlandse boeren zijn, aldus Morsink.

Nutriëntendichtheid van melk

Prof. Edith Feskens van de afdeling Humane Voeding van Wageningen Universiteit schetste een beeld van het onderzoek naar voedingspatronen als middel om gezonde eetpatronen te identificeren. Aansluitend kunnen de componenten in die diëten worden bestudeerd.

De Amerikaanse ‘2005 Dietary Guidelines’ hanteren het begrip nutriëntendichtheid om de consumptie van nutriëntrijke voedingsmiddelen te promoten. Deze richtlijnen zien mager vlees, vetvrije en halfvette zuivelproducten, complete en verrijkte granen, peulvruchten, groenten en fruit als nutriëntdichte voedingsmiddelen.

De laatste jaren is er door voedingswetenschappers veel werk gedaan aan voedselprofilering voor wat betreft nutriëntendichtheid. Verse melk bekeken op nutriëntendichtheid geeft een hoge score voor vit. B12 en een redelijke voor biotine, foliumzuur en vit. B2, terwijl eiwit, vit. K en vit A ook nog aardig uit de bus komen.

De energiedichtheid van voedingsmiddelen(Hoog ED-voedsel) moet worden gereduceerd. De mens is namelijk geneigd een constante hoeveelheid voedsel te consumeren om verzadigd te raken. Hoog ED-voedsel veroorzaakt dan passieve overconsumptie in termen van totale energieopname. De extra smakelijkheid van Hoog ED-voedsel draagt ook nog bij aan overconsumptie.

Bij een vergelijking van de gemiddelde kosten per 100 g in relatie tot de gemiddelde energiedichtheid van een negental voedselgroepen valt op, dat groenten en fruit zowel lage kosten hebben als een lage energiedichtheid. Vlees en vis zijn relatief hoog geprijsd bij een gemiddelde energiedichtheid. Vetten en oliën met een relatief hoge energiedichtheid zijn daarentegen weer laag geprijsd.

Een maat om de nutriëntendichtheid af te zetten tegen de energiedichtheid is de USA NRF9.3-index. Waarbij NRF staat voor ‘Nutrient Rich Food score’ en 9 het aantal positieve nutriënten vertegenwoordigd en 3 de negatieve. Het kan ook met NRF 6.3 of NRF 11.3 en zelfs NRF 15.3. Een ander model werkt met nutriënten, die beperkt moeten worden (LIM: Limited Nutrient Score) bijv. verzadigd vet, toegevoegd suiker of natrium).

Voor eiwitten, vitaminen en mineralen zijn RDV’s opgesteld (RDV=aanbevolen dagelijkse waarden). Bijv. eiwitten 50 g, vit. A 800 RE, magnesium 375 mg en vezels 25 g. Daarnaast zijn er MDV’s (maximale hoeveelheden), bijv. verzadigd vet 20 g, totaal suiker 90 g en natrium 2400 mg.

Op basis daarvan kan gekomen worden tot een Gezond eten index (HEI= healthy eating index). Voedingsmiddelen met een hoge NRF 9.3 komen daar het dichtst bij.

Ter illustratie presenteerde prof. Feskens resultaten van de zgn. Rotterdam studie. Tussen begin jaren negentig van de vorige eeuw en 2007 zijn uitgebreide voedingspatroongegevens verzameld.

Het betrof een totaal van 7000 personen.

De resultaten werden ingedeeld in tertilen (derde deel van het totaal aantal).

Geconcludeerd kon worden, dat betrokkenen in het hoogste tertile van de NRF 9.3-score meer fruit, groenten, granen, vis en melk(producten) consumeerden. Daarnaast aten ze minder brood en aardappelen, zetmeelproducten, noten, zaden en snacks, suiker en zoetwaren, vetten en oliën en ook vlees. Verdere karakteristieken waren, dat ze jonger waren, er meer vrouwen deel van uit maakten en ze minder rookten.

Het aantal hartinfarcten lag in het laagste tertile op 15% tegen 11% in het hoogste tertile.

De sterfterisico’s ontliepen elkaar niet zoveel tussen de onderscheiden tertilen.

Nader onderzoek zal nodig zijn om verbanden met doodsoorzaken te kunnen leggen. Ter discussie staat in hoeverre de HEI of de hoeveelheid nutriënten of de weging van de nutriënten de beste index zou kunnen geven.

Klaske van Hoeij heeft begrepen, dat – op zich – aankomen met vet niet lukt. Edith Feskens antwoordt dat daar het verzadigingsgevoel een rol in speelt, en dat ligt zeer ingewikkeld.

Jaap Schrijver wil weten in hoeverre via de voedingsvragenlijst een te lage energie-inname wordt gesignaleerd. Dat is lastig aldus de inleidster, want je zou dan ook moeten weten hoeveel ze bewegen etc..

Willem Postma vraagt: is vet in principe fout? Het antwoord is nee, want wanneer je het op de goede manier verbrandt, heb je vet nodig. Zie bijvoorbeeld de Tour de France renner die verbruikt 8.000 tot 10.000 kcal/dag.

Hein van Valenberg constateert, dat de MOV’s nog niet in de NRF-indexen zitten. Edith Feskens onderkent dat en zegt dat het plaatje nog niet compleet is en nog geoptimaliseerd kan worden.

Claims

Dr. Ingeborg Bovee-Oudenhoven projectmanager gezondheid van NIZO food research geeft een beeld van het werk van EFSA (European Food Safety Authority). Speciale aandacht is er voor darmgezondheid en claims m.b.t. immuunsystemen.

EFSA is in 2002 opgericht door de Europese Raad en het Europese Parlement. Het is een onafhankelijk orgaan voor risicoafweging in de voedingsketen. In het strategisch plan is opgenomen, dat bescherming van de volkgezondheid basisdoelstelling is en dat het de bedoeling is het consumentenvertrouwen in de Europese voedselvoorziening te vergroten. De thuisbasis van de Voedselveiligheidsautoriteit is gelegen in Parma, Italië.

In juli 2007 heeft EFSA een deskundigenpanel gevraagd het voortouw te nemen in de wetenschappelijke beoordeling van gezondheidsclaims. Doelen zijn tot harmonisatie van regels te komen en consumentenmisleiding te voorkomen.

Er zijn drie typen gezondheidsclaims:

Artikel 13.1 bevat de regeling voor algemeen geaccepteerde claims, waarbij er dan van uit mag worden gegaan, dat er wel een minimale hoeveelheid van het geclaimde in het product zit (bv calcium draagt bij aan de normale botontwikkeling).

Artikel 13.5 benoemt claims op basis van nieuwe wetenschappelijke bevindingen. Zgn. functionele innovatieve claims. Hierbij kan bescherming van het eigendom van data gevraagd worden (vijf jaar). Veelal gaat het hierbij om pro- en prebiotica.

Hetzelfde geldt voor het derde type:

Artikel 14 betreft vermindering van ziekterisico’s en omschrijft claims m.b.t. kinderen.

(voorbeelden: ‘probioticum x stimuleert het immuunsysteem van de darmen’ of ‘probioticum y doet het aantal bifidobacteriën in de darmen toenemen’ of ‘plantaardig product z vermindert het serum LDL’).

Medicinale claims zijn niet toegestaan. Dus geen wervende teksten in de richting van genezing van ziekte, het verlichten van ziekteverschijnselen of het voorkómen van ziekte. Oftewel: de consumptie van voedingsmiddel x reduceert significant een risicofactor op het ontwikkelen van een ziekte en niet: de consumptie van voedingsmiddel x voorkómt significant een ziekte.

Risicofactoren moeten meetbaar zijn en een kwantitatieve relatie hebben. Er moet ook een biologisch plausibele relatie zijn tussen de risicofactor en de ziekte. De risicofactor is een onafhankelijke voorspeller van de ziekte.

Bijv. LDL is een onafhankelijke risicofactor voor hartfalen.

In plaats van risicofactoren kunnen ook geijkte bio-indicatoren als objectieve vergelijkingsmaatstaf gelden.

EFSA evalueert gezondheidsclaims op wetenschappelijke basis tegen een geharmoniseerde achtergrond. Als criteria gelden: voldoende karakterisering van de voedingscomponent, passend in een gebalanceerd dieet, bekende doelgroep, resultaten interventiestudies beschikbaar, geclaimde effect is te testen en te meten en het heeft een bevredigend fysiologisch effect. Daarnaast moeten er resultaten zijn van dier- dan wel in-vitro-onderzoeken.

Tot nu toe zijn de uitkomsten van onderzoeken naar claims m.b.t. darmgezondheid of invloed op het immuunsysteem frustrerend te noemen. Bijvoorbeeld die naar probiotica. Bovendien moet het in een gebalanceerd dieet passen (een probioticum in lollies maakt weinig kans op toestemming).

De claim richt zich soms op het ziekteproces en dat mag nu eenmaal niet (bijv. ‘voorkómt darminfecties’ of ‘verbetert allergische reactie’). Het kan ook zijn, dat de onderzoekresultaten geen bevredigend fysiologisch effect opleveren (bijv. ‘doet de bifidobacteriën in de ingewanden toenemen’ of ‘stimuleert specifieke cytokines’). Het geclaimde effect is in een ander geval niet specifiek genoeg om te meten (bijv. ‘stimuleert het immuunsysteem’). De doelgroep kan een andere zijn dan de bestudeerde (bijv. patiënten in het ziekenhuis of een specifieke leeftijdsgroep). De voedselcomponent kan onvoldoende gekarakteriseerd zijn (bijv. probioticum is niet geïdentificeerd op moleculair niveau of er is een variatie in calciumbronnen). Het houdt vanzelfsprekend ook op, wanneer er (nog) geen interventiestudies beschikbaar zijn. Door algemene informatie te verzamelen en conferenties te organiseren wordt nu geprobeerd uit de impasse te komen.

Speciale aandacht is er voor claims, die een betere ontlasting beogen. Nagestreefde positieve fysiologische effecten zijn: verminderde doorstroomtijd, vaker en minder harde ontlasting, toegenomen hoeveelheid fecaliën en verminderd gevoel van onbehagen in de darmen.

Zowel bij lactose-intolerantie als bij ijzerdeficiëntie zijn er al producten op de markt met geaccepteerde claims m.b.t. respectievelijk verbeterde vertering en verbeterde absorptie.

Claims t.a.v. het verband tussen samenstelling van de darmflora en gezondheid zijn tot nu toe door EFSA niet geaccepteerd. Wel is onderkend, dat pathogene bacteriën of hun toxinen erdoor kunnen worden gereduceerd, dan wel dat er een bescherming tegen pathogenen vanuit gaat. Claims zouden dan ook in die richting geformuleerd moeten worden: ‘reduceert pathogenen/toxinen’ of ‘reduceert de risico’s van darminfectie’.

Claims op het gebied van het immuunsysteem hebben wel de aandacht van EFSA, maar zijn nog onderwerp van studie. Bijv. het verband tussen bepaalde cytokines in de darm en de vermindering van het aantal pathogenen.

Jan Wouters wil weten, wie vanuit Nederland in de EFSA-commissie zitten. De inleidster antwoordt, dat o.a. Henk van Loverden er deel vanuit maakt. Overigens kan men ook externe experts aantrekken.

Wat te doen met afgewezen claims, vraagt Piet Verhagen. Antwoord: de VWA zal erop toezien, dat ze niet (meer) gebruikt worden. Joyce Stoppelaar merkt naar aanleiding daarvan op, dat oorspronkelijk sprake was van batchgewijze toelating met alle concurrentienadelen van dien. Inmiddels is besloten toch alles in één keer te beoordelen. De VWA zal de claimbeoordeling afwachten en dan controles gaan uitoefenen.

Volle zuivel positief

Natuurlijke voedingsstoffen - die rijk aan nutriënten zijn - kunnen het immuunsysteem ondersteunen. Hierdoor is er een significante daling zichtbaar van luchtweginfecties bij kinderen. Er zijn geen bijwerkingen en het antibioticagebruik wordt teruggedrongen. Dat zijn de conclusies van het onderzoek, dat kinderarts mevr. Ellen van der Gaag - verbonden aan Ziekenhuisgroep (ZTG) Twente – in haar inleiding presenteerde.

Ze pakte - met haar groep – een veel voorkomend probleem aan, van kinderen onder de vier jaar, die ‘kwakkelen’ met de gezondheid. Het ging daarbij om recidiverende infecties en moe voelen. Kortom ‘niet lekker te pas’ zijn. Omdat voor 70% geen medische verklaring gegeven kon worden, was er ook geen therapie beschikbaar.

Het onderzoek richtte zich op een evaluatie van het kwakkelen en het vergelijken van kinderen met recidiverende infecties en kinderen uit de gezonde controles (op de poli oogheelkunde). Er werden vragenlijsten gehanteerd met aandacht voor de thuissituatie, de gezondheid van kind en ouders, het gedrag rondom het eten, de voeding en de kennis over voeding en tenslotte het gedrag rondom ziekte.

Het bleek dat kwakkelende kinderen meer verkouden zijn (19 dagen tegenover 6), meer dagen koorts per maand hebben (7,8 tegenover 1,4), meer antibiotica-kuren per jaar hebben (2,1 tegenover 0,2) en meer moe zijn.

Infectiekinderen bleken te weinig vlees, vis en groente te eten ten opzichte van controlekinderen. De gezinssamenstelling verschilde niet, terwijl er ook geen verschil was in crèchebezoek en in kennis over voeding. Het waren ook geen slechtere eters. Wel viel op, dat kwakkelkinderen vaker zelf bepalen hoeveel ze eten. Hun ouders maakten zich meer zorgen en er was meer medisch gericht gedrag. De ouders zelf waren ook minder gezond.

Dit leidde tot de hypothese, dat voedingsmiddelen met een hoge voedingswaarde kunnen bijdragen aan de gezondheid van kinderen. Volle zuivelproducten zijn rijker aan voedingsstoffen en daarom is het voor de hand liggend om die te kiezen. Hier kwam het volgende voedingsadvies voor drie maanden uit voort: drie maal per week rundvlees, vijf maal per week groene groente, dagelijks roomboter, dagelijks volle melk/yoghurt. Dat alles in normale peuterporties. Het onderzoek werd met 75 kinderen begonnen, waarvan 61 het uiteindelijk ook hebben afgerond.

De verkoudheidsdagen namen in de loop van de drie maanden af van bijna 16 naar ruim 11. Temperatuurverhoging, koorts en antibioticagebruik waren opmerkelijk veel lager.

Op zoek naar het waarom van de positieve werking viel op, dat volle melk extra vitamine A, ALA (alfa-linoleenzuur) en vitamine E levert. Rundvlees scoort goed met ijzer, selenium, vit. A, - B12 en – E. De groene groenten voegen m.n. ijzer en vit. B11, A, C en E toe.

Vitamine A wordt niet door het lichaam zelf geproduceerd, maar is nodig vanwege de rol bij mucosale afweer en het aantrekken van lymfocyten ter infectiebestrijding. Vitamine C werkt als antioxidant in de luchtwegen, zorgt voor proliferatie van T lymfocyten en bevordert het herstelproces na infectie. Van ijzer is bekend, dat bij tekorten meer infecties en minder weerstand optreedt. IJzer bevordert zowel de humorale (tegen soortvreemde eiwitten), celgemedieerde als de niet-specifieke weerstand.

Ter relativering van de onderzoekresultaten noemt dokter v.d. Gaag een aantal beperkingen. Zo waren de groepen wat klein en was er geen controle wat de kinderen hadden gegeten. Alleen de producten werden genoteerd en de variaties en kookmethode van groentes en vlees zijn niet bekend. Was het vers, uit de diepvries of uit een potje?

Tenslotte blijft onzeker welk bestanddeel uiteindelijk heeft geholpen.

Er zijn daarentegen voldoende voordelen te noemen, zoals ‘geen bijwerkingen’ en het valt in te passen in het normale leefpatroon. Het is een klinische aanpak en ouders zijn zich bewust van de voordelen van de voeding. De ouders kunnen er zelf wat aan doen, wat voor hen ook leidt tot minder verzuim van werk.

Voor de toekomst is duidelijk, dat voeding een bijdrage lijkt te hebben gegeven. Een vraag blijft nog: wat kunnen we met het gedrag?

Ton Maas wil meer weten van de controlegroep. De inleidster antwoordt dat de kwakkelkinderen hun eigen controle zijn geweest. De eerste maand was de nulfase. Aan deze keuze lagen klinische overwegingen ten grondslag. Het niet behandelen van een deel van de kinderen was niet te verkopen aan de ouders.

Jolanda van Duinen vraagt of deze kinderen niet alleen iets meer vitamines nodig hebben. Het antwoord luidt, dat er geen bewezen tekorten zijn. Wel was er soms een lage ijzerbalans, maar geen anemie. Sommige kinderen hebben net een wat hogere behoefte aan extra voedingsmiddelen dan anderen. Er was best wel sprake van een grote individuele variatie.

Barbara Hart is benieuwd of de ouders nu ook fitter zijn. Mevr. v.d. Gaag heeft dat niet teruggemeld gekregen, maar het hele gezin deed mee. De reactie was wel: ‘we hebben heerlijk gegeten deze drie maanden’.

Melk natuurlijk goed

Stefanie Oude Elferink – medewerker van FrieslandCampina – verzorgde een inleiding over ‘Het goede van melk’ i.s.m. Rolf Bos en Jan Steijns.

Ze schetste eerst een aantal wereldwijde megatrends:

- Economische macht verschuift naar Azië

- Globalisering van markten en bedrijven

- Onzekerheid en beweeglijkheid van markten

- Maatschappelijke zorg over duurzaamheid

- Consolidatie van de voedingsmiddelenindustrie

- Toenemende vraag naar voedingskundige voordelen.

De onderkenning van deze megatrends inspireerde FrieslandCampina tot een nieuwe marktbenadering, genaamd: route2020.

Vanuit een fundament van goede zuivel, ketenvoordelen, duurzame productie en een gedeelde manier van werken wordt met de juiste vaardigheden ingespeeld op klantenbehoeften.

Speerpunten voor waardegroei zijn daarbij zuiveldranken, merkkaas, wereldwijde kindervoeding, sterke posities & geografische groei, ‘foodservice’ Europa en interessante basisproducten. Dit leidt tot uiteindelijk tot ‘aspiratie’, oftewel: helpt mensen vooruit in het leven met natuurlijke zuivel en levert de meest aantrekkelijke zuivelonderneming voor ledenmelkveehouders op.

De werving voor melk wordt samengevat in: ‘No goodness of milk, no glory’. Anders gezegd: melk is Moeder

Natuur’s bijdrage aan een goed gebalanceerd voedingspatroon.

Gezondheidsautoriteiten over de gehele wereld bevelen het dagelijks gebruik van melk en zuivel aan. Melk heeft – per slot van rekening - een hoge nutriëntendichtheid met meer dan 400 macro- en micronutriënten, die nodig zijn voor energiestofwisseling, groei, ontwikkeling, onderhoud en bescherming.

Om voldoende calcium binnen te krijgen is de consumptie van 240 ml melk voldoende. Dit kan ook worden bereikt met 1385 g sla of 320 g broccoli. Duidelijk is dat melk en kaas veruit de belangrijkste bron van calcium zijn in het dieet (basis: Onderzoek in Duitsland). Duitse onderzoek toont ook aan, dat melk en kaas ook voor eiwit een belangrijke bron zijn, weliswaar naast vlees en worst. Verder staat de zuivel aan de top als bron voor vitamine B2 en vitamine B12. Brood is de belangrijkste bron voor zink, maar zuivel is goede tweede. Voor jodium incl. zout zit zuivel in de middenmoot en wordt voorbij gestreefd door alcoholvrije dranken, brood en vlees en worst.

Voor peuters en kleuters is de voedingsstoffenbijdrage van zuivel op alle fronten behalve vitamine C beter dan andere dranken.

Vanwege de voedingswaarde, de smaak en de toepasbaarheid wordt melkeiwit wereldwijd toegepast in zeer veel bijzondere voedingen. Melkeiwitten hebben een goede uitwerking voor spieren en botten.

Het voordeel van melksuiker is, dat het insuline niet overmatig stimuleert en voor ‘langzame energie’ zorgt.

Melkvetten verhogen o.a. de biobeschikbaarheid van vitamine A, maar ook van voorlopers van vitamine A, die aanwezig zijn in fruit en groenten.

Samen met zink, selenium, calcium, eiwit en sommige vetzuren dragen de vitaminen A en D bij aan immuniteit en weerstand. Calcium, eiwit, kalium en vitamine D werken samen om de botten gezond te houden.

Zuivelinname tijdens de eerste dertig jaren van iemands’ leven is de beste investering om een goede kwaliteit botten te ontwikkelen en te houden. Vandaar de winnende reclameslogan: ‘Your daily glass of gold!’.

Voorbeelden van nieuwe ontdekkingen en/of nieuwe inzichten die “The magic of milk” illustreren:

- Lactasenpersistentie (het vermogen om als volwassene lactose te verteren), in samenhang met zuivelgebruik, is in de loop van de evolutie van de mensheid een selectief overlevingsvoordeel gebleken, zo stelde de Britse hoogleraar Mark G. Thomas tijdens een lezing begin maart 2010 in Wageningen.

- Risico op suikerziekte is mogelijk drie keer lager door inname van een transvetzuur uit zuivelvetten (2010).

- Galactose mobiliseert vet uit vetweefsel en stimuleert verbranding bij zwaar overgewichtigen (2010).

- Joris Driepinter had toch gelijk. Volgens onderzoek van dr. Sabita Soedamah-Muthu, universitair docent bij de afdeling Humane Voeding van Wageningen University, zou de witte motor namelijk wel eens heel gezond kunnen zijn. Drie glazen melk per dag waren gerelateerd aan een 18 procent lagere kans op hart- en vaatziekten, zo blijkt uit haar publicatie in de American Journal of Clinical Nutrition van deze maand. (25 nov 2010).

De kersverse FrieslandCampina-boodschap luidt dan ook samengevat:

• Melk zit vol goede nutriënten

• Elke nutriënt heeft specifieke functies in het lichaam

• De nutriënten in melk spelen samen en versterken elkaars kracht, zoals muzikanten in een orkest

• De goedheid van melk is er in veel smaken en soorten

• We leren nog steeds nieuwe dingen over melk en de positieve rol van melk voor onze gezondheid


Kortom: ‘Embrace the goodness of milk’

Afronding

Met de slotmededeling dat het najaarsymposium 2011 gepland is op donderdag 10 november bij Qlip in Zutphen werd een lange leerzame dag afgesloten.

Verslag: Willem van Middendorp

In de eerste plaats door adequate bedrijfsvoering door de melkveehouder, en deelname aan bestrijdingsprogramma’s, heeft Nederland de zoönosen onder de duim gekregen. Ook integrale kwaliteits-borging en een groot kwaliteitsbesef op de boerderij en in de rest van de productie-kolom zijn cruciaal. Melk van zieke dieren mag niet aan de fabriek worden geleverd. Mocht de door de melkveehouder aangeleverde melk voor verwerking toch besmet zijn met voor de mens overdraagbare dierziekten, dan is deze dankzij de diverse verwerkingsstappen (bijv. pasteurisatie) in de fabriek toch nog veilig. Aldus kan de boodschap van het voorjaarssymposium 2002 worden samengevat.

Dit symposium werd gezamenlijk met de Groep Geneeskunde van het Rund georganiseerd.

Lees verder

Sterkere rol bedrijfsleven bepleit bij zuivelonderwijs

Terugloop studentenaantallen

Verslag: Willem van Middendorp

Om het sterk dalend aantal studenten zuiveltechnologie te keren, is ingrijpen door de zuivelindustrie noodzakelijk. Dit bepleitte ir. Fons Michielsen van AOC Friesland tijdens het najaarsymposium van het Genootschap ter Bevordering van Melkkunde. De kwaliteit van het onderwijs kwam als eerste ruim aan bod.

Dr. Ad Juriaanse, directeur van Nizo food research (Ede) beet 's morgens in Wageningen het spits af tijdens het symposium 'Zuivelonderwijs: moet het anders?' op 13 november jl. 'De vragen die de zuivelindustrie stelt zijn veranderd', hield hij de ruim 60 toehoorders voor. Onderzoek en ontwikkeling moet in steeds kortere tijd gebeuren, innovaties staan steeds meer voorop en de zuivelproducten moeten sneller op de markt. Dit houdt in dat bedrijven van de Nizo technologen verwachten dat zij zich snel verplaatsen in hun problematiek en met een oplossing te komen. Voor de onderzoekers is het daarom belangrijk dat ze snel en goed af kunnen wegen 'wat hun kennis betekent in de praktijk van de opdrachtgever'. Richting Wageningen Universiteit, waar veel van de academici binnen Nizo vandaan komen, merkte de Nizo-directeur op dat hier meer aandacht aan besteed zou mogen worden. Nog te veel wordt daar gedacht dat dit iets 'voor later' is; 'voor na de studie'.

Intern opleidingstraject

Om de kwaliteiten van de onderzoekers (zo nodig) te verbeteren, volgen ze bij Nizo een intern opleidingstraject. 'Dat is hard nodig.' Belangrijke onderdelen zijn bijvoorbeeld projectmanagement, communicatie in het algemeen maar ook rapportages, het schrijven van een projectplan, overleg met de klant, onderhandelen, sales en account management en marketing. Aan wetenschappers 'pur sang' is nog maar weinig behoefte in een moderne maatschappij, zo lijkt het. 'Technologen moeten de wetenschappers bij de klant adviseren bij hun beslissingen', aldus Juriaanse. Inmiddels werken bij Nizo in totaal 76 academisch geschoolden. Naast 29 Wageningers, zijn deze opgeleid aan zo goed als alle technische universiteiten, waaronder 11 uit Groningen en acht uit Utrecht. Ad Juriaanse verwacht dat er in de toekomst meer buitenlandse academici aangetrokken gaan worden. Nu zijn het er zes. Zijn voorkeur gaat uit naar mensen die uit de industrie komen. Zij kennen immers de noden van de bedrijven. De vraag man of vrouw is een gepasseerd station. In een reactie op de lezing van Juriaanse, wees dr.ir. Tiny van Boekel de toehoorders erop dat projectmanagement de laatste jaren steeds meer aandacht krijgt binnen de opleiding tot voedingsmiddelentechnoloog. Van Boekel is hoogleraar Productontwerpen en Kwaliteitskunde en zuiveltechnoloog aan Wageningen Universiteit. Hij waarschuwde dat de balans met wetenschappelijk opleiden niet in gevaar mag komen.

Zuivelhoogleraar

Een spreker die als geen ander de noden kent van de zuivelindustrie, is dr. Jos Lankveld. Hij is bijzonder hoogleraar Zuivel bij Wageningen Universiteit en was daarvoor jarenlang stafdirecteur Research bij Campina. Als het gaat om de behoeften van de zuivelindustrie, noemt hij het Wageningen Centre for Food Sciences als toonbeeld. Binnen de muren van de universiteit ziet hij de zuivelkunde vooral als een generieke vertaalfunctie van wetenschappelijk onderwijs naar de praktijk. Onderwijs in productkennis is hierbij van groot belang, als onderdeel van kennis van de integrale keten (van boerderij naar consument). De opleiding zuivelkunde zou wat Lankveld betreft een verplicht vak mogen worden binnen de opleiding levensmiddelentechnologie aan WU. 'Naast bijvoorbeeld vleeskunde of groente/fruitkunde.' Hij vindt ook dat zuivelkunde meer aandacht zou mogen krijgen. 'Een grotere kritische massa is vereist voor de garantie van continuïteit.' Inmiddels heeft hij in de persoon van ir. Hein van Valenberg een medewerker. Bij de keuze van afstudeeronderwerpen, vindt overleg plaats met de beide grote en andere zuivelbedrijven, maar ook met onderzoeksinstituten als Nizo en ATO. Over belangstelling mag Lankveld niet klagen. 'Dit jaar deden al vijf studenten een afstudeervak, momenteel zijn er zeven bezig en er volgen nog zes de komende maanden.' Onderwerpen worden uit de hele zuivelketen gehaald en er wordt ook vanuit andere vakdisciplines naar gekeken, bijvoorbeeld marktkunde of bedrijfskunde. De afstudeeronderwerpen zijn zo veel mogelijk projectgericht: uitgaande van een probleem wordt een oplossing of aanpak gezocht. Lankveld merkt op dat goede begeleiding essentieel is bij het welslagen van een opdracht. Momenteel zijn er ook enkele promotieonderzoeken. Bij het onderzoek naar de modellering van het microbiologisch ecosysteem in relatie tot voedselveiligheid en diergezondheid, is ook Nizo food research betrokken. Centraal staat de rol van schadelijke micro-organismen.

Friesche Vlag-teams

Een andere man uit de praktijk is ing. Geert Kooiker, plant manager bij Friesche Vlag voor de fabrieken in Groningen en Drachten. Hij vertelde dat binnen de bedrijven steeds meer in teams wordt gewerkt. Prestaties zijn daarom bijna altijd teamprestaties, en dus is de samenstelling van een team cruciaal. Zuiveltechnogen maken hier deel van uit. 'Als er problemen zijn, zijn er altijd meer oplossingen', aldus Kooiker. Een wezenlijke taak voor de technoloog is het analyseren van problemen en het wegen van de oplossingen. Ook het kunnen interpreteren van technologische gegevens, het begeleiden van het invoeringsplan bij een oplossing en het zo veel mogelijk standaardiseren van de werkwijzen, ziet Kooiker als belangrijk taken. Kennis is hierin een belangrijke factor voor de technoloog, maar ook het kunnen functioneren in een team. 'Onderwijsinstellingen mogen studenten meer opleiden voor hun rol in de onderneming', besluit hij.

Niet sexy

Naast de inhoudelijke kant van het onderzoek, kwam een andere onderwerp aan de orde. Zuiveltechnologie is niet sexy in het onderwijs. Het trekt veel te weinig leerlingen aan en dat baart zorgen. De industrie heeft steeds meer behoefte aan goed opgeleid personeel. Dit geldt voor de hele linie van MBO tot en met universitair, daarover waren de vertegenwoordigers uit industrie en onderwijs het zonder voorbehoud eens. Ir. Fons Michielsen van het AOC Friesland was degene die in zijn lezing de problematiek besprak. Hij kwam met enkele cijfers voor de opleiding voedingsmiddelentechnologie als geheel. In 1997 waren er nog ruim nieuwe 350 HBO-studenten, vorig jaar een 150-tal instromers. Het totaal op MBO-niveau schommelt de laatste twee jaar rond de 300. In Wageningen is de situatie al niet veel beter, zo bleek uit de woorden van professor Lankveld. Hij verweet de directies van de zuivelondernemingen dat zij 'de problematiek niet zien'. Zij kijken onvoldoende ver vooruit, aldus een duidelijk bij het onderwerp betrokken Michielsen. 'Ze zeggen wat ze morgen nodig hebben.' Opleiden kost tijd, maar belangrijker is dat meer scholieren kiezen voor zuivelonderwijs, en dat traject kost ook tijd. Het idee om afgestudeerden uit het buitenland te halen gaat volgens de docent niet op. Ook in Duitsland, Frankrijk, Engeland dalen de aantallen met 10 tot 40% per jaar. Een ander probleem is dat de opleidingen, van AOC tot en met universitair, steeds meer onder financiële druk komen te staan. Niet alleen bij het AOC maar ook in Wageningen staan de budgetten onder druk. Hoe minder afgestudeerde studenten, hoe minder geld voor de opleiding van nieuwe studenten. Michielsen weet dit als docent als geen ander. Een van de gevolgen is volgens hem de extensivering van het onderwijs. Het aantal zogenoemde contacturen tussen docent en student is ten opzichte van 1981 gehalveerd, zowel binnen het HBO als het MBO. 'Kennis wordt hierdoor niet meer aangevuld, terwijl bedrijven vragen om de kennis voor de toekomst.' Studenten zijn meer op zichzelf aangewezen en worden minder gestuurd. Daarboven op komt nog eens dat specifieke kennis meer en meer naar de achtergrond wordt gedrongen, constateert Michielsen. Hij vraagt zich af of de zuivelindustrie hier op zit te wachten. Michielsen is duidelijk in zijn antwoord: 'neen.'. Hij zegt dat zijn collega's hier ook zo over denken. In hun ogen moeten daarom 'heel spoedig maatregelen worden genomen voordat de kennis en de infrastructuur op onderwijs gebied die de afgelopen eeuw is opgebouwd, verloren is gegaan.' Gevolgen? Michielsen noemt toenemende faalkosten, verlies van concurrentiepositie van de Nederlandse zuivelindustrie. Hij doet daarom de oproep aan de zuivelindustrie om zich te bemoeien met het PR-beleid van het onderwijs voor voedingsmiddelentechnologen. 'Nog onvoldoende is bekend waar scholieren voedingsmiddelentechnologie kunnen gaan studeren. Bedrijven zouden wellicht langs de scholen kunnen gaan, zoals al in Finland gebeurt', weet Fons Michielsen. 'Ook is een actievere houding wel op zijn plaats richting de overheid.'

In de eerste plaats door adequate bedrijfsvoering door de melkveehouder, en deelname aan bestrijdingsprogramma’s, heeft Nederland de zoönosen onder de duim gekregen. Ook integrale kwaliteits-borging en een groot kwaliteitsbesef op de boerderij en in de rest van de productie-kolom zijn cruciaal. Melk van zieke dieren mag niet aan de fabriek worden geleverd. Mocht de door de melkveehouder aangeleverde melk voor verwerking toch besmet zijn met voor de mens overdraagbare dierziekten, dan is deze dankzij de diverse verwerkingsstappen (bijv. pasteurisatie) in de fabriek toch nog veilig. Aldus kan de boodschap van het voorjaarssymposium 2002 worden samengevat.

Dit symposium werd gezamenlijk met de Groep Geneeskunde van het Rund georganiseerd.

 

Definiëring

Zoönosen (Grieks: zoon 'dier', nosos 'ziekte') zijn ziekten bij de mens veroorzaakt door een aandoening of een pathogeen bij een dier, zo doceerde prof. Noordhuizen in zijn parapluverhaal.

Het gaat hierbij om bacteriën, parasieten en virussen die van dier naar mens overgedragen kunnen worden. Melkerskoorts (Leptospirose) is illustratief. De verschijnselen lijken op die van griep en de ziekte treft vooral melkveehouders. Zoönosen zijn feitelijk niets nieuws. Al in het begin van de twintigste eeuw was bekend, dat je door het drinken van ongepasteuriseerde verse koemelk van een besmet bedrijf, geïnfecteerd kon raken met brucellose of tuberculose. Het drinken van rauwe melk was in die dagen de gewoonste zaak van de wereld. Dit betekende dat je als melkdrinker een reëel risico liep een brucellose- of tuberculose-besmetting op te lopen. Nu is dit compleet anders al was het maar omdat melk doorgaans gepasteuriseerd wordt. Noordhuizen concludeerde dat zoönosen er weliswaar altijd zullen blijven, o.a. door de hypersanitaire situatie bij de mens (samen met een toegenomen ziektegevoeligheid). Zoönosen zijn zeer divers van aard en hebben effect op de zuivelkwaliteit (technisch of imago). De economische en politieke effecten zijn groot. Er is een noodzaak tot aanpassingen op het melkveebedrijf om zekerheden te bieden. Tenslotte: Monitoring, risicoschatting en risicobeheersing zijn nodig. Bij voorkeur geïntegreerd waar het gaat om operationele aspecten van second opnion beoordeling en inspectie. Het HACCP-concept kan hierbij een goede rol spelen.

Bestrijdingsprogramma’s

Dhr. van der Sommen, afd. dierziekten van het RVV verstrekte een overzicht van de gang van zaken bij de bestrijding van aangifteplichtige ziekten (bijv. Brucellose, Tuberculose, MKZ en BSE/TSE).

Steeds nadrukkelijker gaat de aandacht uit naar preventie voorafgaand aan bestrijding. Bij preventie kent men twee pijlers namelijk risk assessment en monitoring. Bij de bestrijding wordt gewerkt met verdenkingen (na bijv. monitoring of door de veehouder of dierenarts opgemerkte afwijkingen of bij controle aan de slachtlijn of bij tracering na een geconstateerde besmetting.

Dr. Verhoeff noemde enkele voorbeelden van zoönosen die op vrijwillige basis bestreden worden. Voorbeelden daarvan zijn Salmonellose, Paratuberculose en Leptospirose. Voor de opsporing van besmette bedrijven en het bewaken van de vrije bedrijven wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van het onderzoek van tankmelkmonsters, aldus de spreker. ‘Deze monsters kunnen worden beschouwd als representatieve monsters voor de gehele lacterende populatie. Omdat ze elke 2 dagen aangeleverd worden aan het melkcontrolestation, zijn ze gemakkelijk beschikbaar voor laboratoriumonderzoek.’ Ontwikkeling en validatie van met name de tankmelktesten heeft veel inspanning gekost. De leptospirosevrij certificering is de oudste en begonnen in 1993. Aanvankelijk was het infectieniveau ongeveer 30 procent (in 1990). In januari 2002 waren, volgens Verhoeff, nog slechts 970 van de 25.561 melkleverende bedrijven niet vrij van leptospirose (het gaat om slechts 4%). ‘Op deze bedrijven wordt door KKM druk uitgeoefend om zich te saneren.’ Bewaking van de aanvoer van dieren gebeurt via het I en R-systeem, het bedrijfsregister, dat door de EU is vastgesteld en inmiddels in Nederland door het Ministerie van LNV zelf wordt beheerd. Correct bijhouden van het register wordt mede bepalend voor het toekennen van dierpremies. Alle veehouders krijgen 4 keer per jaar een register toegestuurd met een beknopte invulinstructie. In 2000 is begonnen met de salmonellosevrij-certificering. Steek-proefonderzoek had uitgewezen dat op ongeveer 10 procent van de melkvee-bedrijven de infectie aanwezig is of recent aanwezig is geweest. Ook hierbij wordt gewerkt met onderzoek van tankmelk. In januari 2002 zijn 2247 bedrijven gecertifi-ceerd als salmonellose-onverdacht.

Bij de bestrijding van paratuberculose (een mogelijke zoönose) kan geen gebruik gemaakt worden van tankmelkonderzoek. Bacteriologisch onderzoek van de mest is een belangrijk diagnosticum, maar stelt hoge eisen aan kwaliteit van laboratorium en personeel. Een faeceskweek en duurt ongeveer 4 maanden. Bloedtesten hebben nog steeds een vrij lage gevoeligheid. Omdat de infectie optreedt gedurende het eerste levensjaar en de besmetting pas op latere leeftijd (en dan nog moeizaam) is vast te stellen, nemen preventieve managementmaatregelen een belangrijke plaats in bij de bestrijding. Hiervoor is de zogenaamde parawijzer ontwikkeld. Dat is een vragenlijst met 41 vragen: 33 vragen over de kalveropfok en 8 over bedrijfshygiëne en registratie. De GD geeft scores aan de antwoorden van de vragen. Door verwerking van de scores kunnen de belangrijkste maatregelen ter verbetering van de preventie worden geselecteerd. Zo wordt het voor de veehouder mogelijk stap voor stap verbeteringen aan te brengen, in volgorde van belangrijkheid. In de loop van de tijd en na gunstig verlopen bloed- of mestonderzoeken verkrijgt men langzamerhand een hogere status. In januari 2002 hadden 67 bedrijven de hoogste status bereikt, terwijl 927 bedrijven een onverdachtstatus van een lagere orde hadden. Er werken momenteel 2516 bedrijven binnen het parawijzersysteem.

 

Zuivelbereiders

De eisen die worden gesteld aan het melkveebedrijf, het transport van de melk en de verwerking van de melk tot melk- en zuivelproducten zijn vastgelegd in de Europese Zuivelhygiëne-richtlijn (92/46/EEG), vertelt ir. Bouwman van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaange-legenheden in de Zuivel (www.cokz.nl) te Leusden.

De richtlijn heeft betrekking op de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk. Het COKZ is in Nederland namens de overheid belast met toezicht op de naleving van de voorschriften. Ze voert inspecties uit bij bedrijven, zowel boerderijzuivelbereiders als de zuivelindustrie. Onder het toezicht van het COKZ valt ook de monstername bij de melkaflevering vanaf de boerderij en het onderzoek van het MCS in Zutphen. In de EU-regelgeving worden eisen gesteld wat betreft het melkveehouderij-bedrijf, het transport van de melk en de verwerking van de melk tot melk- en zuivelproducten. Daarnaast worden

(o.a. microbiologische) normen gesteld aan de rauwe melk en de melk- en zuivelproducten, die hieruit worden bereid. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Nederlandse Warenwet, de Landbouwkwaliteitswet en de PZ-verordening Uitbetaling Boerderijmelk naar kwaliteit en gewicht. Expliciet meldt de Zuivelhygiëne-richtlijn (92/46/EEG) dat het melkvee tbc- en brucellose-vrij moet zijn. Verder mogen de koeien geen tekenen vertonen van besmettelijke, naar de mens overdraagbare ziekten of andere ziekten. Niet lijden aan aandoeningen van het genitaal apparaat waarbij afscheiding optreedt, geen darmontstekingen met diarree en koorts of een zichtbaar ontstoken uier, worden ook expliciet benoemd.

RVV

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV, te Voorburg) is een uitvoerende dienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een van haar taken is de zorg voor de bestrijding van dierziekten. Drs. Erik van der Sommen van deze organisatie (www.minlnv.nl/lnv/algemeen/rvv/) licht toe dat de RVV het vooral gaat om preventie van zoönosen daar waar ze kunnen ontstaan: op het melkveebedrijf. Voor-komen is immers beter dan blussen, zo luidt het adagium. Daartoe keurt de RVV met name levende en dode dieren, vlees en vleesproducten en houdt ze toezicht op de naleving van dierenwelzijnvoorschriften en op de naleving van hygiëne- en inrichtingseisen voor bedrijven. Slachthuismateriaal wordt (zoals de overheid voorschrijft) bijvoorbeeld gemonitord op bijvoorbeeld het voorkomen van tuberculose en brucellose, ook in de KI-stations worden de dieren bekeken. Voor brucellose worden ook de verwer-pers onderzocht. Dat zijn de koeien die een abortus hebben gehad. Ook wordt tankmelk onderzocht en vindt bloed-onderzoek plaats. In slachthuizen wordt ook gekeken naar het voorkomen van bse. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de destructiebedrijven.

Gezondheidsdienst voor Dieren

Een deel van de onderzoeken, zoals naar tuberculose, gebeurt bij de Gezond-heidsdienst Dieren (GD, te Deventer). De bestrijding van deze ziekte en brucellose liggen overigens aan de basis van de oprichting deze particuliere privaat-rechtelijke organisatie in 1919. Dit gebeurde op initiatief van de Nederlandse zuivelcoöperaties en het Friesch Rundvee Stamboek (zo heette dat toen).

De GD ondersteunt ook veehouders bij ziektepreventie en ziektebestrijding. Vaak gebeurt dat in samenwerking met andere dienstverlenende organisaties in het landbouwbedrijfsleven. Ook bestaan goede contacten met dierenartsen (-praktijken).

Dierenarts

De dierenarts speelt op verschillende plaatsen in de keten een belangrijke rol, niet alleen op de het melkveebedrijf, maar bijvoorbeeld ook in het slachthuis (RVV) bij bijvoorbeeld het herkennen van tuberculose; de georganiseerde monitoring. Van oudsher is de dierenarts er (net als de huisarts) om zieke dieren te genezen. De melk van deze dieren wordt dan niet in de melkketen verwerkt. Pas na de zogenoemde wachttijd van de gebruikte medicijnen mag melk weer worden verwerkt tot smakelijke zuivelproducten. Dierenarts dr. Theo Lam (Vorden) wijst ook op de preventieve taken, zoals het nemen van zoötechnische maatregelen op de boerderij om te voorkomen dat dieren elkaar besmetten. Ook vaccinatie, omstreden bij de laatste mkz-crisis, rekent hij hiertoe. Een andere belangrijke en niet te onderschatten rol is die van adviseur. ‘Het verleden heeft bewezen dat dierenartsen vaak in staat zijn veehouders te overtuigen deel te nemen aan bepaalde bestrijdings-programma’s’, aldus Lam. De verwachting is daarbij dat het Periodiek Bedrijfs Bezoek (PBB), als onderdeel van Keten Kwaliteit Melk (KKM), de communicatie tussen melkveehouders en erkende rundveedierenartsen zal stimuleren.

Melkveehouder

Melkveehouder Henk Berends uit Almen heeft een genuanceerde visie op de bestrijding, bewaking en preventie van zoönosen en andere veeziekten. Hij ziet goede kansen omdat de voedselveiligheid steeds meer centraal komt te staan en er sprake kan zijn van een toegevoegde marktwaarde. Er zijn echter ook bedreigingen omdat het de boeren onvoldoende beloning vanuit de markt oplevert. Het draagvlak voor verdere regelgeving en controle neemt daardoor bij de melkveehouders af.

De inspanningen zullen er dan ook op gericht moeten zijn om de boer de vergoedingen te verstrekken die nodig zijn om de hoogste kwaliteit melk te leveren.

Verwerkingsprocessen

Dr. te Giffel belichtte de rol van de verwerkingsprocessen bij de beheersing van zoönosen in de zuivelketen. Het uitgangpunt is voortreffelijk: In 2000 was 97,8% van de melkleveranties door de boeren aan de zuivelfabriek zonder kwaliteitskorting. Desalniettemin is er bij de verwerking van melk aandacht nodig voor de kwaliteit vanwege verlenging van houdbaarheid, uitstellen van enzymatisch en/of microbiologisch bederf en inactivatie van pathogenen. Methoden zijn verhitten en verzuren.

Pasteurisatie is in principe voldoende om Listeria, Coli-bacteriën, Salmonella’s en Campylobacters kwijt te raken. Een nieuwe ontwikkeling bij verhitten is de Innovatieve Stoom Injectie (ISI). ISI werkt met hoge temperaturen (> 150°C) gedurende zeer korte tijd (< 0,10 sec). Voordelen zijn een sterke inactivatie van hitte-resistente sproren, weinig wei-eiwit denaturatie en toch een goede smaak.

Verzuring doet bacteriën die zoönosen veroorzaken niet meer groeien. Behalve campylobacter overleven ze de verzuring.

Mevr. te Giffel concludeerde dat zoönosen door faecale bemetting in (rauwe) melk en rauwmelkse zuivelproducten voorkomen. Door ketenbeheersing is een evenwichtige situatie te bereiken. Omdat 25% van de bevolking tot risicogroepen hoort , is goede voorlichting (adequate labeling van producten, contact met dieren, rauwmelkse status e.d.) van groot belang.

Discussie

In afsluitende forumdiscussie werd gesteld dat in de relatie van producent naar consument de perceptie en emotie een belangrijke rol spelen. Dhr. Noordhuizen antwoordde daarop, dat het daarbij gaat om imago, vertrouwen bij de consument. Impact, onvrijwilligheid en onvoorspelbaarheid spelen ook mee. Deze drie dingen moeten vertaald worden en daarom is communicatie op alle niveaus en zo breed mogelijk van belang.

Verslag: Willem van Middendorp

Voor het invullen van het voorjaarssymposium 2003 moest het Genootschapsbestuur grijpen naar een noodscenario. Door omstandigheden moest de voor het najaar van 2003 geplande bijeenkomst naar voren worden geschoven.

Dit pakte uitstekend uit. Voor een goedgevulde zaal in Leusden kon op 21 mei jl. een prima programma worden gepresenteerd.

De voorzitter, tevens dagvoorzitter ir. Rini Bouwman, opende met een vraag: ‘Bent u gekomen om bevestigd te worden in een vooroordeel?’ Daarmee duidend op het imago van stroperigheid, uitgebreidheid en ondoorzichtigheid, dat er aan de regelgeving kleeft.

Bouwman kon wel begrip voor opbrengen voor al die vooringenomenheid, maar somde al meteen het belang van een goede regelgeving op. Het gaat daarbij om bescherming van de volksgezondheid, de voedselhygiëne, maar ook om het bevorderen van de afzet en het regelen van de markt, aldus de voorzitter.

Het programma bood uitgebreid de mogelijkheid om dat inzicht te verbeteren.

Aansluitend was er gelegenheid de laboratoria van het COKZ te bezoeken en werd de middag afgesloten in samenzijn met de huidige directeur van het COKZ dr. ir. Leen de Jong.

 

Lees verder